De moord van Tattoo Lonnie, Hoofdstuk IX: een lesie sundayafternoon

De moord van Tattoo Lonnie, Hoofdstuk IX: een lesie sundayafternoon

Meneer Pastoor sloeg zijn psalmboekje open en zei; “Laten wij zingen uit Psalm 16 vers 6.”
Nadat de gemeente onder hem in de bankjes de juiste pagina open had geslagen, begonnen ze te zingen.

Gij maakt eerlang mij ’t levenspad bekend,
Waarvan, in druk, ’t vooruitzicht mij verheugde;
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,
Schenkt mij in ’t kort verzadiging van vreugde;
De lieflijkheên van ’t zalig hemelleven
Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.

“En het was voor de slagerij dat Het tot mij kwam”, sprak meneer Pastoor ernstig, toen ze uitgezongen waren.
De Raaf stootte Rinus naast hem aan en fluisterde: “niks laten merken!”
Hollestelle had op voorhand al besloten, zo stoïcijns mogelijk voor zich uit te blijven staren. Want deze zondagochtend hadden ze meer dan anders zenuwachtig plaatsgenomen op het achterste bankje. Ze wisten dat meneer Pastoor hen niet gezien had en toch; het voelde aan alsof ze een zonde hadden begaan.
Ze hadden gezien hoe meneer Pastoor de gevallen vibrator opgepakt had en zeker vijf minuten naar boven was staan blijven kijken. Misschien waren het twee minuten. Het had voor hen aangevoeld als die spreekwoordelijke eeuwigheid. Uiteindelijk liep meneer Pastoor met vibrator en al de kerk in aan de overkant. Ze hadden een zucht van opluchting gelaten, maar vreesden de volgende dag. Het kon niet anders; dan dat de vibrator in de preek terug zou komen. Rinus had nog op het Kerkplein gezegd; “ik weet echt niet of ik me dan goed kan houden Chef.”
De Raaf had hem gewaarschuwd met: “als je het maar laat Rinus!”
Toch waren ze zoals iedere zondag trouw naar de dienst gegaan en veinsden nergens wat vanaf te weten. Dat viel in het geheel niet mee. Te meer daar iedereen er onderhand wel van overtuigd was; wat een uitzonderlijk goede agenten hun dorp rijk was. Dus het was niet louter meneer Pastoor die ze onschuldig moesten blijven aankijken, maar de hele gemeente.
“Precies voor de deur van de Raaf zag ik Zijn vinger liggen!”, bulderde meneer Pastoor nu luid door de kerk. “Neen, niet zijn gehele rechterhand. dat zou te veel eer zijn. Maar Zijn wijsvinger is een zegen op zich om ons eeuwiglijk te wijzen de juiste weg. Nu zult U mij vragen, waarheen gaat die dan? En ik zal antwoorden; volg Zijn vinger!”
Vanuit het spreekgestoelte pakte hij de ‘vinger’ en hield deze trots boven zich uit.
Kreetjes van schrik, afkeuren en vertwijfeling zeker waren te horen. En ook Rinus liet zich niet onbetuigd. Hij slaakte een ongecontroleerd heel hoog gilletje. Het was dat de commissaris hem hard aanstootte, anders was deze zeker in een hysterisch harde lach uitgemond dat niet meer te controleren zou zijn.
Meneer Pastoor liet de ‘vinger’ recht boven zich uit bungelen en zei naar de ‘vinger’ kijkende: “omhoog mensen, de vinger wijst omhoog! En daar is de hemel. Dus laten wij daarom nu zingen van Psalm 8 vers 4!”

Sla ik naar ’t ruim der held’re hemelbogen,
Dat heerlijk werk van Uwe ving’ren, d’ ogen;
Zie ik bedaard den glans der zilv’ren maan,
En ’t sterrenheir, door U geschapen, aan.

Hiermee was de geringheid der mens en de grootsheid van de Schepper weer goed duidelijk gemaakt en de kerk liep zwijgend onder de indruk leeg.
“Hoe lang zou meneer Pastoor nog blijven denken, dat hij de vinger van Hem heeft gevonden?”, vroeg de Raaf.
“Ik vrees nog heel wat zondagen”, zei Hollestelle, terwijl ze naar de overkant liepen. “En nou dit hele circus weer”, zuchtte de commissaris diep en klopte op het rolluik van Kievit, die ze nog nooit in de kerk hebben mogen zien.

Na een stevige huilbui was ze het kwijt. Haar onverwacht herwonnen liefde voor Artan schudde ze van zich af, alsof het een stofje was en liep de voordeur uit. Hoe durfde hij? Zomaar twijfelen aan haar liefde voor Toedeledokie! Op de hoek van de straat had haar boosheid haar intense verdriet glansrijk overwonnen en ging ze heel nijdig zitten te zijn bij de tramhalte. Nee, ze was er nu wel goed klaar mee. Ze hoefde die hoofdrol niet meer, want niemand begreep haar toch. Dus kon ze niet meer wachten om in de armen van haar Lonnie te vallen. De enige die het echte verhaal meteen door had gehad. Hoe had ze zo dom kunnen zijn om aan hem te twijfelen? Natuurlijk was de sex met Artan hemels geweest. Maar er was echt wel wat meer dan alleen maar sex in haar leven, sprak ze zichzelf moed in. En nijdig stapte ze de tram in en ging achterin zitten mokken helemaal tot aan het Centraal Station.

Lonnie keek naar een potsierlijke clownsmond op de keukentafel. De lippen waren met een diep rozenrood zo zwaar aangezet, dat de mondhoeken wel heel laag moesten komen te hangen. Als een volleerd kunstenaar maakte hij van beide duimen en wijsvingers een lijstje, waar hij doorheen begon te kijken. Zo ingelijst zag de mond er nog vele malen beter uit en een bijzondere trots welde op. Als Molly terug zou komen, was dit het ontwerp waar hij mee aan de slag zou gaan. Want triester kon hij een mond niet uitdrukken, dan zo; met dit absurd zwaar aangezette rozenrood. Heel ongeduldig begon hij heen en weer te lopen van de gang naar de keukendeur. Af en toe grommend; “waar blijf je nou?!”

“Ik ben er niet!”
“Kievit! Het is zondag, dus we weten dat je er bent!”, sprak Hollestelle, na enige moed verzameld te hebben.
“Ik ben niet van de kerk.”
“Dat weten we Kievit.”
“Oh God en of”, zei de Raaf, “dus doe nou maar gewoon open Kievit.”
“Hoe vaak moet ik het nog zeggen? IK BEN ER NIET!”
“Ik wou dat ik er vanochtend ook niet was Kievit!”, gilde Rinus nu. “Maar ik ben wel gegaan! Of wil je soms dat iedereen te weten komt waar die vibrator vandaan kwam, waarvan meneer Pastoor nu denkt dat het Zijn vinger is?!”
Het rolluik ratelde open en ze hoorden Kievit zeggen; “dat meen je niet?”
“Jazeker Kievit, hij is er heilig van overtuigd.”
“Jullie hebben toch niet geklikt?”, zei Kievit en het rolluik stopte even in zekere dreiging.
“Nee Kievit”, zei Hollestelle, “we hebben niet geklikt.”
“Dan is het goed”, en het rolluik ging helemaal open en ze stapten de werkplaats binnen.
“De pijl wijst naar die stalen kast aan de muur Chef”, zei Rinus die het verlengde van de witte pijl op de vloer met zijn wijsvinger duidde.
“En wat zit er achter die kast?”, vroeg de Raaf.
“De muur natuurlijk”, zei Kievit, die verder ging met het plakken van een band.
“Achter die muur natuurlijk!”
De commissaris liep even naar buiten en nam de omgeving even in zich op en zei even later; “de pijl wijst naar de Zeedijk. Ik denk dat we eerst een kaart moeten hebben. En dan zo zorgvuldig mogelijk deze pijl op de grond; niet alleen op schaal, maar vooral in de juiste richting moeten reproduceren.”
“U heeft gelijk Chef! Ik ren even naar het bureau. Dan ben ik zo weer terug met de kaart”, en Rinus rende naar buiten en Kievit zei; “koffie is in de keuken.”

Rinus trok gehaast de la open en griste de kaart eruit. Net toen hij terug wilde rennen, ging de telefoon.
“Met Rinus”, hijgde hij, “adjudant van politie van Serooskerke en omgeving. Hoe kan ik U helpen?”
“Goedemorgen Rinus, met de Jongh, casting director van …”
“Oh, hallo meneer de Jongh. Wat is er aan de hand?”
“Ik weet het niet zeker hoor. Maar ik liep zojuist samen met mijn vrouw terug van de eerste dienst. En ik zou bijna kunnen zweren, dat ik Molly in de tram zag zitten!”
“Molly? En was ze met Artan?”
“Nee, dat vond ik niet alleen het verontrustende.”
“Niet alleen?”
“Nee, die tram ging naar het Centraal Station.”
“Potverdikkie! Dit gaat krap worden”, hijgde Rinus en dankte hem voor de melding en rende weer haastig de deur uit.
“Chef!”, hapte Rinus naar adem in de werkplaats van Kievit; “Molly staat volgens mij op het punt om de trein terug naar Vlissingen te pakken!”
“Wat? En hoe …?”
Rinus vertelde van het telefoontje van de Jongh en de mannen wisten nu dat het menens ging worden.
“Snel Rinus, spreid de kaart uit. Hier, kijk goed naar de pijl en heeft er iemand een kompas?”
“Thuis heb ik er eentje”, en de Raaf rende naar een deur verder en stormde de slagerij binnen. Hij rende deze door naar het achterhuis en daar, in een gangkastje, vond hij wat hij zocht. Met het kompas in de zak rende hij weer de slagerij in en trok na de toonder de voordeur open. Ze hadden geen tijd meer te verliezen en hij struikelde de stoep op.
“En wat denk jij nou de Raaf, wat de Heer hier wel niet van zal denken? Werkelijk de Raaf? Ben jij gewoon open? Op Zijn dag?!”, hoorde hij meneer Pastoor in heilige afkeuring zeggen, die wel heel teleurstellend op hem neer stond te kijken.

“Dus als ik de kaart nou eens zo schuif”, zei Rinus. En hij draaide de kaart een stukje naar links. “Dan moet het ergens langs deze lijn zijn.”
“Dat klopt met de route van de afvalverwerking Rinus.”
“Ja, natuurlijk klopt het”, zei Kievit en frommelde de binnenband weer terug op de velg. “Maar die kaart van jullie is veels te grof. Stel dat je die pijl op schaal nauwkeurig op die kaart zou kunnen zetten. Dan is ie nog veels te klein voor het menselijk oog om nog te kunnen zien.”
“Daar zou ie best wel eens gelijk in kunnen hebben Chef.”
“Dat weet ik ook wel Rinus. Maar”, en Hollestelle wierp een blik op zijn horloge, “we moeten toch ergens beginnen?”
Ook Rinus zag hoe laat het was. Hij begreep dat Molly nu in de trein moest zitten en schoof de kaart voorzichtig in op het oog de juiste richting. “Waar blijft de Raaf nou?”
“En wat denken jullie nu wel niet dat jullie aan het doen zijn?”,  schrokken ze op van de stem van meneer Pastoor in de rolluikopening. “Eerst moet ik constateren dat de slagerij gewoon open is en nu? Werkelijk Kievit! Ik weet dat jij anders in het leven staat. Maar is dat dan een reden om op Zondag open te gaan?!”
“Ik ben er niet!”, liet Kievit de binnenband voor wat het was en rende snel de gang in.
“En jij Hollestelle? Als hoofdcommissaris van Serooskerke had ik echt wel iets anders van je verwacht!”
“Sorrie mannen”, sprak een verlegen kijkende de Raaf achter meneer Pastoor, “ik kon niet anders.”
De Raaf had gewoon uit instinct gehandeld en wilde zo snel mogelijk van meneer Pastoor af komen. In een flits had hij gewezen naar zijn buurman, waar het rolluik helemaal open van stond. Het had even geholpen, want boos had meneer Pastoor hem gelaten en was naar de fietsenzaak gelopen. De Raaf kon zichzelf toen wel voor z’n kop slaan, want uitgerekend nu had hij meneer Pastoor geleid naar de pijl en die tijd hadden ze helemaal niet meer.
Kievit kwam met een kan koffie terug en schonk voor ieder een kopje in en zei: “gaat u even zitten meneer Pastoor. Er is hier namelijk een logische verklaring voor en dat heeft helemaal niets met schending van de zondagsrust te maken.”
Verbaasd keken ze Kievit aan maar ook dankbaar, dat Kievit met een verklaring zou komen. Maar wat die ook zou mogen worden, daar hadden ze eigenlijk geen tijd voor.
“Zo gaat het wel heel krap worden Chef”, fluisterde Rinus.
“Ik weet het Rinus, maar het is wel meneer Pastoor.”

Tegen het middaguur stapte Molly uit de bus en liep naar huis. Lonnie hoorde eindelijk de sleutel in de voordeur en zag Molly naar binnen komen.
“Ah eindelijk, je bent er?”
Maar Molly zei niks en keek hem slechts strak aan.
“Ik heb nou toch een mooi ontwerp schat, mijn beste ooit”, zei Lonnie.
Doch Molly bleef hem zwijgend en strak aankijken. Ze begon langzaam de gang naar de keuken door te lopen onderwijl sensueel verschillende kledingstukken uittrekkende. Ter hoogte van de deur naar de woonkamer sprongen haar geletterde borsten uit hun houder en Lonnie kreeg een droge mond.
Op de drempel van het keukentje schopte ze als laatste haar teenslippertje uit en besprong hem stevig en hard. Ze klemde haar benen om haar Lonnie heen en hijgde; “toe Lonnie, vertel me nog eens het echte verhaal. Ik ben daar zo aan toe!”
Lonnie viel tegen het tafeltje aan en begon te lachen. Ja, dit was echt wel zijn Molly en hij begon in haar nek met lezen. Voor de volgende alinea draaide hij haar ruw om. Doch in plaats van haar geil van achteren te nemen zoals zo vaak, las hij verder het hele verhaal van Molly dat op haar rug stond.
Van “in den beginne” in haar nek tot; “en daarom eiste ze het gewoon op”, ter hoogte van haar middenrif. Hij wist dat hij wel even bezig zou zijn met lezen. Maar zijn Molly had het nodig, dus wie was hij dan om dat te weigeren? Hij droeg haar naar de woonkamer en vleide haar zachtjes op de bank en pakte zijn leesbril erbij. Langs haar bilnaad begon hij verder voor te lezen; “ik was toch zo gelukkig met mijn kinderen. Ik gaf ze alles wat …”
“Wat zeg je nou Lon?”
“Ik was toch zo gelukkig met mijn kinderen …”, herhaalde Lonnie. Molly draaide zich om en vroeg verbaasd; “wiens kinderen zijn dat dan Lon?”
“Daar zijn we nog lang niet Molly. Geduld”, en hij draaide haar weer om.
“Ik was zo blij dat …”
“Jeetje Lonnie? Nooit geweten, wat een spannend verhaal zeg!”, en ze voelde zich eindelijk heel langzaam sinds lange tijd weer meer en meer ontspannen door die waarheid die op haar lijf geschreven stond.
Ook Lonnie genoot er intens van. Want het was wel heel lang geleden, zo’n lesie sundayafternoon met zijn Molly.
En hij las lijzig verder; “achteraf was het een verschrikkelijke tijd. Ik dacht dat het zo moest want was niet anders gewend, waarbij ik hier verwijs naar bovenstaande episode dat in mijn nek begon.”

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *