Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk V: Als paden kruisen

Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk V: Als paden kruisen

Hoofdstuk V     Als paden kruisen

 

Op de weg terug vanuit die  buitenwijk van Middelburg, zaten Rinus en de Raaf tot tranen geroerd in de Raven.
“Verdorie Rinus, wie had dat gedacht?”
“Hou op de Raaf. Hou op.”
Want het was na een glaasje water, dat Lenie het meest verdrietige liefdesverhaal vertelde dat ze ooit hadden gehoord. Lenie was geboren en getogen in Serooskerke. Al op de kleuterschool had ze met ‘haar’ Kamiel, zoals ze nog immer liefdevol zei, de belofte gemaakt; dat ze voor altijd bij elkaar zouden blijven. Het was alsof het zo moest zijn. Ze hadden geen enkele twijfel hieromtrent. Hoe ouder ze werden en onzekerheden toenamen, ze hielden zich voor altijd vast aan elkaar. Samen was hun enige zekerheid, dat rotsvast in hun toekomst gegrift stond. Nooit hadden ze gedacht dat daar ooit een einde aan kon komen buiten de onvermijdbaar natuurlijke.

Het was op een zomeravond, een zaterdag meende ze. Zo’n avond waar het gehele dorp geurde in vers gemaaid gras en je niet wachten tot de volgende dag kon. Lenie lag al op bed, toen ze steentjes tegen haar raam hoorde gooien. Haar hart maakte een sprongetje, want dat kon alleen maar haar Kamiel zijn. Ze opende het raam en daar keek ze in het meest vertrouwde gezicht van haar leven. Maar iets was er die avond veranderd. Kamiel had gestotterd en dat was niks voor hem. Hij begon te huilen, toen hij haar vertelde wat zijn vader hem had opgedragen.
“Niks Lenie”, had Hollestelle senior met barse stem gezegd. “Jannie is de vrouw die jij gaat trouwen. Jannie is hervormd en Lenie katholiek. En wee je gebeente als je je tegen de Heer verzet jongen. Geloof me, dan zal er wat zwaaien!”
“Wat?! Jannie?!”, had de Raaf uitgeroepen.
“Jannie? Van de Spar?!”, had Rinus er nog aan toegevoegd en Lenie had ja geknikt.
Het was Gods onmogelijk, zeker in die tijd, dat Lenie en Kamiel hun heerlijke geluk in de echt konden verbinden. Maar Kamiel had zijn tranen gedroogd en Lenie gevraagd om samen met hem weg te lopen. Lenie had geen moment geaarzeld. Met een weinig kleren haastig uit de kast gepakt, was ze zonder twijfel de vensterbank over gegleden in de armen van haar Kamiel.
Lenie had het nog niet gedorst om het haar ouders te vertellen. Maar een weinig andere reactie dan Kamiel had moeten ondergaan, had ze niet verwacht. Vol van het leven waren ze de weilanden in gerend. Toen hun longen pijn gingen doen, stopten ze pas en vielen onder een rij populieren in elkaars armen in slaap. Het was de nacht waarin Lenie zich het meest veilig ooit had gevoeld en niets zou hen nog kunnen scheiden.
Niet door fluitende vogeltjes onder eerste zonnenstralen werd ze wakker. Maar met een keiharde pets op haar wang. Verschrikt keek ze op en keek in het woedende gezicht van haar vader, die zijn handen liet spreken. Hij sloeg haar zo hard, dat ze dacht dood te gaan. In een flits zag ze hoe haar Kamiel op de wagen van de veldwacht werd gegooid. Bewusteloos lag hij, toen het paard de kar steeds verder uit haar zicht trok.
“We gaan je ver weg sturen. Want je bent ziek”, had haar vader gezegd op de zo lange terugweg. Zo was ze bij de nonnen beland, die haar wil na jaren internaat uiteindelijk wisten te breken. Wat er van haar Kamiel was geworden, vernam ze pas vele jaren later. Ze woonde in den Bosch en daar sprak ze een dorpsgenoot die ze toevalligerwijs tegen het lijf aan was gelopen.
De vader van Kamiel was buiten zinnen geraakt en had zijn eigen zoon aan de haren het huis binnen gesleept. Daarna hebben ze hem zeker een week niet op school gezien. De hoofdmeester kwam op een dag de klas in met de mededeling dat Kamiel en Lenie niet meer terug zouden komen. Beiden waren van het eiland gestuurd, Lenie ver in Brabant en Kamiel ergens in Zuid-Holland bij familie.
“Laat dit een wijze les voor jullie zijn”, had de meester nog gezegd, “sommige zaken moet je niet mengen.”
En verder dat wat God niet wenst, moet je niet nastreven en meer van die retoriek. Jaren verstreken en iedereen was de eenheid, die Kamiel en Lenie al sinds de kleuterschool vormde, vrijwel vergeten. Toen ging de oude Hollestelle met pensioen en werd er een nieuw politiebureau gebouwd. Schamper had de oude Hollestelle nog gezegd, dat er niets boven een degelijke veldwachter ging. Maar het nieuwe bureau kwam er en met het gebouw ook een nieuwe agent. Zo eentje zonder uniform.
“Dat was het laatste nieuws, dat ik ooit verder uit Serooskerke heb vernomen”, sprak Lenie zachtjes en ze huilde zonder geluid. “Vorig jaar pas, heb ik de stap gezet terug te keren naar het eiland, want hier kom ik vandaan en hier wil ik ook eindigen. En iedere dag kijk ik over mijn breinaalden naar buiten, stiekem biddend dat ik hem ga zien. Maar Zuid-Holland is daarvoor te ver weg.”
“Lenie”, had de Raaf het aangedurfd, want ze verdiende de waarheid. “Die nieuwe agent? Dat was Kamiel.”
“Och neeeee, och nee”, had ze zo zielig haar breiwerkje zitten wiegen, totdat er niets meer te zeggen viel. Ze wisten dat het niet goed ging met Lenie. Maar sommige zaken moet je alleen verwerken. En uiteindelijk zijn ze met haar toestemming weggegaan met de belofte volgende week terug te komen met speklapjes.
Rinus veegde zijn wangen droog, toen ze de Zeedijk opdraaiden vanaf de provinciale weg. Voor het bureau keek hij Rinus aan en zei: “wil je dat ik met je meekom?”
“Nee de Raaf, dank je. Ik denk dat het beter is als ik dit alleen met Chef doe”, en de Raaf had geknikt en was zonder te toeteren zachtjes richting het Kerkplein gereden.

“Ah Rinus”, sprak Hollestelle, alsof Rinus niks van zijn verdriet af wist, “daar ben je eindelijk. Zeg, ik heb dat pasje getraceerd naar een instelling in Middelburg en dat mobieltje …”
“Chef?”, onderbrak Rinus zijn meerdere met overslaande stem van emotie.
“Rinus? Wat is er gebeurd kerel? Toe in hemelsnaam, ga zitten en vertel.”
“Chef … eerst een kopje koffie.”
“Uitstekend idee Rinus, ik doe met je mee!”
“Chef”, rook Rinus aan zijn bekertje om zich moed in te ademen. “Hoe lang ken ik U nu al niet?”
“Lang genoeg om te weten, dat wat je ook op je lever hebt; je me nu moet zeggen. Vooruit met de geit Rinus!”
“Ik eh, ik kom net van mevrouw Zuyderwijk Chef. Enne … het is waar.”
“Waar? Wat bazel je man. Wat is waar?”
“Mevrouw Zuyderwijk, die in Middelburg woont, heeft ons alles verteld en toen zei ze, noem mij maar … Lenie.”
Hard kraakte het bekertje in de samengebalde vuist van de commissaris en de loeihete koffie leek hem niet te deren.
“Chef! De koffie!”, en snel rende Rinus naar het bezemhok en pakte daar een schone doek die hij zijn Chef aanreikte.
Hollestelle gooide het bekertje weg en keek niet naar de doek, toen hij fluisterde bijna; “mijn Lenie?”
“Ja Chef.”
Een traan viel op het bureau, toen de commissaris opstond en zijn jas aantrok.
“Chef? Waar gaat U naar toe?”
“Ik moet even alleen zijn Rinus. Ik ga naar huis. Het bureau is voor die tijd aan jou.”
Zijn tranen bedwingend knikte hij nog ter groet en beende het bureau uit. Maar toen hij de voordeur van zijn woning achter zich dicht had geslagen, kromp hij ineen op de mat en was gaan schreien dat het niet mooi meer was. Hij huilde zijn hervormde ziel en gemist Roomse zaligheid er uit. Omdat hij dat gemis nu weer kon voelen, dat hij al die tijd noodgedwongen had verdrongen.
“En nu Heer?”, had hij in tranen naar boven geroepen, “nu ik oud en versleten ben? Wat is Uw grote plan nu? Verdulleme …”
Want ondanks al was Hollestelle trouw aan zijn geloof gebleven. Hoewel hij nu wel erg veel pijn had.
In het holst van de nacht was hij zijn huis uit gelopen en was blijven lopen totdat hij niet meer kon.

De volgende dag zat Rinus fris geschoren aan een bekertje koffie te wachten op Hollestelle, die maar niet kwam. Het werd negen uur en toen vanzelf tien. Om tien voor half elf kon hij niet anders en liet Bob van de Aa vrij.
“Hier is het laatste woord nog niet over gesproken Rinus!”, had Bob hem nijdig toegebeten. Het eerste dat hij deed, was de telefoon pakken. Binnen het uur, nadat hij de hoorn had neergelegd, kwam een speciaal overvalteam met slippende banden voorrijden.
“Je moet mee Rinus en dan kan goedschiks of kwaadschiks. Je zegt het maar. Even later zat Rinus geboeid in het busje, dat onder escorte naar Den Haag scheurde.
Net na het middaguur hadden ze hem in de cel gesmeten, maar dat deerde Rinus niet. Al dat hij aan kon denken, was hoe het met Chef verging en hij bad dat het goed zou gaan.
“Ik heb recht op mijn telefoontje”, schreeuwde hij tegen het luikje, dat daarna open schoof. Op het opklapblad dat normaliter voor de maaltijden werd gebruikt, werd een telefoon gelegd of in ieder geval stevig bevestigd en Rinus drukte, door het luikje met nog immer geboeide handen, het toegangsnummer van Serooskerke in.
“De Raaf? Met mij.”
“Rinus! Wat is er aan de hand? Het bureau is dichtgetimmerd en al de hele dag lopen hier zwaar bewapende figuren rond, die van alles uitkammen. Het lijkt wel alsof het dorp onder beleg ligt. Waar zitten jullie?”
“Ik zit in de cel de Raaf, in Den Haag.”
“Wat?! Zijn ze nou helemaal, in de cel?”
“Ja, Bob kon zijn aanhouding niet waarderen. Maar daar bel ik niet voor. Ik bel, omdat ik me zorgen maak om Chef. Hij is gisteren nogal van slag naar huis gegaan en vanmorgen was ie voor het eerst niet op het bureau.”
“Dus hij zit niet bij jou?”
“Nee, ik zit hier alleen en …”
“Genoeg”, klonk de stem van Bob en het telefoontje werd abrupt afgenomen door het plankje omlaag te klappen.
“Breng hem naar Verhoor twee”, hoorde hij Bob zeggen. En even later zat Rinus vastgeketend aan de tafel van Verhoorkamer 2 naar zichzelf te kijken in de manshoge spiegelwand tegenover hem.
De deur ging open en Bob kwam binnen met een stagiair, tenminste volgens Rinus was Bob al niets meer dan een groentje.
“Verhoor Rinus en het is nu net half twee. Naast mij zit collega van Zetten en de verdachte heeft geen behoefte aan een raadsheer.”
“Of raadsvrouw”, corrigeerde Rinus hem.
“Of raadsvrouw … Okay Rinus, waar is ie?”
“Waar is wie?”
“Hollestelle Rinus, waar is Hollestelle?”
“Volgens mij gewoon thuis.”
“Daar is ie niet Rinus. Waar houdt hij zich verborgen?”
“Verborgen? Mijn Chef heeft geen enkele reden om zich voor jou te verbergen.”
“Ik weet niet waar jullie mee bezig zijn. Maar wel dat het nu over is en dat jij en je baas geroyeerd gaan worden. Jullie hebben me gewoon opgesloten!”
“Je hinderde het onderzoek. Het moordonderzoek dat nu wederom ernstig door jou gehinderd wordt.”
“Zeg, nu moet je eens goed maar me luisteren miezerig mannetje dat je daar zit.”
En toen was het voor Rinus klaar en hij hield zijn kaken stijf op mekaar.
“Waar is je Chef?”
Maar wat Bob ook vroeg, Rinus kon dit spelletje als stugge Zeeuw natuurlijk veel langer volhouden. Uiteindelijk werd hij weer naar zijn cel gebracht, waar hij zich suf ging piekeren waar zijn Chef toch uithing.

De Raaf was ondertussen in alle staten en stond al een half uur op het rolluik van Kievit te bonken.
“Ik weet niet naar wie ik mij anders kan wenden Kievit. Toe nou alsjeblieft, ik ben toch ook nog je buurman?”
Achterom dan, buurman”, hoorde hij Kievit achter het rolluik zeggen. Snel liep hij door de slagerij naar achter en daar stond Kievit al net over het tuinmuurtje hem aan te staren.
“Ze hebben Rinus gearresteerd. Hollestelle is spoorloos Kievit. Wat kunnen we doen?”
“Waarom in de cel en waar?”
“In Den Haag, omdat ze een BOA hier in de cel hebben gesmeten.”
“Zit Rinus buiten het eiland in de cel?”, vroeg Kievit en deed het oude verbindingspoortje open. “Kom dan maar even binnen.”
“Dank je Kievit. Ik heb geen idee wat ik kan doen. Heb jij een idee?”
“Rinus eerst bevrijden natuurlijk. Wat denken die Hollanders wel niet? Rinus is van ons.”
“Okay, maar hoe denk je dat dan te gaan doen?”
“Ik zou de droon kunnen programmeren.”
“Programmeren?”, vroeg de Raaf meer in zichzelf. Hij begreep Kievit onderhand goed genoeg om er niet tot in details in te gaan. Gewoon vertrouwen op dat wat Kievit in gedachten had, was meer dan genoeg voor nu. “En na het programmeren?”
“Dan gaan we Rinus bevrijden de Raaf.”
“De droon ligt onder de carport van het bureau. Lukt dat programmeren onderweg?”
“Waar wachten we op?”
“Op jou Kievit.”
“Nou ik ben er. Dus dan kunnen we gaan, hadden al onderweg kunnen zijn.”
Voor de tweede keer in zijn leven zag Kievit de Moerdijkbrug. Tenminste als hij uit het raam had gekeken. Hij was te druk in de weer met de droon, die hij weer secuur aan het in mekaar zetten was. Bij de Brienenoord was hij halverwege en pas bij het Prins Clausplein zei hij; “klaar. De droon is er klaar voor.”
Tegenover het bureau parkeerde de Raaf de camper in een zijstraat en keerde zich tot Kievit.
“En nu?”
“Nu laten we de droon zijn werk doen. Maar ben je er wel sterk genoeg voor? Want geloof me, die Spar was kinderspel voor de potentie van deze droon.”
“We moeten Rinus bevrijden. Zonder hem vinden we Hollestelle nooit. Als er één ding is, dat deze mannen me hebben geleerd; dan is het wel dat een lopend onderzoek prioriteit heeft. Dus ja, ik ben er klaar voor Kievit.”
Kievit schoof de zijdeur open en zette de droon op de stoep, waarna hij de deur weer sloot en naast de Raaf voorin ging zitten.
“Je laat die droon gewoon op straat staan?”
“Ja”, zei Kievit met knipoog, “voicecontrol.”
Hij zette zijn mond aan een klein microfoontje, dat hij in een oude Nokia stak. Na de bekende openingstune sprong het kleine schermpje aan dat een stoeptegel liet zien.
“Droon start”, sprak Kievit en het kabaal naast hen deed de camper schudden.
“Zoek Rinus”, en het geluid zwol aan. Net toen de Raaf zijn handen voor zijn oren wilde zetten, schoot de Indesitdroon de straat over, fietsers en voetgangers behendig slalommend ontwijkende. Maar eenmaal aan de overkant boorde hij zich met ontzagwekkend geweld in de gevel van het hoofdbureau Haaglanden en de Raaf zei nog: “Kievit? Hij gaat dwars door die muur?”
Kievit wees naar het schermpje, waarop ze tientallen agenten zagen wegduiken voor het donderend geraas van de droon. Of het nu een steunmuur of een lullig kantoorscheidingswandje betrof, het maakte de droon niet uit en deze ging hemelsbreed op het doel af. Rinus schrok zich een hoedje, toen hij de droon door de celdeur zag vliegen en een robotachtige stem klonk; “Rinus meekomen.”
De Droon bewoog weer achteruit en Rinus wist dat hij de droon moest volgen. De agenten die hij passeerde, waren te veel onder de indruk van de droon en alsof het de gewoonste zaak van de wereld was; liep Rinus niet veel later de straat op.
“Daar is hij!”, startte de Raaf de camper en gaf vol gas. Voor het bureau kwam de Raven slippend tot stilstand en werd de deur opengegooid. De droon vloog naar binnen en niet veel later Rinus ook.
“Pakketje veilig”, gilde Kievit, die snel de deur weer dichtgooide en de Raaf gaf een enorme dot gas.
“Kievit? De Raaf? Hoe hebben jullie … ? Waar is Chef?!”
“Die gaan we zoeken Rinus”, en de Raven draaide de snelweg op.

Toen ze hun meer vertrouwde provinciale weg inreden, vroeg de Raaf waar ie naar toe moest.
“Naar de fietsenzaak natuurlijk!”, zei Kievit gedecideerd. Op zo een toon dat een andere bestemming voorlopig niet aan de orde was. Na Kievit op het Kerkplein te hebben afgezet, zei Rinus: “ik heb geen idee waar te beginnen de Raaf. Maar Chef is door de wetenschap van Lenie emotioneel geworden. Misschien dat zij?”
“Je hebt gelijk Rinus”, en niet veel later stonden ze weer voor de voordeur van Lenie Zuyderwijk. Nu hoorde Rinus wel duidelijk het getik dat uit de voorkamer kwam.
“Oh, de Raaf? Meneer Rinus? Wat attent van jullie.”
“Hoe gaat het Lenie?”
“Het is dat ik mijn breiwerk heb de Raaf, meer dan dat heb ik al zo lang niet meer.”
“Ik begrijp dat het bijzonder zwaar voor je moet zijn.”
“Maar dat is het voor Chef ook”, zei Rinus. “Toen ik Chef vertelde, dat U hier woonde, is hij verdwenen. Een aanzienlijke politiemacht heeft al naar hem gezocht, maar geen teken van leven Lenie. Ik mis Chef enorm. Zou U mee willen helpen zoeken?”
“Lenie sloeg een kruisje en wilde de voordeur in hun gezicht dicht doen en dat ging zonder problemen. Daar waren de mannen te verbaasd voor. Maar toen werd Rinus boos. Hij ging op zijn hurken zitten en trok het klepje van de brievenbus open en gilde; “ik begrijp dat U verdriet heeft. Maar dat heeft Chef ook. Zeg ons dan tenminste waar we moeten zoeken!”
“Dat heb ik jullie al gezegd”, hoorden ze Lenie in de gang zeggen, die meer dan aangedaan klonk nu. “Ik kan niet mee, niet na een heel mensenleven lang. Ik heb het jullie al gezegd. Zoek bij de populieren! De eerste de beste populierenrij die je tegenkomt, als je vanuit onze oude straat de weilanden inloopt”, waarna ze haar voorkamer inliep. Vrijwel meteen begon het getik weer zo fanatiek, dat Rinus het klepje dicht liet vallen en opstond.
“Zo”, sprak de Raaf, “die nonnen hebben wel een heel uitzonderlijk goede job gedaan met Lenie.”
“Vlak de familie van Hollestelle ook niet uit de Raaf”, zei Rinus, toen ze over het tuinpad terugliepen naar de Raven. “In al die tijd dat ik Chef ken, heb ik hem met nog nooit een woord over Lenie horen reppen.”
“Okay, dus we moeten zoeken in de weilanden achter het huis van Hollestelle.”
“Maar allemachtig de Raaf, die lopen wel helemaal door tot diep in de zak van Zuid-Beveland?”
“Ja, ik heb daar trouwens nooit … tenzij … Ja natuurlijk! De Zandweg!”, gilde de Raaf en startte de camper.
Ze reden door de weilanden, tot ze niet verder konden. De Raaf parkeerde de Raven aan het begin van de Zandweg, waar ze uitstapten.
Zandweg was een overdreven omschrijving, van dat wat niet veel meer dan een pad was, dat bovendien grotendeels overwoekerd was. In de verte op een ringdijk zagen ze een lange rij populieren en ze liepen erop af.
“Dat ze hier toen helemaal te voet naar toe zijn gerend?”, verwonderde Rinus zich over de immense afstand, die liefde kennelijk kan overbruggen.
“Hollestelle?”, begon de Raaf te roepen, na zijn handen als een toeter voor zijn mond te hebben gevouwen.
“Chef? Chef! Waar bent U?”, en ze liepen steeds verder het land in, richting het land van de zak; dat zoveel geheimen kent.
“Neeeee!”, begon Rinus opeens heel hard te gillen en rende het pad af. Daar onderaan de ringdijk lag Hollestelle onder de populieren, roerloos, levenloos.
“Chef! Chef!”, liet Rinus zich op zijn knieën vallen en pakte de revers beet van het colbert van de commissaris. Hij was van plan zijn Chef daarmee op te lichten, maar het dode gewicht verraste hem. In plaats daarvan legde hij daarom het hoofd van Hollestelle op zijn schoot en gilde door de mist van tranen; “de Raaf! Kom snel! Ik heb ‘m gevonden en het gaat helemaal niet goed met Chef!”
Buiten adem kwam de Raaf aangerend en keek naar het witte gelaat van Hollestelle, toen zijn maag omkeerde. “Verdomme”, zei hij en liet zich op zijn beurt vallen. Hij pakte het gezicht aan weerszijden met beide handen vast en begon teder over het gelaat van Hollestelle te strijken.
“Toe nou Kamiel, toe kerel. Doe ons dit niet aan.”
“Hij ademt nog een heel klein beetje de Raaf. Wat moeten we doen?”
“We moeten hem naar de Raven vervoeren. Hij heeft meer dan menselijke warmte alleen nodig nu. Man oh man, Hollestelle toch.”
Zo voorzichtig mogelijk hadden ze Hollestelle het pad over gesleept en nu lag hij in de Raven waar de verwarming op maximaal stond.
“Hij ziet er iets minder wit uit, maar dit schiet niet op de Raaf. We moeten iets anders verzinnen, anders raken we hem kwijt. Vooruit naar het ziekenhuis!”
De logge camper reed zo snel mogelijk het pad af dansend door de kuilen, terwijl Rinus zijn Chef in zijn armen hield en maar verwoed bleef wrijven. Toen de Raaf eindelijk de verharde weg opdraaide, gilde Rinus buiten zinnen: “gas! Vol gas de Raaf!”, en de camper schoot vooruit. Bij de rotonde van Middelburg sloeg de Raaf rechts af en Rinus gilde; “je gaat verkeerd!”
“Ik ga juist goed Rinus. Of denk jij, dat een zakelijk gerund ziekenhuis onze Hollestelle kan redden? Ik geef je op een briefje van niet. Ik denk dat er maar één optie is hier en dat is Lenie.”
“Maar je hebt toch gezien, dat ze de deur in ons gezicht dicht sloeg? Of hebben die nonnen het nu opeens verbruid?”
“Rinus, geloof me. Zijn hart is gebroken. Een hart dat al die tijd op routine heeft geklopt, is nu gestopt door de wetenschap van de keiharde realiteit.”
“Verdorie de Raaf! Je hebt gelijk! … Hij ademt niet meer!”
“Mond op mond Rinus, we zijn er bijna!”
De camper kwam tot stilstand voor het huisje van Lenie en de Raaf sprong eruit zonder de motor af te zetten. “Hou vol Rinus!”, en hij rende het tuinpad op en begon hard op de voordeur te bonken.
“Lenie! Lenie! Help!”
Toen ze de deur opende, zag ze het al aan de wanhopige uitdrukking van de Raaf; “waar is mijn Kamiel?”
Ze stormde de Raven in en bij het zien van de hectisch en emotioneel uitgevoerde mond-op-mond van Rinus, had ze het even niet meer.
De Raaf ondersteunde haar en zei; “geen tijd voor nu Lenie. Doe iets, anders zijn ook wij hem voorgoed kwijt.”
Ze knikte meer dan begripvol en vroeg om haar naalden en een speciaal klosje garen uit het naaimandje. “Het gouden klosje de Raaf, vergeet het gouden klosje niet. In het naaimandje!”
Even later ging Lenie naast Hollestelle zitten, die niet aflatend werd beademd door Rinus.
“Kan jij het uiteinde van dit klosje aan de schoenveters van Kamiel knopen?”, vroeg ze, “en sta klaar om Rinus van hem af te trekken.”
“Waarom?”
“Doe wat ik je zeg, geen tijd meer.”
Terwijl ze het ene uiteinde van het klosje garen om haar naald bond, veterde de Raaf het andere uiteinde aan de veters van Hollestelle zijn schoenen.
“Klaar”, zei de Raaf en hij keek naar Lenie. Die haalde een keer diep adem en begon toen te breien, dat de vonken er letterlijk vanaf sprongen. Verwoed vlogen de uiteinden van de breinaalden steeds verder langs elkaar en de punten begonnen zowaar te gloeien, dat de Raaf zich serieus afvroeg; hoe lang die breinaalden het nog uit konden houden. Het regende vonken nu en Lenie gilde: “sta klaar om Rinus ervan af te rukken!”
“Eén, twee en nu!”
Met een ruk trok de Raaf Rinus van de commissaris af en ze buitelden tegen het kleine opklaptafeltje aan. Beiden zagen hoe de naalden tot één gloeipunt leken te zijn samengesmolten en een blauwe flits begon aan het uiteinde te knetteren en te knetteren.
“Is het een toverstaf? , vroeg Rinus meer verbouwereerd dan serieus vragend.
“Nee Rinus, gewoon hele hete breinaalden. Kijk nou, dat garen bevat metaaldraad. Kijk toch Rinus, heb je ooit van je leven?”
De elektrische lading schoot via het garen naar de schoenen van Hollestelle en ze zagen het lichaam van de commissaris willoos opschokken.
“Hij ademt nog niet!”, gilde Rinus, die zijn Chef nauwgezet scherp in gaten hield.
Lenie begon daarop nog sneller te breien en de Raaf zijn mond viel open van verbazing. Want dit was Gods onmogelijk. De vonken spetterden, de blauwe flitsen knetterden en Lenie begon nu zelf te roken. Haar vlechtje ging langzaam maar zeker omhoog alsof het een natuurwet betrof. Toen de statische elektriciteit de rest van haar lichaam puur op elektronen omhoog trok, zei Rinus; “God alle me machtig.”
De Raaf was sprakeloos nu en beiden zagen hoe Lenie boven het lichaam van Hollestelle zweefde. Op het toppunt, net onder het kleine Tl-lampje aan het plafond, gilde ze; “ik hou van je mijn Kamiel!”
Op dat moment liet ze de breinaalden vallen en viel ze in een alles verblindend blauwe lading van ongecontroleerde energie op Hollestelle en was het een explosie dat volgde? In ieder geval zaten Rinus en de Raaf als verdoofd te staren naar de wolk rook voor hen, die langzaam de camper uitdreef. Daarna zagen ze dat Lenie afrolde en uitgeput naast Hollestelle naar adem lag te snakken in het smalle gangpad van de Raven.
“De Raaf?! Kijk!”, en beiden zagen de borstkas van Hollestelle op en neer gaan. Hij was nog zwaar buiten westen, maar hij ademde weer.

Nadat Lenie weer tot rust was gekomen, was het net alsof Hollestelle lag te slapen. Zijn kleur was weer terug, maar zijn ogen gingen nog niet open.
“Meer dan dit, mijn lieve Kamiel, kan ik je niet meer geven”, en na een tedere kus op zijn voorhoofd, liep ze de camper uit.
“Wat? Is dit het voor jou? Hij is nog lang niet wakker.”
“Dat weet ik Rinus. Maar geloof me; als hij mij zou zien, terwijl hij nog zo zwak is, zou dat wel eens te veel van het goede kunnen zijn. Pas goed op je Chef. En volgende keer dat ik jullie zie, kom dan wel met speklapjes. Ik ben ook maar een mens van vlees en bloed die zoveel kan hebben”, en Lenie liep haar woning binnen, waarna het getik weer begon.
De Raaf en Rinus keken elkaar aan en zeiden berustend; “die nonnen toch.”
Ze reden achterom en parkeerden de Raven op de binnenplaats van de slagerij van de Raaf. Pas nadat de Raaf de poort had dicht gedaan, stapte ook Rinus uit. Ze droegen Hollestelle naar binnen en legden hem op de bank bij de tv, waarna ze beiden in een zetel ploften. Na een poosje informeerde Rinus; waar de Raaf de koffie bewaarde en hij stond op om naar de keuken te lopen. Hij kwam terug met drie dampende mokken koffie, die hij op de salontafel zette. Het was de geur van de koffie, die alleen Rinus zo sterk zetten kon, dat Hollestelle deed ontwaken.
“Koffie?”, hoorden ze vanaf de bank en Rinus haastte zich om de warme mok in de handen van zijn Chef te duwen.
“Allemachtig wat een lekkere koffie Rinus. Maar wat … wat doe ik hier en … ach … Lenie.”
“Ja Chef, we waren U bijna kwijt”, en Hollestelle werd op de hoogte gebracht van de laatste ontwikkelingen. Kreunend kwam hij overend en zittend aan zijn koffie, sprak hij; “dus terug naar het bureau is geen optie meer. Dan moeten we het elders vandaan organiseren Rinus. ”
“Wat dacht je van hier? Het huis van Rinus zal ongetwijfeld in de gaten worden gehouden, de jouwe ook. Het bureau zit helemaal dicht. Bob kent mij niet, dus lijkt mij het beste dat jullie hier een tijdje verblijven.
“Dank je de Raaf”, begon Hollestelle weer meer helder te worden. De harde confrontatie met het verleden was hem bijna te veel geworden. Maar gelukkig was er nog altijd zijn Rinus en de Raaf niet te vergeten. Hij keek hen aan en was ze dankbaar.
“Dank jullie wel. Zonder jullie was ik nu …”
“Hou op Chef!”
“We hebben het er niet meer over Camiel.”
“En toch ben ik jullie dankbaar. Dankbaar dat onze paden elkander hebben gekruist. Ik kan mij geen betere vrienden voorstellen.”
“Hou op Chef.”
“Verdorie Camiel, zo is het wel genoeg.”
“Je hebt gelijk, zo is het wel genoeg. Het wordt nu hoog tijd, dat we het onderzoek weer oppikken! Een moordonderzoek dat veel te lang stil heeft gelegen.”
“Anders jij ook wel!”, zei de Raaf, blij de oude Hollestelle weer te zien. “Dus? Genoeg gelanterfantend mannen!”
“Okay Chef, we hebben dus vier verdachten”, begon Rinus het onderzoek weer op gang te krijgen en schonk voor ieder een tweede mok in.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.