De moord van Tattoo Lonnie, Hoofdstuk V: het naaisetje

De moord van Tattoo Lonnie, Hoofdstuk V: het naaisetje

Het belletje rinkelde boven de deur, toen Rinus de slagerij van de Raaf binnen stapte.
“Hé Rinus? De speklapjes zijn niet in de aanbieding nu. Maar je had ook gewoon even je bestelling door kunnen bellen hoor.”
“Dat weet ik de Raaf. Ik kom voor iets heel anders.”
“Oh? En waar kan ik je mee van dienst zijn?”
“Kunnen we ergens praten?”
“Je bedoelt?”
“Achterin ja.” En even later stonden ze achterin de grote koelcel van de slagerij. Ondanks de temperatuur ter plaatse, of juist daardoor, viel het de Raaf op; hoe rood Rinus zijn hoofd aan het worden was, toen hij begon te stamelen.
“Eh … ja, ik weet niet meteen hoe … en wil niet dat je een verkeerde indruk krijgt en …”
“Rinus kerel, hoe lang kennen we mekaar nu niet? En wat hebben we allemaal niet samen meegemaakt? Dus er is niets dat je zou kunnen zeggen, waardoor ik een verkeerde indruk van je zou krijgen.”
“Ik zoek een vibrator!”, flapte Rinus het er spontaan en erg luid uit.
“Tja, behalve dat Rinus”, zei de Raaf, die onmiddellijk een verkeerde indruk van Rinus kreeg.

“Dank je wel hoor”, zei Hollestelle joviaal en liep de sigarenzaak op de hoek uit. Het had even geduurd om Joep de sigarenboer ervan te overtuigen; dat het pakje zware shag niet voor hemzelf was. Maar waarvoor hij het dan wel nodig had, had hij ook niet verteld. Behalve dat het om een officieel politie-onderzoek ging. Buiten het zicht van de slagerij sloeg hij de straat van het bureau in en nam even later tevreden plaats aan zijn bureau. Het zou hem benieuwen; wanneer en vooral waarmee Rinus op zou komen dagen. Maar hij had het volste vertrouwen in zijn adjudant. Zo zeer zelfs, dat hij zelf geen flauw idee had; waar te beginnen om zo’n massage-apparaat te pakken te krijgen. Natuurlijk had de commissaris er een reuze schik in. Maar hij had Rinus ook op dat pad gestuurd uit niets minder dan respect voor zijn kwaliteiten als adjudant.
Uit de la haalde hij een kaart van het eiland en begon te turen. Ze konden overal zitten en hij ging met zijn vinger over de provinciale weg tussen Serooskerke en Oudelande en weer terug. Hij keek naar buiten en zag de fiets van Rinus staan. Hij moest ergens beginnen. Dus pakte hij het fietssleuteltje uit de la van Rinus en trapte even later de Zeedijk op.

“Het is niet voor mezelf de Raaf!”
“Dat zeggen ze allemaal Rinus en geloof me; het is niet erg …”
“De Raaf!”, hervond Rinus zich weer en zei; “het is voor Kievit!”
“Neeeee, Kievit? Dat had ik dus nou nooit achter hem …”
“Oh?! En achter mij wel?”
“Zo bedoelde ik het niet, maar zeg nu zelf; hoe ik dan moet reageren als een volwassen vent je komt vragen om een vibrator? Een gebruikte nog wel?! En eentje van Trees! Serieus Rinus?”
“Kievit zei dat ze ook anders mag heten. Het hoeft niet per se Trees te zijn.”
“Oh ja. Dat maakt het ineens heel normaal ja. Zeg, heb je gedronken?”
“De Raaf! Ik heb niets gedronken buiten koffie en we hebben het echt heel erg nodig! Kievit kan zo namelijk een trek&Trees maken naar die Molly en Lonnie!”
“Wat?! Zeg dat dan meteen kerel!”
“Dus? Je kan me daarbij helpen?”
“Nee, sorrie.”
“Verdomme de Raaf, het is onze enige kans om die lui te vinden”, en Rinus zakte teleurgesteld tegen een hakblok aan.
De Raaf dacht even na en zei; “misschien Rinus, heel misschien. Maar ik heb geen idee of ze nog werkt.”
“Over wie heb je het?”
“Over Lola. Ik ben een tijdje ondeugend geweest, toen het niet zo goed met me ging. En ja, Lola heeft mij heel wat uurtjes plezier gegeven.”
“Bedoel je nu dat je …, dat je ervoor hebt betaald?”
“Ja, dat bedoel ik. We kunnen met de camper, maar ik weet niet of ze überhaupt nog werkzaam is.”
“Zou je dat voor mij willen doen?”
“Voor jou niet, maar voor de zaak wel.”
“Eh natuurlijk, we doen het voor de zaak. Fantastisch, kunnen we dan nu gaan? En waar is het eigenlijk?”
“Ik sluit even af en dan kunnen we vertrekken. ’t Is in Goes, Club Barberella.”

Nadat de Raaf the Raven geparkeerd had op de invalidenplek, werd Rinus nijdig.
“Dit kan dus niet de Raaf.”
“Ja, maar die plaatsen hier zijn allemaal te klein voor the Raven.”
“Dat is geen excuus de Raaf. Je zet hem netjes op de parkeerplaats aan de rand van de kom neer. Dan lopen we de rest.”
Na enig mokken door de Raaf liepen ze naar de club, waar de Raaf zoveel ondeugende uurtjes had beleefd.
“Heb je geld bij?”
“Ja, maar waarom vraag je me dat? Je denkt toch niet?”
“Ik denk helemaal niks”, en de Raaf klopte op de deur, waarna het kleine luikje van het spionnetje opengeschoven werd.
Dat ene oog werd zichtbaar groter, toen ze achter de deur hoorden gillen; “de Raaf?! Ben jij het echt?”
“De enige echte”, sprak de Raaf en hij werd amicaal begroet door Leo de uitsmijter.
“Je weet de weg toch nog wel?”
“Dank je Leo en oh ja, dit is Rinus.”
“Zo Rinus, op zoek naar wat spannende avontuurtjes?”
Maar Rinus zei niks en liep snel de Raaf achterna. Wat voelde hij zich opgelaten tussen al dat rode fluwelen gedoe. Maar de bar leek nog net op een gewone bar en ze gingen zitten op een kruk.
De kraaltjes werden opzij geschoven en daar kwam een stuk vergane glorie tevoorschijn van jewelste en de Raaf sloeg hard en enthousiast op de bar.
“Lola! Potverdikkie! Ben jij het echt?!”

Hollestelle zette de fiets in de daartoe bestemde gleuf voor de Spar en liep de supermarkt in. Op dit tijdstip was er nog geen winkelend publiek en hij trof Jannie ergens op een gangpad tussen de wasmiddelen aan, die ook bijgevuld moesten worden.
“Commissaris, U hier?”
“Dag Jannie, alles wel?”
“We mogen niet klagen en U?”
“Ik klaag nooit Jannie. Maar waar ik voor kom, jij kent al jouw klanten toch?”
Druk begon ze een pak Omo op z’n plek te duwen en zei; “U weet dat ik daar niets over mag zeggen.”
“Beste Jannie, dat mag je wel hoor. Je werkt aan de kassa en niet in het ziekenhuis of zo. Dus je mag dat zeker wel, geloof me.”
“Oh ik geloof zeker. Maar ik heb ook een beroepseer hoor.”
“Dat waardeert iedereen ook zeer in je. Laat ik het anders vragen. Hoe zou jij Oudelande willen zien. Zoals toen iedereen hier aan de kook was, of zoals nu; gewoon een beetje slaperig en vredig waar iedereen mekaar kent?”
Jannie verschoot duidelijk van kleur en vroeg; “we zijn U zeer dankbaar daarvoor. Maar er staat ons toch niet weer zoiets verschrikkelijks te wachten?”
“Dat ligt er nou net aan Jannie. Ik ben op zoek naar Molly en ik weet dat je haar wel eens als klant hebt geholpen.”
“Daar heb ik nooit een geheim van gemaakt commissaris.”
“Dat weet ik Jannie, maar ik ben met een zaak bezig dat vervelend zou kunnen aflopen als ik Molly niet op tijd vind. Of die Lonnie.”
Nijdig sloeg Jannie het laatste pak wasmiddel in de schap en zei; “dat is toch zo’n …!”
“Mijn gedachte Jannie. Dus vraag ik je beleefd; is jou iets opgevallen de laatste tijd. Iets buiten het gewone om?”
Ze zette de trapleer in het magazijn en kwam bedenkelijk kijkend terug.
“Nu U het zo vraagt, eigenlijk wel. Vorige week kwam er een vertegenwoordiger van Outdoorio langs.”
“Outdoorio?”
“Ja, Outdoorio. Die maken o.a. naaisetjes. Kijk”, wees ze hem naar een schap, “hier hangen ze. Zelf verkoop ik er hooguit 2 tot 3 op een jaar tijd. Doorgaans aan toeristen die om naald en draad verlegen zitten. En hij zei me; dat ie zojuist 500! van die setjes had afgeleverd hier op het eiland.”
“Weet je dat zeker?”
“Ja, want het staat mij nog helder voor de geest. Zelfs de Hema in Middelburg verkoopt zo’n aantal niet.”
“Weet je ook toevallig, waar hij die naaisetjes heeft afgeleverd?”
“Nee en vragen kan ik hem nu ook niet. Hij is van het weekend vertrokken voor maand Ibiza, zo’n vrijbuiter weet U. Oh, ik zie dat daar een eerste klant komt. Dus als er nog iets anders was?”
“Nee, dank je Jannie. Dat was alles. Nou werk ze.”
“Dank U en heel veel succes met Uw zaak.”
Op de fiets terug zag hij dat setje voor zich en hij kon alleen maar denken; ‘stel dat zeg!'”

Lonnie pakte een nieuwe naald en doopte die in eigeel geel. Vervolgens doopte hij een tweede in wit en een derde in het Oost Indische zwart, totdat hij genoeg naalden voor zijn volgende meesterwerk had. Hij liep naar buiten, deed de ren open en begon Molly aan haar haren naar buiten te slepen.
“Lonnie? Wat doe je?”, schrok Molly bang wakker.
“Je bent nog niet af”, zei hij slechts en sleepte haar op de bank van de woonkamer.
“Lonnie toe”, begon ze te huilen. “Ik ben toch je allesje? Ik ben toch je … Auw! Auw Lonnie stop! Nee! Auw!”, en ze probeerde zich los te worstelen.
“Sorrie Mol”, was het laatste dat ze kon horen, voordat de schemerlamp hard tegen haar slaap dreunde.
“Oh ja Molly, dit is het. Ik zie het al helemaal voor me”, sprak hij tot de bewusteloos geslagen Molly en wisselde routinematig van naald en kleur. Boven de tranenzee en die roos begonnen langzaam de contouren van een ei zichtbaar te worden. Maar halverwege stopte Lonnie abrupt.
“Iets klopt er nog niet Molly, iets … maar wat?”
Toen hij het wel zag, rende hij de trap op en kwam hijgend weer terug met de kleine tondeuse van de badkamer. Geconcentreerd begon hij haar lange bruine haren af te scheren, totdat het ei nog meer op een ei was gaan lijken. Toen hij haar helemaal kaal had geschoren, keek hij tevreden naar zijn verse canvas en zei: “dat is beter.”
En hij begon weer met zijn naalden te prikken. Haar gehele hoofd werd fel wit getatoeëerd in RAL 9016, ook wel bekend staande als verkeerswit.
Tegen de avond bracht hij onder het schijnsel van haar hoofd de laatste details aan en hij neuriede een kinderliedje.
Het initiële eigeel verving hij door het meer permanente zwart, dat vanuit de tranen omhoog steeg rondom haar ogen en in een kartelvorm op haar voorhoofd eindigde; opdat het wit levensecht op zo’n afgetikt kopje van een hard gekookt eitje leek.
“Hij neuriede alsmaar door en veegde zijn naalden af.
Toen hij naar Molly keek met dat eierschaaltje op haar kop, begon hij te huilen en hikte melodramatisch; “nee hè Mol, het is gewoon niet eerlijk. Zij zijn groot en jij bent toch zo klein.”

 

Ondertussen had Rinus het helemaal niet meer. Links en rechts van hem zaten twee uitgezakte naakte dames, die hem met hun boa’s om de beurt naar zich toe trokken en dan om een zoentje vroegen. Als die linkse lachte, dan kwam er toch zo’n vieze lucht uit. Dus als hij moest kiezen dan … Maar ook die was niks voor hem. Die gerimpelde borsten vond hij maar vies en dat broekje was echt geen broekje.
Nee, dan zat hij liever te luisteren naar meneer Pastoor. Want wat hij nu mee moest maken, stond toch zo ver van hem af.
Toch moest hij wachten op de Raaf, die met Lola naar boven was gegaan om ‘het’ te gaan halen.
De Raaf had nog geknipoogd tegen hem. Hij was er vast van overtuigd, dat de Raaf binnen de minuut weer beneden zou staan met zo’n apparaat dat Kievit zo nodig had. Maar dat was nu al een half uur geleden!
En nu durfde hij niet neer van zijn kruk af, te bang om overvrouwd te worden door die Boa’s. Ze zeiden dat ze rare dingen met hem wilden gaan doen; waarvan hij nooit had geweten, dat mensen dat mekaar aan konden doen.
Zachtjes begon hij te roepen om de Raaf en steeds harder begon hij te gillen en wild om zich heen te slaan, toen er weer zo’n boa om z’n nek werd geslagen.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *