There she blows!

There she blows!

Dodelijk vermoeid gooide Marcos zijn rugzakje op de grond. Hij was bekaf van de reis naar Canada en voelde zich compleet uitgeleefd, gelijk zo’n Canadelletje van toen. Dodelijk vermoeid maar wel bijzonder voldaan. Hij zat nog niet rustig achter zijn bureau, of er werd al op de deur geklopt. Na een zucht perste de premier eruit; “nou, kom maar binnen dan.”
Met een geknepen stemmetje wenste Nogal Wiedes de premier een goedendag en nam plaats in een art decostoeltje bij het raam.
“Heeft U een fijne reis gehad?”
“We hebben de handelsrelaties weer aan kunnen halen dus ja, een zeer vruchtbaar tripje.”
“Enne”, wiebelde Nogal Wiebes een tikkeltje nerveus heen en weer op het stoeltje, “is het daar echt zo goed?”
“Mwah, gewoon net als hier hoor. Maar als je het nie errug vindt Nogal, ben ik nogal moe.”
“Maar natuurlijk premier, ik was alleen reuze benieuwd of het daar echt zo goed was”, en Nogal Wiedes stond enigszins teleurgesteld op. Hij wilde net het torenkamertje verlaten, toen GeeJee binnen kwam stuiven met; “en? Is het daar echt zo goed?” Niet gewoon maar redelijk onbesuisd. Hij was van zijn wekelijkse bijbelklasje meteen naar het Torentje gefietst en had geeneens zijn fiets op slot gedaan, maar was meteen de trap opgestormd. Toen hij het kamertje binnenstormde, kon hij nog zijn achterwiel beneden in de hal horen draaien. Ook voor de fietsenstalling was hij veels te ongeduldig geweest.
“Jemig GeeJee, jij ook al? NEE! Het is net als hier! Niks bijzonders an.”
“Klopt”, kneep Nogal Wiebes in zijn kopstem tegen GeeJee, “ik heb het ook net vernomen.”
“Hè? Maar … dan kan toch helemaal niet?”
“De premier heeft gesproken GeeJee. We moeten ons erbij neer leggen, hoe naar het ook is.”
“Ongelooflijk! On-ge-loof-lijk!”, viel GeeJee in een art deco stoeltje neer. “Ik kan dit gewoon niet geloven!”
“Het is ook nauwelijks te bevatten”, kneep Nogal Wiebes zijn coalitiegenoot bemoedigend in de schouder. Maar kneep al snel weer in zijn eigen stem met; “ik neem aan dat U het zelf ook geprobeerd heeft? Ik vraag dit voor de zekerheid, want het ongeloof van GeeJee moet ik helaas delen.”
“Sjesus! Ja, ik ben er geweest! Ik heb het land geproefd en ik zeg jullie, zo bijzonder is het allemaal nie!”
GeeJee fleurde lichtelijk op en vroeg; “maar heb je het ook geademd? Ingeademd, bedoel ik.”
“Ja natuurlijk, dat gaat moeilijk anders duh!”
“Ja, dat lijkt anders inderdaad nogal niet te doen”, zei Nogal Wiebes, die onderweg naar de deur was. Toen viel zijn oog op die BobMarley-rugzak tegen de muur.
“Zeg minister president, wat is dat een eigenaardige rugzak?”
“Oh dat ja, die kreeg ik cadeau.”
“Wat leuk. Wat zit erin?”
“Ik heb werkelijk geen flauw idee en mannen ik ben kapot!”
“Mag ik?”, drong Nogal nogal aan en de premier wuifde van ‘doe maar als je me daarna maar in hemelsnaam met rust laat’.
“Allemachtig … GeeJee. Kom eens kijken kerel, kom eens kijken gauw.”
GeeJee wierp een blik in de zak van Bob en sprong een gaatje in de lucht; “dus toch! En dit is niet beter dan wat wij hebben Mark?”
“Geen idee waar jullie het over hebben hoor.”
“Dus je hebt dit geeneens geprobeerd daar?”
“Wat?”
“Dit gras man!”
“Gras? Nee, maar gras is gras toch?”
“Niet dit gras man! Onmogelijk!”, begon GeeJee het goedje te aaien et zijn neus.
“Wat GeeJee zegt premier. Dit gras is na belastingen! Beter spul kan eenvoudigweg niet bestaan.”
“Zeg, waar hebben jullie het eigenlijk over?”, bukte nu ook Marcos zich over zijn Bob Marley rugtas, want zijn interesse had zijn vermoeidheid even aan de kant geschoven. “Na belastingen zeiden jullie?”

 

 

 

 

 

 

 

 

“Zullen we er eentje rollen?”, kon GeeJee zijn ogen niet van het belastbare spul houden.
“Je bedoelt als een sjekkie? Maar dat ken ik nie”, sprak de premier, nu de initiële teleurstelling van beide mannen zoeven een stuk beter begrijpende.
Meer had GeeJee niet nodig; “laat mij maar”, en begon drie joekels van joints te draaien.
Even later staarden ze naar drie van die Canadese stoomboten op het bureau en all excited vroeg Nogal; “en nu?”
“Nu”, zei GeeJee, terwijl hij de middelste boot pakte en deze aan zijn lippen zette, “doen we er een vlammetje in en gaan we ademen.”
“Moeten we door die dingen gaan ademen?”
“Anders werkt het niet. En nu lang genoeg getreuzeld!”
GeeJee streek een Zwaluw af en de heren keken geïntrigeerd toe, hoe de schoorsteen van de boot vlam vatte in dikke walmen van witte rook.
GeeJee ademde het diep in en op slag veranderde zijn hele houding van stijve CU-leider tot vrije vogel.
“Witte rook? Ik kan … allemachtig mannen, ik kan de hemel zien! Ik zie de hemel!”
Marcos en Nogal aarzelden daarop geen ogenblik meer en staken ook hun joints aan en inhaleerden zo diep als ze konden die dik belaste witte rook.
Nogal Wiedes begon als eerste te giechelen en Marcos wilde hem tot de orde manen. Maar toen begon ook de premier het potsierlijke ervan in te zien.
“Ik zie helegaar geen hemel. Maar man oh man … wat voel ik me goed! Als dit fiscaal belast zo’n gevoel geeft, vraag ik me serieus af; of wij het hier ook niet moeten legaliseren.”
“Dat bedoel ik Mark, een hemels gevoel niet? Heb je je ooit zo verlicht gevoeld? En ja, we moeten gauw eens babbelen om deze shit te legaliseren man.”
“Ik zit in een paradijsje en sapperloot? Wat is dit heerlijk!”, liet Nogal zich zonder verdere remming in zijn stoeltje vallen.
Enige minuten genoten de mannen in stilte en haalden de ene na de andere haal er doorheen. Na van de eerste euforie te zijn bekomen, normaliseerden hun gedachten zich en niemand had meer een flauw idee hoe high ze eigenlijk wel niet waren. Toch was het Marcos zelf als eerste, gewend aan die hoogte in zijn Torentje, die het overleg opende met een klap op het bureau; waarmee alles wat er vanaf toen besloten werd, ook officieel regeringsbeleid moest worden.
Tijd en verleden speelden geen enkele rol meer. Wat vorige maand was gezegd, kon zomaar vandaag weer worden veranderd in iets anders en/of andersom.
Het Torentje stond inmiddels stijf van de rook, dat als verhogend effect werkte op hun wereld van steeds groter wordende waanzin. De adrenaline joeg hun hartslag zodanig absurd snel op, dat ze alle drie halverwege de joint out gingen en stijf als een plank voorover vielen. Marcos knalde met zijn kop hard op het mahoniehouten bureaublad en Nogal landde niet onzacht naast GeeJee op de houten vloer. Daar waar het vloerkleedje, die hij laatst nog van Kaag cadeau had gekregen, eindigde.

 

The Joint Venture van Ahab, Ishmael en Queequeg

Nogal Wiedes kam als eerste bij en het eerste wat ie zag; was hoe het gezicht van GeeJee er zo toegetakeld bij lag.
“Queequeg!”, schrok Nogal van zichzelf, want hij wilde toch echt GeeJee roepen. Maar GeeJee opende een oog en zei; “Ishmael?”
Nadat ze elkaar diep in de ogen hadden aangekeken, kwamen ze steeds meer bij en was het algemeen aanvaard; dat GeeJee van het eiland Kokovoko in de stille Zuidzee kwam. Als zoon van de hoofdman van een kannibalenstam lag hij daar onder de tatoeages bij te komen en krabbelde steunend langzaam op. Nogal ging naast hem zitten en geen haar op zijn hoofd twijfelde meer aan het zijn van Ishmael. Beiden waren naar het Torentje in Den Haag gekomen, om tesamen met hun kapitein naar Scheveningen te gaan; alwaar de Vliegende Hollander op hen lag te wachten om het zeegat te kiezen. Ishmael had zich als matroos aangemonsterd en Queequeg als harpoenier.
“Godskolere wat een trip!”, kreunde Marcos en wreef over een fikse buil op zijn voorhoofd. Nu dacht hij doorgaans al weinig alleen deze keer voelde het anders. Hij voelde een bepaalde bezetenheid in hem opkomen, die zijn gehele loopbaan in een heel ander licht zette. “Ik ben Ahab!”, schrok hij niet meer van de rauwheid in zijn stem en stond op. “De boot wacht op ons”, gromde hij en na het pakken van zijn ZuidWester van de kapstok liep hij de trap af, vrij snel gevolgd door Ishmael en Queequeg.
Toen ze langs de hofvijver liepen, vroeg Ishmael naar het doel van de reis.
“Klimaatbeheersing”, snauwde Ahab.
“Maar is dat niet levensgevaarlijk?”, vroeg Queequeg.
“Iemand moet het monster stoppen. Lukt het niet dan sterven we pogende. Lukt het, dan hoeven jullie nooit meer te werken. Hebben we een akkoord?”
Bij de tramhalte schudden ze elkander de hand en zo was het klimaatakkoord vrij snel beklonken.

Hoewel ze alle drie in een andere dimensie zaten, voelden ze zich enorm trots op dit voornemen. Het was aan hun om de wereld te gaan redden van het klimaatmonster. En als ze zouden slagen, dan hoefden ze nooit meer te werken en dat was het enige dat nog telde.

De kapitein stond op het verhoogde achterdek en zag hoe de bemanning onder hem het schip klaar maakte voor de zeereis. Al dat er nog hoefde te gebeuren, was het losgooien van de trossen. Maar Ahab gaf het bevel maar niet. Hij stond al de hele avond chants te zingen en stond nu te prevelen tegen de ondergaande zon. Nog even en ze zouden het tij tegen hebben en zouden minimaal weer zes uur geduld moeten hebben.
Ahab hief zijn armen ten hemel en gilde: “oh Heer, de molens … nu!”
Op dat moment begon de zee te kolken en duizenden en duizenden windmolens boorden zich in de zeebodem van de Noordzee. Toen de rust wedergekeerd was en het tij begon te kenteren, gaf Ahab het bevel de trossen los te gooien. De Vliegende Hollander voer de haven uit in een niet eerder geziene surrealistische zee-omgeving door zoveel windmolens tot aan de brede einder aan toe. Het was enorm hard werken voor de bemanning, om ervoor te zorgen dat het schip geen averij opliep. En steeds sneller laveerde Ahab de Vliegende Hollander
langs al die lukraak geplante windmolens. Maar uiteindelijk, na een volle nacht in touw te zijn geweest, voeren ze in open zee.
“Koers Noord!”, snauwde Ahab naar zijn eerste stuurman en het lange wachten op het klimaatmonster was begonnen.

Met zwarte magie wist Ahab de zee vol windmolens te krijgen. Niet om heerlijke mossels te gaan kweken, maar om alle zoogdieren in de zee hun noodzakelijke navigatiemiddelen af te pakken. Als het bij de bruinvissen ging werken, zou het dat ook zeker wat bij het klimaatmonster moeten doen.  Volgens de laatste stand der wetenshap in ieder geval zou het op z’n minst een 0,00zoveel graadje gaan schelen. Dat het tot een kaalslag onder de bruinvissen en andere soorten moest gaan leiden, was een prijs die Ahab er graag voor over had. Zijn enige doel was het klimaatmonster, die zich al in zijn dromen aan hem had geopenbaard. Dit monster moest gedood worden zonder vragen en met alle middelen mogelijk. Andere opties kon Ahab door zijn verbetenheid niet meer zien.

De dagen werden weken en daarna maanden. Ontelbare patrouilles had de Vliegende Hollander al gevaren van Noord naar Zuid en vice versa. De bemanning begon de hoop op te geven en eerste tekenen van scheurbuik kondigden zich aan. Toen op een waterkoude dag in december Ishmael in het kraaiennest iets dreigends aan de einder voor hem zag. Voordat hij het had opgemerkt, was het echter weer weg. Maar na een half uur turen, zag hij het weer en met kloppend hart gilde hij naar beneden: “there she blows!”
“Je bedoelt ‘thar she blows!’, klom Ahab nijdig uit zijn kooi en stond in no time aan dek. Net op tijd om Ishmael voor een tweede keer te horen gillen. Nu zag ieder bemanningslid het naderend onheil aan de einder. Met iedere spuit leek het wel alsof de ratio eruit geblazen werd en de emotie het meer en meer overnam. Zo ook bij de kapitein, die hysterisch begon te gillen: “laadt het kanon, met alle harpoenen die we hebben!”
Hij gooide zijn eerste stuurman aan de kant en kneep in het roer van snel oplopende spanning. 

Queequeg gilde vanaf het voordek hoeveel harpoenen, want allemaal was gekheid natuurlijk.
“Allemaal!”, gilde Ahab zelfverzekerd terug.
“Allemaal kapitein?”, kon Queequeg dit zo goed als mogelijke doodvonnis niet geloven.
“Allemaal nu! Anders bungel je dalijk aan de ra! Alle harpoenen, nu!”
Hij kreeg hulp van Ishmael, die uit het kraaiennest was gekomen. Het monster was nu al zover genaderd, dat uitkijk niet meer nodig was.
“De kapitein wil ons dood hebben Ishmael. Alle harpoenen?”
“Maar dat is toch goed? We hebben het wel over het Klimaatmonster Queequeg.”
“Ja, maar wat als we missen? Het blijft een monster Ishmael”, en na het enorme kanon volgepropt te hebben met alle harpoenen, begon Queequeg een doodskist voor zichzelf te timmeren.
Ishmael gaf hem de spijkers aan en werd bang.
“Waarom heeft de kapitein geen eiland voor de kust laten verrijzen Ishmael? Als zijn zwarte magie zoveel molens kan maken, dan moet een eiland toch geen enkel probleem zijn?”
“Ik heb geen idee, maar een eiland?”
“Ja, een eiland. Het Klimaatmonster hadden we zo vrij simpel de ondiepte in kunnen leiden tussen de kust en het kunstmatige eiland. Het zou vanzelf vastlopen en zonder harpoenen zouden we het de baas kunnen! We zouden helden van de gehele natie worden en iedereen kon het zien. En nu? We gaan dood Ishmael, we gaan allemaal dood”, en hij sloeg een laatste nagel met tranende ogen in zijn kist. Dat voor een kannibaal best opmerkelijk genoemd mag worden.


“In de boten”, gilde Ahab vanaf het achterdek. En even later lag de gehele bemanning met uitzondering van Ishmael, Queequeg en kapitein Ahab in de steeds woester wordende golven van de Noordzee.
“Roeien! Leidt Moby Dick af!”, krijste Ahab naar zijn bemanning, dat aan de riemen ging hangen en niet alsof hun leven ervan afhing maar juist omdat dat het wel deed.
“Moby?”, keek Ishmael verschrikt op naar zijn vriend, die het nu helemaal niet meer had. Iedereen kende het Klimaatmonster, maar Moby Dick? Dat was van een geheel andere orde. Zo eentje waar je met geen mogelijkheid met je gedachten bij kon komen. Moby Dick! De schrik der zeeën voor iedere zeeman was een begrip en daar deed varen op de Vliegende Hollander niets aan af. Bevend aanschouwden ze hoe nu het monster zo enorm groot schuin voor hen zwom en het schip in de flank wilde aanvallen.
“Dit gaat helemaal fout Ishmael, helemaal fout!”
“Roeien mannen! Roei zoals je nog nooit geroeid hebt! Aaargh!”, vuurde Ahab de roeiers aan. Het was net genoeg om in het blikveld van Moby te komen, die opeens van koers veranderde en nu recht op de twee kleine bootjes af begon te zwemmen. Na een laatste spuit dook hij onder en de roeiers keken vertwijfeld om zich heen. Waar was het monster gebleven?
“Maak het kanon klaar om te vuren!”, gilde Ahab. Door de koersverandering moest het Klimaatmonster nu in het schootsveld komen en als ie op zou duiken, konden ze hem vol treffen.
“Bevend pakte Queequeg zijn tondeldoos van zijn riem en vroeg of Ishmael de vuursteen wilde gebruiken, zodat hij de tondel in de juiste positie zou kunnen houden.
De zee begon nog meer te stampen en beiden klemden zich om het enorme kanon, Queequeg met de tondel en Ishmael met de vuursteen.
“Thar she blows!”, gilde Ahab en wees naar Moby Dick en hij vergat even het commando vuur te geven. Want Moby dook met een allesvernietigende kracht op de kleine bootjes af. Het eerste verbrijzelde hij met zijn kaken en het tweede met een felle uithaal van zijn kop waardoor de bemanning in een oogwenk de diepte in werd geworpen om nimmer meer boven te komen.

“Vuur! Vuur! Vuur!”, gilde Ahab nu en Ishmael sloeg hard met zijn steen tegen het metaal van het kanon. De vonk deed de tondel vlamvatten, dat Queequeg in het gat liet vallen en een oorverdovend gigantische knal was het gevolg. Alle harpoenen werden tegelijk met donderend geraas op Moby Dick afgevuurd, die weer onder water aan het verdwijnen was. In het schootsveld werden alle bruinvissen genadeloos door de midden gespietst en kapitein Ahab stond woest tegen het roer aan te duwen, alsof hij zo het monster zou kunnen rammen. Hij wist als geen ander dat, mochten er maar enkele harpoenen doel treffen, hij dan in ieder geval als morele winnaar uit deze strijd zou komen. Het liep echter nog meer miserabel af dan hij zich kon voorstellen. Slechts een enkele harpoen schampte de huid van Moby, waarmee ook de laatste bruinvis in de Noordzee werd vermoord. Net voordat hij weer onderdook, zagen ze het oog van Moby; dat niet veel goeds verraadde en een schok deed de Vliegende Hollander in al haar voegen kraken. Het roer werd van het schip geramd en de hoge mast viel  met grootzeil en al in de golven, de Vliegende Hollander zo een speelbal van de golven makend.
Ze renden naar de loef en zagen dat Moby daar al voor een tweede poging op het schip afkomen. De tweede klap was zo mogelijk nog harder dan de eerste. In het gekraak hoorde Ishmael zijn vriend om hulp gillen. Hij keek naast zich en Queequeg was verdwenen.

“Queequeg? Queequeg?!”
“Ishmael!”, hoorde hij van onderen en Ishmael zag hoe zijn vriend voorgoed de onmetelijke diepte in werd getrokken.
Het schip was reddeloos verloren en begon al slagzij te maken. Hij hield zich nog zo lang mogelijk vast aan het want  en voelde het nat al.


Ahab had geen oog meer voor zijn nog over gebleven bemanning. Met touw had hij zijn sabel aan een stuk hout gebonden en stond met zijn zelf gemaakte harpoen Moby Dick uit te dagen en Ishmael gilde wanhopig; “doe nou niet!”
Maar Ahab hoorde niks meer en bleef maar gillen tegen de dreigend rond cirkelende Moby.
De kapitein wachtte tot hij niet langer meer kon en dook toen van het achterdek de diepte tegemoet. Hij gilde ‘de dood of de gladiolen’ en begon wild naar het monster toe te zwemmen. Achter zich hoorde Ishmael de Vliegende Hollander verzuipen en hij besefte; dat het slechts een kwestie van tijd was, eer hij of door het monster verschalkt zou worden, dan wel door de kou bevangen zou gaan worden.
Naast hem popte echter de doodskist van zijn vriend op. Met een laatste krachtsinspanning klom hij erin en zag hoe de kapitein naar het oog van Moby zwom. Toen verloor Ishmael het bewustzijn en de kist dreef het windmolenpark in.


“God allemachtig!”, wreef Marcos door zijn ogen. “Zo’n koppijn heb ik nog nooit gehad!”
“Anders ik wel”, hoorde hij vanonder het bureau en daar tussen zijn benen lagen Geejee en Nogal Wiedes?
“WTF?!”
Maar ook Geejee en Nogal reageerden precies zo en haastten zich snel onder het bureau vandaan.
“Wat is er gebeurd? We hebben toch niet?”, schrok Nogal aan de mogelijke gedachte van wat er gebeurd zou kunnen zijn.
“Oh nee, zeg me dat ‘dat’ niet waar is! Mijn God alstublieft!”
Marcos keek naar de opengebroken rugzak en het enige wat ie zich kon heugen, was dat ie iets had aangestoken. Daarna was alles zwart.
“Eén ding heren. Wat er gebeurd mag zijn, geen woord! Geen lettergreep hierover!”
“We hadden het over het Klimaatakkoord en daarna is het bij mij één groot gat”, zei Nogal Wiedes.
“Over één ding ben ik nu wel uit”, zei GeeJee, “wij gaan dus never nooit niet drugs legaliseren!”
Marcos swipte zijn telefoon aan en zei; “we zijn welgeteld 8 uren kwijt heren. Ik denk dat het erger had gekund, dus geen woord!”
“Acht uur valt te overzien”, zei Nogal die zijn jas aantrok. Als eerste verliet hij het Torentje met GeeJee in zijn spoor.
Marcos maakte zich op om naar huis te fietsen en nam nog even het laatste nieuws door. Gelukkig had ie niks belangrijks gemist. Er was ergens een ziekenhuis omgevallen en aan het strand was een lege doodskist aangespoeld.
“Een doodskist? Wie doet nou toch zoiets?’, verwonderde hij zich, toen hij het licht uitknipte. Hij bleef onwetend over de kist maar natuurlijk ook over het licht, dat ie voor weer een hoop landgenoten uit had gedaan.
Fluitend fietste hij het poortje door en kreeg ineens sterke behoefte aan een lekker vissie. Hij zou via Scheveningen fietsen, besloot hij.
“Wat een gaaf land is dit toch”, zei hij tegen zichzelf, toen hij zijn fiets tegen de pui plaatste van Zeevishandel Ishmael.
“Pa”, waarschuwde Ismael jr. zijn vader, toen hij de premier naar de voordeur zag lopen, “hij is er weer.”
Met een knal dreunde de deur van de koelcel dicht en binnen stond de oude Ishmael zich helemaal stijf en stram te vloeken; “nooit meer werken had ie me beloofd! Nooit meer werken! En elke keer weer met zo’n schijnheilige grijns de zaak in komen?! Moby?! Verlos me, ik smeek je toch nou al zolang.”

Queeueg en Ishmael in betere vuursteen-en tondeltijden

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.