De moord van Tattoo Lonnie, Hoofdstuk XIII: butagasvrouw in de jungle

De moord van Tattoo Lonnie, Hoofdstuk XIII: butagasvrouw in de jungle

Hollestelle zag Rinus en de Raaf voor het bureau stoppen en liep vast naar de koffieautomaat.
Toen ze binnen kwamen, stonden de bekertjes koffie op hun te wachten en in geuren en kleuren vertelde Rinus; hoe Adri het tegen alle kansen in toch gered had.
“Helemaal op de torenspits?”
“Klopt Camiel, ik was er zelf bij”, zei de Raaf.
“Ik heb na die dreun ook de nodige telefoontjes moeten afhandelen. Maar alleen die van de kinderboerderij is blijven hangen.
“U heeft ze gebeld?”
“Ja Rinus. En misschien moeten we de insteek van deze zaak toch herzien.
“Hoe bedoelt U Chef?”
“We kunnen er niet meer zomaar vanuit gaan, dat Molly hier het onschuldige slachtoffer is. Niet na wat ik van de medewerkster van de kinderboerderij heb gehoord. ”
“U bedoelt, dat ze het wellicht zelf gezocht heeft?”
“In eerste instantie zeker ja. Dan zou het nog wel zo kunnen zijn; dat ze door hem ingepakt is geworden. Maar zelfs dan kan ik haar niet langer als slachtoffer zien.”
En Hollestelle bracht de zielenroerselen van de medewerkers van de kinderboerderij over.
“Is dat echt zo gegaan Hollestelle?’, vroeg de Raaf.
“Het is het verhaal van de Kinderboerderij de Raaf. En een behoorlijk stuk van het verhaal van Molly kennen we wel zo’n beetje uit eigen ervaring. Tel ik dat samen op, dan ziet het er niet fraai uit.”
“Vreselijk Chef! Die arme, arme Toedeledokie. Betekent dit nu; dat het niet langer een reddingszaak met deadline is?”
“Ik denk, dat we dat nu wel veilig kunnen stellen. Maar het blijft nog altijd een zeer ernstige zaak, waar we alle prioriteiten aan zullen moeten blijven geven. Want uiteindelijk is er ook nog de moord op Lola. Bovendien blijft het ontnemen van iemands identiteit, ook al heeft ie dat zelf gezocht, nog immer strafbaar.”
“Klopt Chef, zoiets doe je gewoon niet.”
“Ik mag hopen dat je het over Lola hebt Rinus”, keek de Raaf over zijn bekertje.
“Ook de Raaf, ook!”
“Oh, okay.”

Molly was helemaal happy. Ze had haar koelkast, dus voorlopig hadden ze genoeg te eten. En ook had Lonnie gedacht aan kleding en andere noodzakelijkheden, die het leven in de duinen zoveel meer comfort wisten te geven. Maar het meest verrukt, was ze toch wel over haar kippen; die hier de tijd van hun leven leken te hebben. Al snel hadden die de dwarsbalk van het golfplaten dak uitgekozen als vaste slaapplek en veel beter kon het leven niet worden voor Molly. Want samen met haar kippen naar bed gaan, was wel het summum. En door ze deze ochtend zo vrij door de duinen te zien pikken, vervulde haar hart met blijdschap.
“Oh Lon, dit hadden we veel eerder moeten doen. Kijk toch hoe ze het naar hun zin hebben!”
“Geweldig Molly”, sprak Lonnie afwezig.
Het had nou wel lang genoeg geduurd en hij was met focus opgestaan. Er was nog iets af te maken en na een snelle boterham zei hij, dat hij naar het strand ging om te oefenen. Molly had het sowieso druk genoeg met het panhouden, want hoe langer ze er over nadacht; dit zou wel eens hun beste plekkie ooit kunnen gaan worden.
Toen Lonnie al een paar uur weg was, schrok ze van een Duitse toerist; die zomaar hun duinpan in was komen wandelen.
Brutaal was hij gaan zitten naast de koelkast en belde naar familie, dat ie nou toch een grote kuil had gevonden. Tegen de middag had Molly het maar wat druk met deze onverwachte visite en achteraf bleek ze het toch gezellig te vinden. Zo erg, dat ze moesten blijven eten. Toen Lonnie thuiskwam, had ze geen oog voor zijn chagrijnige smoelwerk. Net nou hij aan het laatste ontwerp wilde gaan werken, liep Molly de perfecte gastvrouw te spelen. Of beter gezegd; de perfecte butagasvrouw. Want al vele brandertjes deden worsten sudderen en het rook dan ook heerlijk.
De volgende dag bleek van het zelfde laken en pak en zelfs nog een beetje meer. Zo ontstond er langzaam een kleine commune daar in de duinen. Lonnie had zich erbij neergelegd. Maar hij stond er wel op, dat die Duitsers in hun eigen duinpan zouden gaan zitten. Maar daar bleef het niet bij. Het kustgerucht ging dermate snel, dat nu ook al vluchtelingen uit Calais binnen druppelden. Kortom het werd een kleurrijke bedoeling daar tussen het helm, waar Molly de perfecte butagasvrouw bleef spelen. Mensen brachten van eigens iedere dag boodschappen mee, dat dan bij Molly werd ingeleverd. Iedere avond werd gezamenlijk in de duinpan van Lonnie en Molly gegeten en het werd zowaar gezellig. Molly wed zo gelukkig; dat ze Lonnie dat keer op keer zei. Lonnie echter werd keer op keer steeds stiller. Want onder al die vluchtelingen had hij nog geen enkele bevallige dame kunnen ontdekken, dus waarom zou hij dit willen? Het knaagde enorm; hoe hij zijn Molly aan het kwijtraken was en hij besloot daar voorgoed een einde aan te gaan maken. Bij de eerste de beste gelegenheid zou hij zijn Molly haar laatste tattoo geven, waardoor ze voor altijd de zijne zou zijn en de zijne alleen.


“Dus we zijn akkoord?”, sprak Burgermeester Oele, de raadszaal in kijkende. Iedereen had zijn of haar hand opgestoken, dus hij hamerde af met; “dan gaan wij nu van het gas af!”
Een instemmend geroezemoes ging na het sluiten van de spoedvergadering over in een hoopvolle stemming, want de gehele gemeente Borsele ging van het gas af. De impact van de ontplofte melktank van Adri was enorm geweest. Bezorgde ouderlingen hadden het al tijdens de zoektocht naar Adri geopperd. Maar toen Jannie bijna huilend haar steentje had bijgedragen met; “ons Adri was er bijna dus niet meer hé”; was iedereen er wel van doordrongen geraakt; hoe levensgevaarlijk gas was.
“Ik heb al jaren een gasfornuis!”, werd zorgelijk tijdens de spoedvergadering gegild. En een ander wist zijn emoties nauwelijks te bedwingen, toen ie zei; “mijn kleine speelt altijd voor de haard, die verwarmt op gas!”
Alle bewoners waren ervan overtuigd, dat het gas eraf moest. Want dat wat Adri was overkomen, kon hen ook gebeuren en misschien wel erger. Al de dag na de grote knal was het besluit genomen; dat dan ook de reden moet zijn geweest; dat Molly en Lonnie zo lang buiten de arm der wet wisten te blijven. Want nu iedereen blij was, dat ze van het gas af waren; bleken de butagasflesjes niet meer aan te slepen. De dorpelingen wilden namelijk nog wel koken. En zo gebeurde het, dat Jannie die extra flessen van die paar toeristen niet meer op kon vallen, door de enorm toegenomen vraag naar butagas. De Spar had zo binnen een week zelfs een heel eigen butagasgangpad. Anders had ze zeker en vast de commissaris gebeld; dat ze nu wel verdacht veel flesjes butagas aan het slijten was. Anders dan met de naaisetjes was dit simpelweg niets meer dan een logisch gevolg van het gemeentebesluit.

Rinus had er net met Hollestelle over, toen de Raaf met de courant binnen kwam gelopen.
“Hebben jullie dat gelezen?”
“Ik zeg het net tegen Chef. Aan de ene kant zijn ze van het gas af en aan de andere kant halen ze butagas in huis?”
“Granaten voor bommen als je het mij vraagt, maar niemand …”
“Nee de Raaf, niemand vraagt jou”, zei Hollestelle vlijmscherp.
“Wat is er met hem aan de hand?”, fluisterde de Raaf bij het aannemen van een bekertje koffie.
“De zaak zit hem dwars.”
“En niet zo’n beetje ook! Na alles wat we hebben gedaan, geen spoor! Geen enkel aanknopingspunt!”
“Toe Camiel, je bent te hard voor jezelf”, sprak de Raaf bemoedigend.
“Vind je? Nou ik vind van niet. Ergens op dit eiland loopt een Molly en een Lonnie vrij rond en dat kan nooit goed gaan!”
“Dan is het toch een kwestie van afwachten?”
“Oh? En nog meer slachtoffers?!”
“Zo bedoelde ik het niet, ik …”
“Ik ga een luchtje scheppen!”, schoof de commissaris zijn stoel naar achteren en beende met ferme passen het bureau uit.
“Zo Rinus, die is echt geïrriteerd.”
“Het is dan ook de eerste zaak die muurvast is komen te  zitten. Chef weet ook; dat als iemand door het oog van de naald is gekropen, deze gewoonlijk nog voorzichtiger wordt.”
“Ja, dit is er eentje van de lange adem. Maar kijk, wat ik heb meegenomen.”
“Speklapjes!”
“Ik heb er eentje extra bijgedaan.”
“Heerlijk de Raaf, dank je! Ik ga vanavond smullen!”

Hollestelle liep met zijn ziel onder zijn arm over de Zeedijk naar het strand. Daar ging hij zitten in het mulle zand en staarde zo over het water. Even later stond hij op en begon wat steentjes te gooien aan de vloedlijn. Heel veel steentjes plonsden in het water, toen hij zich eindelijk opmaakte om weer naar het bureau te gaan. Het begon al donker te worden, toen hij zich omdraaide en daar in de verte wat zag bewegen. Snel liep hij erop af en besefte dat het een wit hemd moest zijn, een overhemd gedragen door een onguur type. Hij besloot het sujet van achteren te benaderen en bulderde even later; “halt! Politie!”
Bevend als een rietje draaide het overhemd zich om en het was de commissaris meteen duidelijk; dat deze niet van het eiland was.
“Wat doet U zo op de late avond?”
Het overhemd keek hem niets zeggend aan en wilde het meteen op een rennen zetten. Had het overhemd geweten, dat ie tegenover de commissaris van Serooskerke stond; dan had hij geen enkele poging ondernomen. Want voordat hij zich uit de voeten kon maken, voelde hij het volle gewicht van Hollestelle op hem drukken, dat hem genadeloos hard in het zand drukte. Daar werd het overhemd geboeid en afgevoerd met de stoïcijns uitgesproken woorden: “dan zoeken we het op het bureau wel uit.”
Rinus was al naar huis gegaan, dus werd het overhemd in de cel geparkeerd voor de nacht. Na enig water en brood te hebben gegeven, legde de commissaris een briefje voor Rinus op het bureau en sloot af. Morgen zou ie dan samen met Rinus achter de intenties van dat overhemd zien te komen.


“Rohat!”, gilde het overhemd, toen Rinus de arrestant een kopje thee kwam brengen. “Me Rohat!”
Het eerste half uur kwam er geen stom woord uit. Maar nu Rinus met kopje thee aan kwam, begon het overhemd te gillen en slurpte opzichtig aan zijn thee.
Rinus liep terug naar het bureau om het internet op te gaan, waar hij tikte ‘rohat’ in de zoekbalk.
“Waar is de koffie?”, hoorde hij de commissaris bij binnenkomst vragen. “En sinds wanneer drinken wij thee?”, wees Hollestelle hooglijk verbaasd naar het builtje naast de koffieautomaat.
“Excuus Chef, ik zal meteen twee bekertjes doen. Ik was namelijk even doende met de arrestant. Wat is er gisteren gebeurd?”
“Op de terugweg heb ik hem staande gehouden en gevraagd naar zijn doen en laten. Maar geen boe of bah. En toen zag ik, dat ie de kuierlatten wilde nemen. Dus heb ik hem aangehouden.”
“Ik heb geprobeerd hem te verhoren. Maar inderdaad zweeg hij ook tegen mij. Zelfs een heerlijk bekertje koffie deed hem niets?! Uiteindelijk heb ik hem…, alstublieft Chef.”
“Dank je Rinus, lekker.”
“Dus uiteindelijk heb ik hem een kopje thee gebracht en begon hij zowaar te gillen.”
“Oh? En wat had meneer te melden?”
“Geen idee Chef. Rohat, me rohat, bleef hij maar herhalen en ik wilde net goegelen toen U binnenkwam.”
“Nou, goegel dan nu maar verder Rinus.”
“Ja Chef”, en na de enter keek Rinus zijn Chef aan en zei: “Rohat, dat is een Syrische voornaam Chef. Volgens mij heet de arrestant Rohat en komt ie uit Syrië? ”
“Wat doet ie hier dan?”
“Geen idee Chef, ik spreek geen woord Syrisch.”
“Maar hij zal dan toch zeker wel een woordje Engels kunnen?”
Waarna de commissaris opstond en de gang in liep naar de cellen.

Molly werd niet wakker van die schelle schreeuw boven haar maar van gewapper.
Meerdere zeemeeuwen cirkelden dagelijks krijsend boven het kamp, want een kamp was het inmiddels geworden. Ze stond op en keek loom om zich heen. Een halve gebruikte WC-rol slingerde zich vanuit de rand van hun duinpan verder de duinen in en ze nam zich voor hier vandaag wat van te gaan zeggen. Ze had zich tot nu toe heel gastvrij opgesteld, maar nu begon het haar toch iets te gortig te worden. De kampers waren namelijk niet alleen buitengewoon vrijpostig, doch sommigen bleken er ook iets andere sanitaire gewoontes op na te houden. In het begin had Molly er geen probleem van gemaakt, want ze vond het allemaal zo gezellig. Maar nu er steeds meer kampers bijkwamen, begon het een probleem te worden. Bovendien wakker worden van dergelijk wapperende papier met bruin motief op zich, zou niets mis mee zijn. Ware het niet, dat het zeker met dit warme weer helemaal niet meer zo heerlijk fris naar de zee rook.
Ze pakte een komo-zak en begon de besmeurde slierten op te ruimen. Ze trok verder de duinen in en al snel had ze de gehele komo-zak gevuld en nog lag er van alles te wapperen.
‘De rest gaan ze zelf doen’, nam ze zich voor en draaide zich om, om terug te lopen. Toen ze een hand op haar bil voelde en een kleine geile geilaard bleek al met zijn andere hand naar haar borsten te graaien, waardoor ze de zak liet vallen. Hij drong zich zo aan haar op, dat ze achterover op de zak viel en daar voelde het alsof deze ondeugende kamper alleen maar uit handen bestond.
“Zeg, hou daar eens mee op”, zei ze dapper en wilde opstaan. Maar iets hield haar tegen, dat wel haar eigen inborst moest zijn. De afgelopen weken had Molly zich tot de perfecte butagasvrouw ontwikkeld en dan hoorde dit er nou ook eenmaal bij. Of het kwam door haar eigen geilheid. Hoe dan ook, ze gaf zich helemaal over. Maar die handen bleken alleen maar te kunnen graaien en na een kwartiertje door die slierten te hebben gerold, werd Molly ongeduldig.
“Moet ik het je dan voordoen?”, en daar nam ze hem in plaats van andersom; dat haar een geheel ander gevoel van onafhankelijkheid gaf. Een nieuw gevoel, dat haar aansprak en ze genoot er zo van; dat ze even de wereld om haar heen vergat. Maar die was haar niet vergeten.
“Sjesus Molly!”, schrok Molly van Lonnie, toen ze zich betrapt voelde. “En nou is het welletjes!”, schopte Lonnie de kleine geilaard van zijn Molly af en toen werd ie helemaal giftig.
“Het is nou echt klaar Mol!”, siste hij en trok haar aan haar haren de duinen over het weiland in.
“Wij gaan naar huis! En daar krijg je laatste tattoo, ben je nou helemaal!”
“Maar”, huilde ze, toen Lonnie haar door de eerste greppel trok, “ik ben toch jouw ideale butagasvrouw?”

Rinus stond net aan de koffieautomaat, toen Hollestelle driftig vanuit de celgang het bureau weer in kwam lopen.
“Laat alles vallen Rinus! We hebben ze!”, en hij beende zonder verdere woorden het bureau uit.
Op de hoek van het Kerkplein, had Rinus hem eindelijk ingehaald en vroeg wat hem toch bezielde. Hollestelle zei niets en duwde bruusk de deur van de slagerij open.
“De Raaf? Waar ben je?”
“Ik de koeling”, hoorden ze bedompt en even later stond de Raaf met thermokleding achter zijn toonder.
“Wat kan ik voor U …”
“We hebben ze de Raaf!”
“Wie hebben we?”
“Mollly en Lonnie, the Raven? Kunnen we met the Raven?”
“Wat? Maar ja … natuurlijk. Maar hoe?”
In the Raven vertelde de commissaris over het spontaan ontstane kamp dat meer en meer mensen trok.
“En toen zei ie, dat het gerund werd door een TattooLady!”
“Wat?!”, scheurde de Raaf nu de Zeedijk op.
“Chef?! Tattoolady?! Weet U zeker?”
“Honderd procent Rinus. TattooLady en StringMan!”
“Dat zijn ze!”
“Rechts hier de Raaf, richting de rotonde!”
“Dus dat kamp is er al een poos Chef?”
“Ja Rinus. En waren ze daar niet van het gas afgegaan, had Jannie ongetwijfeld veel eerder aan de bel kunnen trekken. Er wordt daar iedere avond gekookt. Dus dat zijn heel wat butagasflesjes.”
“Hier rechts?’, vroeg de Raaf, toen ze de rotonde naderden.
“Ja, het dorp in, langs de kerk en verder de weilanden in. Het kamp moet zich daar diep in de duinen bevinden.”
De grote camper reed op volle snelheid het dorp binnen en scheurde de kerk langs, waarna het verder onverhard ging en daar trapte de Raaf hard op de rem.
“Allemachtig”, was het Rinus, die als eerste wat zei. Want daar voor hen tegen de eens ongerepte duinenrij slingerde een pad van zwerfafval, dat zich als een blinde vlek leek uit te breiden. Stapvoets reden ze verder hele huisraden ontwijkend, totdat ze niet verder konden rijden.
“Wat een rotzooi”, zei de Raaf, “door zoveel rotzooi kunnen we nooit rijden. We zullen te voet verder moeten.”
Rinus gooide de deur open stapte krakend uit in een laag van lege plastic flesjes. Maar dat was niet dat hem het meest verbaasde. Het was de stank van rotting, dat hem snel zijn zakdoek deed voorbinden. De Raaf scheurden zijn thermokleding aan flarden en zo maakten ze zo goed en zo kwaad mogelijk lappen om voor te binden, dat de stank net draaglijk maakte. Zo stonden ze alle drie even later als Toearegs gekleed in verbazing en ook wel afschuw de vernielde natuur in zich op te nemen.
“Overal waar ik kan kijken Chef?”
“Ongelooflijk Rinus, wat een bende.”
“Maar wat is dat daar?”, wees de Raaf voor zich uit, “het lijkt wel een enorme muur?”
Ze hadden geen idee en begonnen te lopen door de rommel. Naar die donkere muur, dat als een soort van grillig verlopend Chinese muur tot hoog boven de duintoppen uitstak. Dichterbij gekomen, hoorden ze gezoem; dat steeds luider werd.
“Het is geen muur, of juist wel”, begon Rinus, die als eerste zijn walgende verbazing de baas bleek.
“Het is een muur van …”, keek de Raaf, in abrupte realisatie van wat hij hier nu duidelijk voor zich zag
“… vliegen”, vulde de commissaris hem aan. “Het is een muur van vliegen, zoveel vliegen …”
“Moeten we daar doorheen Chef?”, vroeg Rinus met ijdele hoop.
“Ik vrees het wel mannen.”
“Ik ga die jungle echt niet in”, sprak de Raaf resoluut en wees voor zich uit, “want dat is het; een jungle!”


Hollestelle legde een hand op de schouder van de Raaf en kneep er in, toen hij zei; “de Raaf, we zullen wel moeten.”
“Sorrie Camiel, maar het zijn er zoveel? En dan die stank …”
“Daar”, wees Rinus naar de vliegenmuur, “achter die muur de Raaf. Daar bevindt zich de moordenaar van Lola.”
“Dan”, kneep de Raaf zijn ogen samen, “zullen we heel hard moeten rennen!”
En voordat de agenten er erg in hadden, schoot de Raaf uit de spreekwoordelijke startblokken en zo renden ze op volle snelheid op de vliegenmuur af, achter zich vele plastic flesjes opwerpende. Ze renden vol de muur in en toen nam het instinct over. Wild met hun armen maaiende renden ze vele vliegen uitspugend de duin op en wierpen zich hard gillend over de top. Ze vielen een duinpan in en daar was de stank zo vreselijk; dat zelfs de vliegen zich daar niet meer waagden.
“Gadverdamme”, kokhalsde de Raaf bij het opstaan.
Rinus kon helemaal niks meer zeggen door alle moeite van alles binnen te houden. Maar toen de commissaris begon over te geven, leegden ze alle drie hun maaginhoud. Ze wilden hier zo snel mogelijk vandaan en begonnen de duinpan uit te klauteren, alwaar een zeebries het iets minder ondraaglijk maakte. Ze liepen verder richting het strand en na de derde duinpan kwamen ze op de volgende top, waar ze in opperste verbazing voor zich uit begonnen te kijken. Daar voor hun ogen ontrolde zich een hele gemeenschap in een wirwar van tentjes, afdakjes en nog meer rommel. Enkele kampers waren al op en struinden op zo een comfortabele wijze door de duinen; dat dit kennelijk hun dagelijkse routine was.
“Chef”, zei Rinus, “zo’n jungle heb ik nog nooit gezien.”
“Dit gaat nog een hele zoektocht op zich worden zo”, zei de Raaf turend over het onordelijk opgezette kamp. “Hallo!”, schreeuwde hij naar een kamper, die geen sjoege was en stoïcijns doorging met wat ie aan het doen was.
“Hé! Hallo! Ben je doof of zo!”, gilde de Raaf weer. De kamper keek hem even aan, zwaaide en ging weer verder.
“Niet doof de Raaf, hij verstaat je gewoon niet.”
“We zullen iemand moeten zoeken die Engels spreekt”, zei Hollestelle.
“Hello!”, gilde de Raaf daarop meteen met gelijk pover resultaat.
“Die kunnen we dan alvast uitsluiten”, en ze liepen voorzichtig verder het kamp binnen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *