De moord van Tattoo Lonnie, Hoofdstuk XII: volle uiers op de spits gedreven

De moord van Tattoo Lonnie, Hoofdstuk XII: volle uiers op de spits gedreven

Weliswaar achter een heerlijk bekertje koffie zaten de mannen toch verslagen op het bureau. Bij thuiskomst hadden ze gelukkig meneer Pastoor nog immer zwaar ronkend aangetroffen. Het kistje hadden ze zo ongemerkt weer terug in het kansel kunnen zetten. Maar ondanks deze meevaller overheerste de teleurstelling.
“Denken jullie”, blies de Raaf over zijn bekertje, “dat we ze nou ooit nog te pakken krijgen?”
“Ik zou niet weten waar nu te beginnen”, sprak Rinus gedachteloos nippend. Zelfs hij kon niet echt genieten van de koffie.
Hollestelle keek naar het schoolbord en kon niets anders concluderen, dan dat ze alles goed hadden gedaan. Het enthousiasme waarmee ze deze zaak waren aangegaan was nu toch wel op het dieptepunt beland.
“Ijselijk is het gewoon”, sprak Hollestelle. “Alles hebben we gedaan volgens het boekje en dat werkte. De blender hebben we feilloos weten te vinden, dat op zich alleen al een zeer goed resultaat mag heten van gedegen politiewerk. Ik vrees dat we ons er moeten bij neerleggen. We hebben gedaan wat we konden.”
“Nou, dat maakt die knoop in mijn maag er echt niet beter op”, zei de Raaf en stond op. “Ik ga naar de slagerij. Laat me weten als er ontwikkelingen zijn, okay?”
Hoewel tegen beter weten in, knikten de mannen en de Raaf verliet het bureau.
“Doe nog maar een bekertje Rinus”, zei Hollestelle en sloeg de krant open. Het vooruitzicht naar weer die ellenlange dagen zonder meldingen, sloeg hem mat en hij sloeg eigenlijk zonder te lezen de ene na de andere pagina om.
Rinus zette twee bekertjes met verse koffie neer en ging weer zwaar zuchtend zitten. Ook hij zat in feite in zak en as. Het was dat ze een prima koffie-automaat op het bureau hadden, want anders?
Het bekertje was voor de helft uit verveling genuttigd, toen Hollestelle de laatste pagina omsloeg.
“Hè? Wat gek?”, zei hij.
Rinus reageerde nauwelijks vanachter zijn zakken vol met as.
“Zeg, Rinus? Wat vind jij hiervan?”
“Van wat Chef?”
“Nou, kijk hier eens naar. Deze rouwadvertentie heeft iets, maar wat weet ik niet. Is het nou, omdat het de enige van vandaag is?”

Tot op het allerlaatse eindje aan toe heeft hij voor haar gekukeld.
Maar zij wilde hem niet meer horen.
Zo vreselijk lief was hij, maar zij wilde zijn liefde niet ontvangen.
Na een kort ziekbed is van ons heengegaan, ons aller Toedeledokie.
Verdrietig zijn wij maar ook blij dat hij nu eindelijk is gaan rusten na te veel jaren voor nop te hebben gekukeld.
Voor haar, die nog wel wilde komen, maar dat is nu te laat.
Het afscheid van Toedeliedokie zal daarom in besloten kippenren plaatsvinden.
Zonder haar,
op verzoek van Toedeledokie zelf.
Dat verzoek zullen wij vanzelfsprekend eren.
Namens iedereen van de Kinderboerderij; Toedeledokie rust zacht.

 “Hmmm, ik zie wat U bedoelt Chef. Het heeft iets … wat weet ik ook niet, maar … een laatste groet in een kippenren? Dat is toch raar?”
“Erg raar Rinus. Absurd eigenlijk. Ik zou bijna … Nee, onmogelijk. Toeval bestaat niet.”
“Denkt U nou echt? Het zou toch kunnen Chef?”
“Er staat een telefoonnummer bij, dus we zouden even …”
Op dat moment ging de telefoon en Rinus zette deze op speaker.
“Met Rinus, dienstdoend en enige adjudant te politiepost Serooskerke en wijde omgeving. Hoe kan ik U van dienst zijn?”
“Rinus? Met Adri! Je moet me helpen. Ik ben radeloos!”
“Rustig Adri. Wat is er aan de hand?”
“Het gaat om mijn dames Rinus. Mijn dames!”
“Dames? Maar je bent toch al jaren gelukkig getrouwd met Jannie?”
“M’n koeien Rinus! Het betreft m’n koeien!”
“Okay, en wat is er aan de hand met je koeien?”
“Je moet het zelf maar komen bekijken. Maar haast je, alsjeblieft! Dit is een mogelijke ramp voor het eiland!”
“Een ramp zeg je?”
“Ja, of drink jij soms geen melk in je koffie?”
“Ik wel, Chef heeft zijn koffie graag zwart. Maar hoezo?”
“Kom snel, anders zit het hele eiland dadelijk zonder melk! Oh, ik moet gaan, want nou gaat Clara746 ook al … Haast je!”
Rinus keek verbaasd naar het speakertje, waar de verbroken verbinding door klonk. Ook Hollestelle zat even te bedenken, wat er aan de hand zou kunnen zijn.
“Hij klonk echt heel erg ongerust Chef.”
“Inderdaad, dat is niks voor Adri. Ik denk dat je maar even polshoogte moet gaan nemen. Dan zal ik, het zal wel niks zijn, toch even een belletje wagen aan die Kinderboerderij.”
“Okay Chef, succes!”
“Nou, dat lijkt me wat overdreven Rinus. We zijn per slot van rekening agenten die daar gelukkig nooit op hoeven te rekenen. Ga nou kerel!”

Dankzij zijn opmerkelijke fiets, was Rinus in no time gearriveerd op het weiland van Adri, die hij al wild zwaaiend op hem af zag komen lopen. Hij zette de fiets tegen het prikkeldraad en liep naar het geopende hek toe.
“Moet dat hek niet dicht Adri? Dadelijk lopen ze nog de weg op en dan heb je de poppen aan het dansen”, sloot Rinus het hek.
“Doe geen moeite Rinus. Lopen is wel het laatste dat ze zullen doen. Kijk nou toch eens, kijk ze daar”, en hij wees emotioneel naar de rand van het weiland. Dichterbij zag Rinus wat Adri bedoelde. De helft lag plat op de rug en de andere leek op omvallen te staan.
“Och Heer, daar gaat Berta374 ook al”, en met een dreun viel nu Berta374 plat op haar rug en haar poten priemden stijf de lucht in. Erg verrast kon Rinus niet zijn, want hij merkte meteen die enorme uiers op en zei redelijk boos; “je moet je melken Adri! Die uiers zijn volgelopen, dat zie ik nog wel!”
“Wat denk jij nou, dat ik al die tijd heb lopen doen? Kijk”, en hij toonde Rinus zijn handen, die diepe kloven lieten zien. “Vanaf vijf uur Rinus, heb ik aan al die uiers staan trekken. Maar geen druppel! Bij geen één!”
“Je bedoelt dat de melk er niet uit kan?”
“Dat zeg ik toch. Och nee Rinus, daar gaat zij ook al”, en Adri wist niet langer zijn tranen te bedwingen. Het was dan ook een vreselijk naar gezicht om al die koeien één voor één om te zien vallen. En er was niets dat ze konden doen. Toen de laatste koe om was gevallen zei Rinus, “je moet de veearts bellen Adri, dit gaat niet goed.”
“De onze is met pensioen en eer zijn vervanger er is, die moet helemaal van het andere eiland komen, ben ik bang dat het te laat is. Weet jij niet iemand?”
Rinus pakte zijn mobiel en vroeg even later; “de Raaf? Ben jij nog op de slagerij?” … Kom alsjeblieft onmiddellijk naar het weiland van Adri … ja, die ja. Haast je in Godsnaam de Raaf … Omdat we straks allemaal zonder melk komen te zitten, omdat dan alle koeien dood zijn! … Ja, zo erg is het ja! … Tot zo dan.”

“Ja goedendag. Met Hollestelle spreekt U, hoofdcommissaris van politie te Serooskerke. Ik wil U allereerst condoleren met Toedeledokie. En de andere reden waarvoor ik bel is het volgende. Ik las de advertentie en werd geraakt. Door de mooie woorden, maar ook door ‘haar die er niet bij kon zijn’?”
Een snik klonk aan de andere kant van de lijn, dat verder zei: “het spijt mij, maar het is allemaal nog te vers. Mag ik dan nu weer gaan rouwen?”
“Binnenkort, dat beloof en gun ik U van harte. Als U mij de naam van ‘haar’ zou kunnen zeggen? Het is een gecalculeerde gok, maar U zou ons onderzoek erg kunnen helpen als mijn gok juist blijkt te zijn.”
“Het … Het spijt mij”, en die ene snik ging over in gewoon veel meer snikken.
“Ik begrijp Uw verdriet en ik bied U bij voorbaat mijn excuses aan als ik het mis heb. Maar kent U ene Molly?”
Het werd doodstil aan de andere kant van de lijn, zelfs geen snik meer. Daarna kwam de medewerkster van de kinderboerderij bijna door de telefoon heen en Hollestelle sloeg met zijn vuist op het bureau en dacht; ‘ik wist het!’
“Die is hier niet meer gewenst!”, en ademloos luisterde Hollestelle naar de ervaringen van de medewerkster van de kinderboerderij met Molly. Over haar harteloze wegblijven, omdat ze weer een nieuwe liefde had en over van alles eigenlijk. Na nogmaals zijn medeleven te hebben getoond, verbrak de commissaris na een uur lang intensief geluisterd te hebben, de verbinding. Het duizelde hem gewoon, hoewel het zojuist gecommuniceerde patroon geen onverwachte was. Maar nog nooit had hij zo intens over Molly horen spreken, die haar Toedeledokie zo kil de rug had toegekeerd. Dit inkijkje in haar verleden maakte hem nog meer vastberaden dan ooit. En ook al was de zaak op het dieptepunt beland, hij zou er zorg voor dragen, dat deze nooit gesloten zou worden.
“Zo lang als ik leef!”, brulde hij en liep naar de koffie-automaat, waar hij er grommend aan toevoegde; “zo lang als ik leef!”

Adri deed het hek open; opdat de Raaf the Raven tot bij de koeien kon rijden, alwaar hij uitstapte.
“De Raaf, alsjeblief”, begon Adri te huilen, wijzend naar zijn koeien.
“Ze zijn omgevallen omdat hun uiers vol zijn gelopen de Raaf”, zei Rinus. “Adri is al uren bezig geweest ze te melken maar tevergeefs. En nou lopen de uiers steeds voller.”
Jemig, dat kan nooit lang goed gaan”, knielde de Raaf bij de eerste de beste koe. De blik van die koe was zoals de blik van een koe. Maar toch, nadat hij er met een zaklampje had ingeschenen, stond hij weer op en sprak ernstig; “deze koeien liggen te sterven. Als we de melk er niet uit krijgen, dan bezwijken ze onder hun eigen melkquotum. Wat een ellendige toestand. En melken helpt echt niet?”
“Nee”, huilde Adri.
Om zichzelf hiervan te overtuigen, kneep de Raaf hard in wat er nog van een tepel was overgebleven.
“Inderdaad. Nog even en ze hebben helemaal geen tepels meer over.”
“En wij geen melk de Raaf! Heb je nou een idee of niet?”
“Als ik de uiers ontlast met mijn scalpel, dan bloeden ze alsnog dood. Want ik had geen idee dat ik zoveel hechtdraad mee moest nemen, dus dat is geen optie. Zeg Adri, heb jij enig idee waarom die uiers zijn geblokkeerd?”
“Plotseling en acuut trauma. Dat is het enige dat ik kan verzinnen. De dames moeten zo enorm geschrokken zijn van ‘iets’, dat de uiers van eigens zijn gaan blokkeren.”
“Dus dan moeten we ze weer laten schrikken!”
“Zou dat helpen?”
“Hebben we wat te verliezen dan?”
Rinus keek naar de arme koeien en zei: “nee, ik vrees helemaal niks. Maar hoe?”
“Tja, we weten geeneens waarvan ze zo geschrokken zijn. Maar toch lijkt mij dat onze enige optie. Adri, jij bent de boer hier. Hoe kunnen we zo ontiegelijk laten verschieten, dat ze vanzelf die melk wel moeten laten lopen.”
“Carbid”, sprak Adri zonder te twijfelen. Maar voegde er snel aan toe met een schuin oog naar Rinus, “maar zoveel mag ik niet meer volgens de huidige wetgeving gebruiken.”
“Carbid is een beproefde methode om mollen te verjagen Adri”, sprak Rinus. “De boeren van weleer echter staken zoveel brokken carbid in de mollengangen, dat hele hectares zijn ontploft. Waardoor bovendien een volledige generatie koeien aan ptcs ten onder is gegaan.”
“Wat is ptcs Rinus?”, vroeg de Raaf, even geen oog meer hebbend voor Berta of Clara onder hem.
“Post Traumatisch Carbid Syndroom de Raaf. Daarom heeft de wetgever deze aan banden gelegd en mag carbid slechts nog alleen in zeer beperkte hoeveelheden worden gebruikt en met vergunning bovendien.”
“Hoeveel carbid hebben we nodig Adri?”
“Om zeker te zijn? Minimaal een paar kilo in de grootste melkbus mogelijk.”
“Heb jij dat in huis Adri?”
“Nee nee, de wetgever …”
“Rinus!”, sprak de Raaf Rinus hautain toe, “bedek je oren!”
“En nou nog ’s Adri. Heb jij dat in huis?”
“Ja, daar in de schuur.”
“Ga dan als de sodemieter je trekker op en kom terug met al het carbid dat je in huis hebt. En vergeet de grootst mogelijke melkbus niet.”
“Maar Rinus?”
“Subiet Adri, ze hebben niet lang meer”, en hij knielde zich weer naast Berta en begon deze te aaien. “Rustig maar meisje, nog even.”
“Kan ik mijn handen weer van mijn oren halen? En waar gaat Adri naar toe?”
“Rinus het is nu geen tijd voor regeltjes. Adri is carbid halen, alles wat ie in huis heeft. En als jij nu met dat wetboek komt, bij God ik zweer je Rinus!”
Rinus antwoordde niet, maar belde in lichtelijke paniek naar het alarmnummer, waar opgenomen werd door Hollestelle.
“U heeft 112 gebeld, voor de melding heb ik graag eerst uw naam en geboorte datum en …”
“Chef! Met Rinus! De Raaf wil hier carbid gaan schieten!”
“Rinus! Wat heb ik je nou!”, probeerde de Raaf snel op te staan. Maar Rinus rende the Raven in en deed deze op slot. Daar vertelde hij wat er aan de hand was ter plaatse en vroeg wat te doen.
“En dat is tegen de wet Chef! Moet ik ze nu arresteren?”
“Rinus!”, bulderde Hollestelle door de telefoon. “Niet alleen ga jij de Raaf en Adri niet arresteren. Je gaat ze helpen! Hoe je ook maar kan! Ga nu naar buiten en biedt je als eerste wel je excuses aan! Snel een beetje en bid dat het carbid gaat helpen!”
“Maar Chef?”
“Dit is een bevel Rinus!”, en Hollestelle gooide de hoorn erop; verbaasd dat Rinus toch nog een lange weg te gaan had.
“Natuurlijk Chef!”
Beduusd deed Rinus de camper weer open en keek neer op een laaiende de Raaf.
“Hoe kan je Rinus! Ik heb je toch uitdrukkelijk …”
“Sorry de Raaf. Chef heeft me uitgelegd; dat ik ondanks de wet, want het staat er toch echt in, jullie moet helpen. Maar niet nadat ik mijn welgemeende excuses heb gemaakt. Bij deze de Raaf, ik zat fout, sorry.”

“Nooit geweten dat een duinpannetje ook zo heet kon worden”, lag Molly nog na te genieten van het breiwerk van haar Lonnie.
“Wat doen we met eten? Ik denk dat de Spar niet veilig meer is.”
“Ik heb nog heel wat in de koelkast liggen. Zeker een maand lang zouden we daarvan kunnen eten. Maar ons huisje is afgezet.”
“Dan wachten we tot het donker. Ik ga ondertussen jutten”, en Lonnie trok zijn broek weer aan.
“Dan ga ik het hier gezellig maken”, zei Molly. En ze begon helmgras te trekken, dat vast en zeker lekker zou liggen.
Tegen het einde van de middag had Lonnie met aangespoelde rommel iets van een afdakje kunnen maken, waaronder ze het verzamelde gras in een grote kuil legden. Het opgeworpen zand diende als bescherming tegen de wind en eenmaal liggend, lagen ze best al windstil.
“Ik denk dat we zo vannacht wel door kunnen komen”, zei Lonnie, tevreden kijkend naar de half doorgeroeste golfplaat boven hem.
“Zo romantisch Lon”, vleide Molly zich naast hem. “Ik kan niet wachten tot we onze koelkast weer hebben. En denk je dat we de kippen mee kunnen nemen?”
“Ik zie niet in waarom niet”, zei Lonnie. Hij bedacht zich opeens, dat hij al uren niet meer aan zijn laatste ontwerp had gedacht. Hij besloot dit even uit te stellen. In ieder geval tot nadat ze gegeten hadden, want op een lege maag kon hij zich niet goed concentreren. En dat was wel een eerste vereiste natuurlijk.


Achter de trekker van Adri sleepte een enorme tank, die hij na enig manoeuvreren schuin in de klei wist te positioneren. Hij ontkoppelde de trekker en parkeerde deze naast de camper van de Raaf. Uit de cabine trok hij een grote zak vol carbid en zei hijgend van de inspanning; “dit moet in de tank.”
“Adri! De Raaf vroeg om een melkbus. Maar dat is helemaal geen melkbus.”
En zelfs de Raaf kreeg nu wel enige aarzeling.
“Rinus is okay met het carbid Adri, maar zo’n tank vol? Is dat niet heel veel overdreven?”
“Niet”, hijgde Adri, “niet als het onze enige optie is.”
Aarzelend hielpen ze Adri, om al het carbid wat hij in huis had voorzichtig in de enorme tank te doen. Nadat de gehele zak in de tank was geleegd, vulde Adri een lege colafles met water uit de sloot en goot dit voorzichtig in de tankopening, waar onmiddellijk een stinkende rook uit begon te ontsnappen. Snel draaide Adri de luchtdichte stop erop en zei: “en nou al dat we nodig hebben is een vuurtje.”
“Ik wil geen spelbreker zijn”, zei Rinus. “Maar is dit niet heel erg gevaarlijk? Ik bedoel, stel dat je er een vuurtje bij houdt, overleef je dat dan wel?”
“Het is wel allemachtig veel carbid Adri”, moest ook de Raaf zijn twijfels uiten.
Maar Adri had maar een enkele blik op zijn arme dames nodig om zijn aansteker uit zijn blauwe overall te halen.
“Hij gaat het gewoon doen!”, gilde Rinus geschrokken.
“Rennen Rinus!”, gilde de Raaf en ze zetten het op een rennen, alsof hun leven ervan afhing. Dat er dan ook echt van af leek te hangen.
Want Adri ging achter de tank zitten en hield zijn linker hand voor een oor, terwijl hij met zijn rechter de aansteker liet ontvlammen tegen de enorme gastank. Vrij lang gebeurde er niets, zodat de Raaf en Rinus veilig over de sloot met de provinciale weg konden springen. Daar begonnen ze het verkeer tegen te houden en keken af en toe angstig naar de verte, in afwachting tot het aanstekertje van Adri de boel zou laten ontploffen.
De klap kwam desondanks toch nog onverwacht. Hoewel ze op veilige afstand stonden, deed de dreun de aarde onder hen heftig beven en keken ze met open mond naar de grootste steekvlam die ze ooit hadden gezien.
“Adri!”, gilde Rinus en sprong als eerste de sloot weer over. Toen ze halverwege het weiland renden, hoorden ze sirenes in de verte en zelfs het luchtalarm, dat gewoonlijk op de eerste maandag van de maand klonk, ging af. Dorpsbewoners renden in redelijke paniek ook naar het weiland en daar aanschouwden ze een enorme krater.
“Adri!”, gilde nu ook de Raaf aan de rand van die krater. Maar al dat ze hoorden was het opgelucht loeien van al die koeien, die in een enorme plas met volle melk stonden.
“Het heeft geholpen de Raaf!”
“Ja, maar waar is Adri?”

Lonnie hoorde de enorme knal, toen hij heimelijk achterom door het steegje sloop. De grond trilde en hier en daar sprongen ruiten uit hun sponningen. Voordat de buren naar buiten kwamen rennen, was hij al onder het lint door gekropen, de keuken in. Door het raam zag hij dat de straat leeg liep richting de kerk. Hoewel hij erg onder de indruk was van die knal, overheerste toch meer een gevoel van euforie. Want deze paniek zou hem net genoeg tijd kunnen bieden, om al het nodige ongemerkt naar de duinpan te kunnen verhuizen. Snel begon hij de koelkast te schuiven naar buiten en kantelde deze in hun boedelbak. Hij gooide de ren open en greep alle kippen beet, die hij in een jutenzak deed en naast de koelkast gooide. Hij had zelfs nog tijd over om kleding en andere benodigdheden van boven te halen. Terug in de keuken keek hij naar de blender, die kennelijk een flinke deuk had opgelopen door die knal. Het was maar goed dat hij alles al gemengd in zijn rugzakje had en hij rende bepakt en bezakt naar buiten. Daar begon hij aan de boedelbak te sleuren en hoewel langzaam, begon hij weer richting de duinen te lopen. In de verte hoorde hij sirenes en hij was blij dat ie nou niet door het weiland hoefde. Want zelfs over het verlaten asfalt was het nog een hele klus om de afgeladen boedelbak mee te sleuren.

Rinus stelde de dorpsbewoners gerust en legde uit wat er was gebeurd.
“Wat er moest gebeuren!”, vulde de Raaf hem aan, waarna een massale zoektocht werd georganiseerd naar Adri.
Toen het donker werd, besloten ze het op te geven. En iedereen werd weer naar huis gestuurd.
In the Raven zat Rinus stil naast de Raaf, die na het starten de camper het weiland afreed. Eenmaal op de geplaveide weg, stopte de Raaf om het hek dicht te doen. Hij keek nog even naar de opgeluchte koeien en besefte dat, dat slechts een schrale troost was.
Weer terug in de camper stuurde hij deze richting de provinciale weg en zei; “iemand moet het Jannie gaan vertellen Rinus.”
Stil knikte Rinus en zei; “rij maar naar de Spar, ik zal het gaan doen.”
“Ben je helemaal, dat gaan we samen doen”, en verder zwijgend, reden ze naar de Spar. Daar parkeerde de Raaf the Raven onder de grote boom op het pleintje van de kerk en met zwaar gemoed stapten ze uit. Ze namen beiden wat diepe zuchten en begonnen over te steken naar de Spar, waar ze Jannie buiten zagen staan. Ze had de klap ook gehoord, maar was in de Spar gebleven. Ze had vaak genoeg op tv gezien; hoe mensen aan het roven sloegen in wanorde en dat zou haar niet overkomen.  Nu leek de rust wedergekeerd en stond ze net af te sluiten, toen ze Rinus zachtjes achter haar hoorde; “Jannie? Ik moet je wat vertellen. Het is heel erg maar …”
“Hoe is het met de koeien?”
“De Raaf! Dat zeg je nou toch niet!”, keerde Rinus zich nijdig naar de Raaf.
“Maar dat zei ik helemaal niet.”
“Nou? Geven ze weer melk?”
“Adri!”, keek Jannie nu naar boven en zei best wel boos; “kom onmiddellijk uit die kerktoren! Wat doe je daar eigenlijk?”
“Kerktoren?”
“Verdomd Rinus, ja! Kijk nou toch eens! Het is Adri! Daar! Helemaal op de torenspits!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *