De moord van Tattoo Lonnie, Hoofdstuk X: twee rode lippen

De moord van Tattoo Lonnie, Hoofdstuk X: twee rode lippen

“Ik ben open tegen mijn wil. Hij heeft me gedwongen”, begon Kievit, en hij wees naar de commissaris.
“Oh”, zei meneer Pastoor, “en de slagerij dan?”
Hollestelle keek op zijn horloge en besloot zijn autoriteit te laten gelden.
“Meneer Pastoor, niemand hier aanwezig onttrekt zich aan de zondagssluiting. De slagerij was open, omdat ik de Raaf opdracht heb gegeven iets …”
“Die pijl! Zijn jullie hier heidense rituelen aan het uitvoeren!”, sprong meneer Pastoor op en deed een greep naar zijn zakbijbeltje.
“Meneer Pastoor!”, verloor Hollestelle nu zijn ongeduld. “Misdaad stopt niet op zondag! Wij zijn hier met een serieus politie-onderzoek bezig. En eerlijk gezegd, neem ik aanstoot aan uw beschuldiging dat wij de zondag niet eren. Als er iets is, dan is het toch zeker de zondag wel. Slechts een handvol zondagen hebben wij verstek moeten laten gaan. Omdat wij toen ook met serieus politiewerk bezig waren. En die pijl heeft niks met druïdes of want dan ook te maken. Maar alles met het onderzoek; dat U nu danig aan het hinderen bent. Ik verzoek U naar de kerk te gaan en mij mijn werk te laten doen.”
“Dus … je bent hier niet om een fiets te kopen?”
“Meneer Pastoor!”
“Jaja, okay ik begrijp het. Mijn excuses bij deze. Ik zal U verder met rust laten en de Raaf, kan ik je even buiten spreken?”
“Ga maar de Raaf”, spoorde hij de Raaf aan, want het duurde nu al lang genoeg zo.
Buiten op het trottoir bood meneer Pastoor nogmaals zijn excuses aan en de Raaf zei dat het geen enkel probleem was.
“Maar eh …”, deed meneer Pastoor enkele stappen naar de kerk, “ik kom zo toch langs de slagerij. En ik hoorde dat je speklapjes … ?”
“Geen enkel probleem meneer Pastoor”, en even later stopte meneer Pastoor drie ons speklapjes onder zijn rok en liep daarna zo onopvallend mogelijk snel weer terug naar de kerk. De Raaf sloot weer af en rende terug naar de werkplaats, waar hij het kompas overhandigde aan de commissaris.
“Oost, vrijwel. Meer Oost Zuid Oost Rinus”, zei Hollestelle in de richting van de pijl.
Rinus legde een geodriehoek in de met kompas opgegeven richting en vroeg; “zoiets Chef?”
“Wat denk jij de Raaf?”
“Ik zou het ietsiepietsie”, duwde hij heel zachtjes tegen de hand van Rinus aan, “zo. Ik denk zo.”
“Ja”, zei Hollestelle, “daar kan ik me wel in vinden. Trek de lijn maar Rinus.”
Rinus trok een lijn met potlood vanuit Serooskerke over Walcheren tot in Zuid-Beveland en eindigde in het water.
“Trek nu een lijn vanaf Wemeldinge naar Borsele.”
Rinus trok de lijn, die zijn eerdere doorkruiste en de commissaris keek naar de ongelijkbenig ontstane driehoek en zei; “daar, in dat gebied staat de blender van Kievit.”
“Dat zou best wel eens kunnen kloppen”, zei Kievit, geïnteresseerd kijkend naar het wiskundige figuur op de kaart.
Da’s zowat de helft van Zuid-Beveland”, zei de Raaf, “best nog een lap grond zo.”
“Kievit, hoe kunnen we de pijl nauwkeuriger reproduceren op de kaart? Zodanig dat we het nog kunnen zien.”
“Kan niet. Dat heb ik toch al gezegd?”
“Maar wat is dat dan voor een trek&Trees Kievit?”, sprak de Raaf, “als we er zo dus niks aan hebben?”
“Met het blote oog kan het niet. Maar zet een microscoop ervoor en eureka; je moet op enkele meters afstand toch zeker geraken.”
“Okay, maar stel dat we de lijn accuraat hebben. Hoe weten we dan hoe ver we die moeten volgen?”
“Als de vibrator in een straal van honderd meter komt van de blender, moet ie hierop gaan reageren”, zei Kievit.
“Dus”, gaapte Rinus vanaf de kaart op de grond naar boven, “we moeten die vibrator weer zien te bemachtigen?”
“Ja”, was het simpele antwoord.
“Dat gaat meneer Pastoor dus nooit goed vinden Chef.”
“Dat denk ik ook niet. Tenzij we hem de waarheid vertellen, dat die vinger geen vinger is?”
“Kijk niet naar mij!”, draaide de Raaf zich demonstratief om en liep naar de koffiekan.

Het was een lang verhaal, dat de hele nacht duurde. In het ochtendgloren was Lonnie te moe voor een volgende tattoo en viel als een blok in slaap, nadat hij nog geeuwend had gelezen; “die End.”
Molly daarentegen was klaarwakker en zei: “dat ‘die End‘ Lon, dat klopt niet. Het klinkt gewoon niet lekker. Ik wil dat je dat veranderd in ‘that’s all folks‘.  Lonnie? Hoor je me? Ik wil een thats all folks-tattoet. Lonnie?”
Wat ook de hele nacht duurde, was het reproduceren van de pijl op de kaart.
Kievit had al zijn oculairs nodig gehad en had met een kleine naald gedoopt in inkt, tergend langzaam een heel klein microscopisch pijltje zitten tekenen. Daarna had hij een uur lang nodig gehad; om de geodriehoek hier koud tegen aan te leggen en nog anderhalf om hierlangs een uiterst dun lijntje te trekken, dat zelfs in optische vergroting nauwelijks te zien was.
“Schrijf op”, zei Kievit, die alle boerderijen, dorpen en verdere gemeentes op dat lijntje vanaf de lijn Borsele-Wemeldinge  begon op te noemen. Na iedere minuut nam hij even pauze om de microscoop zo nauwkeurig mogelijk in het volgende field of view meer Oostelijk te zetten. Zo werd de gehele lijn afgewerkt en tegen de ochtend keken ze naar de lijst van mogelijke locaties, waar in ieder geval de blender te vinden zou moeten zijn.
Tegen half vijf in de ochtend stonden ze te gapen en Hollestelle zei dat ze even naar huis moesten.
“We hebben tenminste een paar uurtjes slaap nodig mannen. Zullen we afspreken om half tien op het bureau?”
“Zal ik met de camper komen dan?”
“Dat lijkt mij een goed plan de Raaf. Kom op mannen, opbreken. Kievit, ik dank je voor je hulp.”
“Maar ze waren de werkplaats nog niet uit of het rolluik ging al omlaag. Ze moesten zelfs nog een klein spurtje trekken, maar gingen daarna op huis aan.

Lonnie werd wakker van vogeltjes die floten, maar voornamelijk toch door het gesnurk van Molly. Zonder naar de klok te kijken liep hij naar de keuken en begon zijn favoriete rozenrood te mengen. Voor deze klus had hij heel veel inkt nodig, meer dan gewoonlijk. Maar niets was hem te veel. Dus hij liet de blender mengen en mengen, totdat hij een emmer vol met zijn volste rozenrood ooit had. De emmer was zwaar. Maar met enige inspanning zette hij deze naast de snurkende Molly en pakte een nieuw naaisetje naalden erbij. Hij sloot zijn ogen en haalde een paar keer heel diep adem. Daarna opende hij ze in een verwilderde doch uiterst gefocuste blik en roerde een eerste naald langdurig in de emmer. In een flits duwde hij deze vervolgens diep in de bovenlip van Molly, die daarop een ijzingwekkend lang gerekte snurk liet.
“Snorrrrrrrrt! Auw! Lonnie, auw!”
Deze keer hoefde hij haar niet uit te schakelen met de schemerlamp. Want hij duwde de naalden zo diep in haar lippen, veel dieper dan voorheen, dat de pijn haar als vanzelf het bewustzijn deed verliezen.  Steeds dieper en harder pompte hij zo hele liters in haar bovenlip, die tot abnormale proportie opzwol. Toen haar bovenlip tegen haar beide jukbogen was opgezwollen, pakte hij een nieuw setje naalden; die hij net zo diep in haar onderlip begon te prikken. Op het oog had hij zeker zo’n kwart emmer in haar bovenlip zitten, toen hij met haar onderlip aanving. Een derde setje was benodigd, om de laatste druppels diep rozenrood in haar onderlip te persen. En ja, daar gebeurde waar hij zich al die tijd op verheugd had. De zwaartekracht deed haar beide mondhoeken steeds verder naar beneden doen hangen, totdat het laatste druppeltje de pompeuze lippen zo aan wist te zetten, dat hij zonder zelfs maar even afstand te nemen om zijn werk te aanschouwen, keihard begon te janken.
“Zo … zo vre-se-lijk mooi Molly.”
De moeder aller Helwegens was er inderdaad echt niks bij. Haar gehele gezicht leek nu uit een stel lippen te bestaan van disproportioneel formaat en hij kromp helemaal ineen van pure emotie, toen ze weer begon te snurken.
Een stevige bries voelde hij door zijn haren gaan, iedere keer dat Molly uitademde. Het blubberende geflapper wond hem op. Dus hij kleedde zich snel uit en ging schrijlings in slechts een strakke string op haar zitten. Als laatste trok hij wild zijn elastiekje uit en liet zijn haren los in die meer dan stevige snurkbries waaien. Huilend voelde hij zich schokken en veerde zachtjes uitgeput op haar zwaar meedeinende lippen in een diepe slaap. Zo tevreden had hij zich nog nooit gevoeld en zijn werk was bijna af. Slechts het gedeelte rondom haar kin had nog enkele niet getatoeëerde centimeters huid.
“Nog even Mol”, mompelde hij rozig, “en dan heb je niet alleen het echte verhaal, maar ben je het …”

Achter een stevig bekertje koffie uit de automaat zaten de mannen verfrist om het bureau.
Hollestelle wees op de kaart en zei; “ik stel voor dat Rinus als scout voorop gaat. Hij kan zo met zijn snelheid het traject verkennen. Dan gaan wij in de tussentijd langs meneer Pastoor. Want we hebben die vibrator echt nodig.”
“Hoe gaat U dat voor mekaar krijgen Chef?”
“Lijkt mij een onmogelijke missie”, zei de Raaf.
“Hij zal het nooit uit vrije wil geven, dus moeten we hem eventjes voor ons aller bestwil uitschakelen.”
“Chef! U heeft het wel over meneer Pastoor!”
“Dat weet ik Rinus. De Raaf? Hoeveel speklapjes heb jij nog over?”
“Nog geen kilo meer, maar hoezo?”
Hollestelle trok een la open en haalde daar een fles rum uit.
“Ik heb deze fles bewaard voor een speciale gelegenheid. Het is hele oude rum, een fles die ik lang geleden van de voorganger van meneer Pastoor kado heb gekregen.”
“Was dat die meneer Pastoor, die ‘m nogal kon raken?”
“Dezelfde ja. Een zeer krachtige rum. En nou dacht ik …”
“Als marinade voor de speklapjes!”, begon de Raaf te twinkelen. “De onmogelijke missie lijkt zo iets minder onmogelijk. Laten we gaan!”
Terwijl Rinus al via de Zeedijk uit het zicht verdwenen was, liepen Hollestelle en de Raaf naar de slagerij.
“Heb je monddoekjes de Raaf?”
“Eh ja, hier. Maar …”
“Van de dampen alleen al de Raaf …”, knoopte Hollestelle het monddoekje stevig vast. “We kunnen hier niet voorzichtig genoeg zijn.” Even later siste het eerste rumspeklapje tot een heerlijk krokant korstje in de pan. Alle speklapjes gingen erin en werden vervolgens geblust met het laatste restje rum uit de fles.
De Raaf legde ze met wat peterseliegarnering in een mooie schaal en zei: “zonde om weg te geven Kamiel, ze ruiken overheerlijk!”

Rinus had al drie keer de lijn gereden, toen de Raaf en Hollestelle op de zijdeur klopten achter de kerk. Iets was Rinus opgevallen. Wat kon hij niet direct duiden. Hij besloot nog een paar keer de lijn te gaan rijden en hoopte, dat het dan meer duidelijk zou worden.
“De Raaf, Hollestelle? Wat verschaft mij de … Wat ruikt daar zo lekker?”
“Mijn grootmoeder had een geheim recept voor speklapjes”, begon de Raaf.
“En eigenlijk vond ik, dat ik iets moest goed maken na gisteren. Ik was ietwat gestrest door het onderzoek en had U nooit zo de werkplaats van Kievit uit mogen werken meneer Pastoor. Ik had erop moeten vertrouwen; dat U ook zonder mijn autoriteit als commissaris aan te wenden, de verklaring van de zondagsopening had weten te accepteren. Dus als het u belieft, aanvaard met deze speklapjes mijn welgemeende excuses. Ze zijn voor U.”
De Raaf had de schaal nog niet neergezet, of meneer Pastoor had al een speklapje in zijn mond. Een tweede volgde en zijn ogen werden groot van verbazing.
“Zo lekker heb ik ze nog nooit gegeten. Vinden jullie het heel erg als …?”
“Ga vooral Uw gang. We zijn blij dat ze in de smaak vallen.”
Meneer Pastoor stak nu twee lapjes gulzig in zijn mond en liep naar het kabinet. Daar schonk hij drie glazen miswijn in en zei: “laten wij dan samen het glas heffen op hersteld vertrouwen!”
“Op hersteld vertrouwen!”, gaf de Raaf een knipoog aan Hollestelle.
De combinatie miswijn en sterke rum met vet was dermate behoorlijk, dat meneer Pastoor ging zitten giechelen. Hij schonk nog een glas in, doch het meeste van de wijn kletterde op de grond.
“Oh jeetje … zien … hehehe, zien jullie dat?”
De Raaf was ondertussen achter het bureau gekropen en doorzocht alle lades, terwijl meneer Pastoor op zijn knieën; “oh Jeetje toch”, zat te prevelen.
Hollestelle keek naar de Raaf die hoofdschuddend van nee vanachter het bureau naar het kabinet liep.
“Kom, laat me U helpen”, zei de commissaris en schonk het glas van meneer Pastoor vol met miswijn. “En eerst nog een speklapje?”
“Hihihi lekker!” Hollestelle voerde meneer Pastoor een zoveelste rumspeklapje en de Raaf verdween stilletjes door de deur die schuin achter het altaar uitkwam. Snel rende hij naar het kansel en rende het oude houten trapje op. Daar, onder het leesplankje,lag in een rozenhouten kistje de vibrator op een zijden voering. Hij besloot het kistje en al mee te nemen en haastte zich weer terug. Daar trof hij een in zwaar beschonken staat meneer Pastoor aan, die meer in zijn stoel hing dan dat ie zat.
“Hij is aan het dommelen”, fluisterde Hollestelle en ze glipten zachtjes naar buiten.
“Heb je hem?”
“Hij zit in dit kistje. Als het meezit kunnen we deze nog ongemerkt terugleggen.”
“Daar reken ik op, naar the Raven!”
Bij the Raven kwam net Rinus aangefietst met een enthousiaste blik in zijn ogen.
“Chef! Ik heb zeven keer de lijn gereden en nu weet ik wat ik al die tijd miste.”
“Oh en wat was dat dan?”
“De rotonde Chef! De rotonde naar Oudelande. Daar gaat de lijn rechtdoor. Maar was het niet daar, dat ze in de horizon zijn verdwenen?”
“De Raaf! In één ruk naar Oudelande! Gas!”
“Hier Rinus, hou jij het kistje met de vibrator”, en de Raaf startte de camper en zonder deze warm te laten lopen scheurden ze het straatje uit de Zeedijk op. Even later scheurden ze over de provinciale weg en de commissaris zat zichzelf voor de kop te slaan.
“Natuurlijk Rinus! We hadden het kunnen, nee, moeten weten. Ze zijn nooit Oudelande meer uit gegaan.”
“De perfecte schuilplaats Chef, zo onder ons neus!”
“Lopen jullie niet te hard van stapel?”, stond de Raaf nu zowat rechtop, op het gaspedaal. Het was alsof hij door heel hard aan het stuur te duwen, hij de camper tot nog hogere snelheid stond te duwen.
“Misschien de Raaf. Maar alles in mijn politievezels schreeuwt dat we het daar moeten zoeken. Rinus voelde het ook.”
“Ik hoop toch zo, dat jullie gelijk hebben”, en hij sprong nu op het rempedaal om de rotonde niet voorbij te razen. Daarna sprong hij weer meteen op het gaspedaal en trok heel hard de handrem aan. De camper begon daardoor in een vrijwel haakse bocht te driften de afslag richting Oudelande in. Langs de weilanden scheurden ze en Rinus gilde: “wat zit er in dat kistje? Het leeft!”
En ze hoorden een steeds harder geklop uit het kistje van meneer Pastoor komen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *