Moord in Serooskerke II ‘demarrage in Slovenië’

Moord in Serooskerke II ‘demarrage in Slovenië’

Hoofdstuk X

slovenie

 

Snel sloot Rinus het magazijn af en rende weer naar buiten. Lonnie, verlost van zijn pieper, had daar nog maar één uitzicht. Door het stevig getraliede bovenlicht in de achtergevel van het bureau staarde hij, op zijn tenen, naar de vrijheid buiten en keek naar het slagveld van de explosie. In de verte kwamen verontruste dorpsbewoners toesnellen en ook zag hij Rinus en Hollestelle zich naar de rampplek spoeden. Maar zijn aandacht werd getrokken door het lokaal wuivende riet in de sloot precies achter het bureau. Het riet week steeds verder uiteen en daar kwam Molly meer dan gehavend uit tevoorschijn. Verlost van het riet begon ze hevig getraumatiseerd nergens naar toe te hollen.
“Molly!”, beukte Lonnie zijn handen blauw op de tralies, “Molly! Ik zit hier!”
Zelfs al had hij naast haar staan roepen, dan nog had ze hem niet kunnen horen. Verdoofd van de klap holde ze verder en verder, steeds verder weg van hem.

“Jemig Rinus!”, stamelde Hollestelle in ongeloof de rampplek overziend, “zoveel afzetlint hebben we niet.”
“We moeten wel iets doen Chef. Kijk; niemand en iedereen loop kriskras om de krater.”
De dorpelingen liepen, de ene wenend en de ander biddend; maar vrijwel allemaal verbaasd, gedesoriënteerde rondjes rondom de enorme krater van de explosie.
Hollestelle wilde Rinus opdracht geven om de dorpelingen toe te gaan spreken om de paniek te beteugelen. Maar hij zag dat zijn rechercheur daar nog helemaal niet aan toe was. Rinus bleef met die onmenselijk verbaasde uitdrukking kijken naar hun dorpelingen in totale wanhoop. “Rinus! Veman je kerel!”
“Natuurlijk Chef, natuurlijk maar…”, op zijn beurt Rinus observeerde zijn Chef en besefte dat Hollestelle de mentale dreun van de klap duidelijk nog niet te boven was. Zijn Chef bleef hem namelijk aankijken in die verschrikkelijke verbazing, die ze hadden opgelopen daar verder in het veld. Zelf wist Rinus hiermee om te gaan, maar zijn Chef duidelijk nog niet en tactisch probeerde hij zijn Chef te kalmeren.
“Rustig Chef, rustig. We hebben ons werk te doen; hoe lastig het ook is.”
“Hoezo rustig kerel? Volgens mij ben jij nog niet toe, aan dat wat er nu eenmaal bij deze job komt kijken.”
Het was de Raaf die als eerste hun discussiërende ban doorbrak en zei dat ze snel wat moesten doen. De Raaf, als patholoog zonder papieren, had al snel door dat de ontstane verwarring in de hermandad werd veroorzaakt door het gemis aan wenkbrauwen.
“Jullie hebben geen wenkbrauwen meer mannen, gelijk meer dan de helft van de dorpelingen. Kijk mekaar eens goed in de ogen en doe wat er gedaan moet worden.”
“Wenkbr…?”
“Verrek Rinus, je hebt geen wenkbrauwen meer!”
“U ook niet meer Chef. Dus u bent de verbazing al wel te boven?”
“Nee, maar ik dacht dat ik fronsend je tot aansporing kon manen maar nu pas snap ik dat dat raar overkwam. We hebben geen wenkbrauwen meer! Maar hoe dan heb jij de jouwe dan nog de Raaf?”
“Ik was bezig in de koelcel toen ik de klap hoorde en voelde, vooral voelde. Bij het zien van die vuurbal ben ik meteen hier naar toe gerend, want ik heb mijn PA-papieren niet niet voor niks. Door ervaring weet ik dat mensen die door verbranding sterven, altijd erg verbaasd kijken. Ze missen hun wenkbrauwen zie je en zie dan nog maar eens je gevoel uit te drukken, dat is onmogelijk.”
“Ook dat nog Chef, ik dacht even dat we bijna tot iets van een oplossing kwamen.”
“Rinus, daar moeten we doorheen zien, spreek ze toe en organiseer de mensen. We kunnen niks afzetten hier, maar laat ze systematisch het terrein afzoeken op zoek naar iets van wrakstukken die ons kunnen vertellen wat er hier in Godsnaam is gebeurd.”

Door de verbaasde blikken heen kijkend, organiseerde Rinus de ernstig verontruste dorpsbewoners in een breed menselijk afzetlint. Langzaam begon dit lange lint te bewegen en iedereen speurde geconcentreerd naar mogelijke aanwijzingen over de oorzaak van de ramp. Nu de dorpelingen het gevoel hadden gekregen; dat ze hun steentje konden bijdragen, werd er in zeer korte tijd niets verzameld ondanks dat ze het gehele terrein nauwgezet hadden doorlopen. Rinus verzamelde de mensen rondom de krater en bracht aldaar verslag uit.
“Niets Chef, niets. De hitte moet zo immens zijn geweest, dat alles verdampt moet zijn. Gelukkig is er niemand van ons het slachtoffer geworden, ik heb iedereen zojuist nog kunnen tellen Chef, we missen niemand. God zij dank en geprezen.”
“Gelukkig maar Rinus. Mensen! Beste mensen! Ook wij zijn ten zeerste geschokt door de explosie. Maar nu duidelijk is dat we hier geen aanwijzingen kunnen vinden, lijkt het mij verstandig weer op huis aan te gaan. Hier kunnen we niets meer doen.”
“Hoezo niets meer?”, vroeg de meest baldadige dorpsbewoner, die met die tandenborstel van de schoonmaakactie op het Kerkplein.
“Mijn beste, je hebt zelf toch kunnen zien dat hier niks meer te zien valt?”, probeerde Rinus zijn Chef bij te vallen hopend op een rustig uiteen gaan.
“Hij heeft gelijk! Hoezo niets meer?”, waagde nu een andere dorpeling het aan de Hermandad openlijk in twijfel te trekken. En steeds meer dorpelingen kwamen met vragen en de boel leek uit de hand te gaan lopen.
“Hoezo, hoezo?”, gilde de Raaf keihard over de krater, die zijn ‘hoezo’ indrukwekkend lang echode. Na de echo’s eiste het volk totaal niet onder de indruk brutaal dat ze ook recht hadden.
“Natuurlijk hebben jullie ook rechten beste mensen. En juist daar staan wij voor! Dus zullen we dan nu maar op huis aangaan?”
Misschien kwam het door het gemis aan wenkbrauwen? Maar hoe dan ook, het duurde nog vrij lang eer ze de rust wisten te herstellen. Die rust keerde pas terug net voordat de oproer zou losbreken. De brutaalste dorpeling hief zijn armen ten hemel en gilde opruiend: “als jullie dan zo voor onze rechten staan, waarom krijgen wij dan geen dropje?!”
“Natuurlijk Rinus, ze willen een dropje!”
“Dan gaan we nu”, sprak Rinus duidelijk opgelucht, “met z’n allen een dropje eten!”
De zak Venco ging onder goedkeurend gemompel door de menigte en snel ging daarna een ieder zijn en haar weegs. Toen ze daar alleen aan de rand van de krater stonden, wees de Raaf naar beneden.
“Daar mannen, daar in de diepte zou nog iets kunnen liggen dat de immense hitte heeft kunnen doorstaan”, en de mannen keken in het grote zwarte gat, dat in kleur deed denken aan de bekende tattoe en ze beseften dat die explosie met die Albanese bende te maken moest hebben.

“Gaat het de Raaf?”, vroegen Rinus en Hollestelle zich bovenaan de rand bezorgd af. De Raaf was inmiddels uit het zicht verdwenen en het duurde veel te lang naar hun zin eer ze hem weer omhoog zagen klauteren.
“Ik heb iets! Ik heb iets!”
Ze hielpen de Raaf uit de krater die hen een verwrongen stukje metaal overhandigde.
“Ik heb geen idee wat het is, maar volgens mij staan er letters op.”
“Hij heeft gelijk Chef”, hield Rinus het stuk metaal tegen het grijze daglicht. “Alleen zijn het geen getallen Chef, het zijn cijfers. 17 staat er Chef. Ja ik weet het zeker, 17.”
“Tijd om naar het bord te gaan Rinus, misschien dat we met dit kleine puzzelstukje iets kunnen. De Raaf ga je mee?”, vroeg Hollestelle hopende om weer gebruik te kunnen maken van het onmiskenbare puzzeltalent van de Raaf.
“Nou, ik heb nog wat schoon te maken in de koelcel dus sorry.”
“Een gratis bekertje koffie?”
“Nou vooruit, heel even dan!”

“Ik wil eruit! Laat me eruit!”, werd er hard op het magazijndeurtje gebonsd toen Rinus de Raaf een vers bekertje koffie overhandigde.
“Hou je snuit secreet, anders stop ik ‘m wel voor je!”, zei Rinus fel en maakte aanstalten om zijn woord bij de daad te voegen. Maar bang voor de sterke arm droop Lonnie vrijwel meteen af.
“Wie zit er opgesloten in het magazijn?”
“Lonnie”, sprak Hollestelle aan zijn beker nippend.
“Lonnie? Ik was die gladjanus bijna vergeten. Hoe hebben jullie dat geflikt?”
Hollestelle vatte de afgelopen ontwikkelingen alsook de ongebruikelijke wending van hun fietstocht bondig samen en de Raaf was bijzonder onder de indruk.
“Mijn complimenten heren, een sterk staaltje speurwerk, wat zeg ik? Uitstekend politiewerk!”
“Dank je de Raaf. Maar laten we ons tot de prioriteit beperken. Rinus, wat staat er op het bord? … Rinus?”
Rinus stond als vastgenageld voor het bord en draaide zich pas na enige tijd om. “Niets Chef, er staat helemaal niets meer op het bord!”
“Wat?”
Rinus ging bedachtzaam zitten en de mannen keken ontredderd naar een leeg gevaagd schoolbord.
“De luchtdruk, het moet de luchtdruk zijn geweest”, sprak uiteindelijk de Raaf en zette zijn lege bekertje op het bureau. “Ik zei toch dat het een hele harde klap was.”
“Ja, maar zo hard?”, wees Rinus naar het lege bord.
De Raaf wees naar de raampartij die nog immer intact was.
“De luchtdrukgolf van de explosie moet zo snel zijn geweest, dat zelfs de ramen geen tijd hebben gehad om te breken. Alleen al het stof is weggeblazen en daar krijt dezelfde eigenschappen heeft, is daar ook dus niks meer van te zien”, deduceerde de Raaf, zijn puzzeltalent ontegenzeggelijk demonstrerend.
“Ongelooflijk, maar hoe moeten we nou verder Rinus?”
“Ik heb echt geen idee Chef. Al onze punten stonden op het bord… verdorie, ik heb echt geen idee. Ik weet geeneens meer hoeveel punten we hadden opgeschreven.”
“17!”, sprak de Raaf moed vattend, “we hebben het getal 17, en dat is altijd nog meer dan niets. En oh ja, Lonnie! Laten we vooral Lonnie niet vergeten!”, en de Raaf bukte zich om een krijtje te pakken dat tegen de plint aan was geblazen.

1. 17
2. Lonnie opgeborgen, waar is Molly?
3. Wie er in de schuur van Stijn zaten zijn nou morsdood, buiten alle identificatiemiddelen om verdampt. Albanese probleem opgelost?

“M’n fiets de Raaf! Volgens mij stond mijn fiets er ook nog bij!”
“Ja, dat klopt Rinus. Pierre moet onderhand nu wel in Albanië zijn om je fiets te halen.”

4. fiets van Rinus in Albanië, Pierre onderweg of al ter plaatse

“Kijk, daar begint weer schot in te komen. Dank je de Raaf. Laten we met punt 1 beginnen. Wat zou die 17 kunnen betekenen?”
Na enig diep nadenken keek de Raaf nog eens even naar het verwrongen stukje metaal op het bureau. “Gek dat ik dat nu pas zie, het zal wel aan het Tl-licht liggen, maar zien jullie ook dat de randen gelig zijn?”
“Ja, dat zie ik ook. Ik zie ook dat die cijfers zwart zijn, maar wat zie jij daar nou in?”
“Zwarte cijfers op gele plaat?”
“Kenteken! Chef; de Raaf bedoelt dat het wel eens een stuk van een kentekenplaat zou kunnen zijn! En kentekens kunnen we achterhalen!”
“Verdorie ja! Dat zou zo maar kunnen mannen. Ja, nu jullie dat zeggen; weet ik vrijwel zeker dat dit wel eens een stukje zou kunnen zijn van een groter geheel!”
“Precies Hollestelle, een kentekenplaat! Dit puzzelstukje is van een kenteken, maar welke?”
“En bovendien, hoe staat dit kenteken in verhouding tot de afgelopen ontwikkelingen?”, vroeg Rinus zich hardop af.
Hollestelle knipte hard in zijn vingers. “Punt 4! Kijk eens naar punt 4! Die al dan niet overleden bende uit Albanië is hier gekomen om de fiets van Rinus te stelen. Maar wie zegt ons dat dat het enige is dat ze kwamen stelen?”
“Jeetje Chef! Natuurlijk! Die schoften staan er om bekend! Ik heb laatst nog gelezen dat er vele wagenparken vol moeten rijden daar, onze wagens Chef! Alleen…, we hebben geen melding ontvangen van een autodiefstal.”
“Nee, inderdaad niet Rinus. Nou ja, het was het proberen waard.”, sprak Hollestelle enigszins teleurgesteld.
“Geen auto’s!” sprak de Raaf ineens buiten zinnen. “Ha! Nee, geen auto’s nee. Maar wat dan wel?! En het rijdt in de klei en klinkt als PieRRe!”, en de Raaf gebaarde enthousiast geworden met twee vingers op zijn arm, dat het een tweeletterwoord betrof.
“Trrrrekkerrrr! Ja natuurlijk, de trekker van Ruigrok! Daar is al deze ellende mee begonnen! Vooruit Rinus, bel Jan op en vraag naar zijn kenteken! De Raaf, kerel! Die cijfers van jou zouden zo maar een doorbraak kunnen betekenen! Snel, doe ons nog maar een vers bekertje van de zaak!”
Trots van het compliment drukte de Raaf op de automaat en wachtte geduldig op drie bekertjes vol. Zijn koelcel was ie voor even helemaal vergeten en snel serveerde hij de bekertjes en wachtte samen met Hollestelle gespannen het telefoongesprek met Jan Ruigrok af.

“Hoi Jan, met Rinus. Hoe gaat het met je? … Oh dat is goed om te horen Jan. Zeg waar ik ook voor bel, weet jij uit je hoofd nog het kenteken van je trekker? … Misschien ja, maar als jou kenteken overeenkomt, met wat wij hebben gevonden, dan ben ik bang dat je nieuwe trekker moet kopen Jan. … Dat klopt, maar toen jullie weg waren, heeft de Raaf nog wat in de krater gevonden. … We denken inderdaad aan een deel van een kenteken, maar zeker weten doen we nog niet. .. Is goed, ik blijf hangen.”
Rinus hield zijn hand voor de hoorn en zei tegen de Raaf en Hollestelle dat het al veel beter met Jan ging en dat ie nu even zijn vrouw ging halen. Want zelf wist ie niet meer waar hij zijn kenteken heeft gelegd. En aangezien zijn vrouw de administratie doet, heeft ie goede hoop dat…
“Jaja, ik ben er nog. … Wat zeg je? Weet je dat heel zeker Jan? Herhaal dat nog een keer alsjeblief … Potverdikkie Jan, ja. … Ja, de jouwe moet dan wel in de explosie zijn verpulverd, kom morgen de paieren maar halen. Ik maak ze zo snel mogelijk in orde voor je. … Ja natuurlijk is het dan werk voor de verzekering, je bent toch verzekerd? … Okay. Nou hou je taai Jan, tot morgen.”
Rinus legde de hoorn neer en bevestigde dat het vrijwel zeker om de trekker van Jan moest gaan.
“Het schijnt in Zeeland zo te zijn dat ieder kenteken van een trekker bestaat uit twee letters en twee getallen. De letters geven de initialen van de eigenaar aan, de cijfers het aantal geregistreerde trekkers tot dan toe. Ik heb het Jan voor de zekerheid laten herhalen en tot tweemaal toe heeft hij foutloos opgelezen: MT 17!”
“Maar dan is dat zijn trekker helemaal niet Rinus. JR is heel wat anders dan MT. Dit wordt onderhand zo wel heel onoverzichtelijk hoor.”
“Integendeel Chef, dat MT van JR staat voor ‘mijn trekker’, Jan is direct na de kleuterschool toch van school gegaan?”
“Klopt”, bevestigde de Raaf, bij mij tekent Jan ook altijd met een kruisje de maandnota. Ik snap dat MT wel.”
“Tja, als je het zo stelt; dan hebben we het hier dus over de ramp met de MT17. Mijn hemel, als dit ooit bekend wordt in de media…”
“Duidelijk is dat we die aandacht hier niet kunnen gebruiken”, sprak de Raaf en nam een slok van zijn koffie toen de oude ebonieten telefoon luid op het bureau begon te rinkelen.

“Met Hollestelle, commissaris van politiepost Serooskerke, zegt u het maar. … Hé Pierre! … mannen het is Pierre!”
“Zet ‘m op speaker Chef!”, en Rinus haalde de oude wekkerradio waarvan de tijd al lang geleden was blijven stilstaan en schoof die over het bureau naar zijn Chef toe. Hollestelle legde de hoorn op de haak, maar wel pas nadat hij het toestel op de wekkerradio had gezet. Want zo lang was die tijd ook weer niet stil blijven staan. Luid en duidelijk kraakte Pierre door de kleine knusse politiepost in de polder.
“Ik sta hier in de file voor de grens van Slovenië! Het is een gekkenhuis hier!”
“Pierre, hoe is het gegaan? Heb je haar kunnen bemachtigen?”, vroeg Rinus met overslaande stem.
En Pierre deed op zijn onnavolgbare wijze verslag van zijn avontuur tot nu toe.
“En nou heb ik vertraging, want iedereen moet papieren laten zien. Vrijwel niemand mag er door. Dus ik vrees dat het nog even gaat duren en of ik haar veilig thuis kan fietsen blijft vooralsnog erg onzeker mensen. Ik…”, en toen verloren ze de rest van de zin in een enorm tumult, dat blijkbaar bij Pierre was ontstaan.
“Pierre, Pierre! Hoor je mij, over?”, verviel Hollestelle in zijn staande-bij-modus.
“Wat een kabaal daar zeg”, zei de Raaf ongerust.
“M’n fiets! Hoe is het met mijn fiets Pierre?!”
Er zat niets anders op dan heel veel geduld op te brengen, want ze hadden geen invloed op de gebeurtenissen aan de grens daar.
“Niet om het één of het ander, maar dat heeft die Pierre wel heel rap gefietst. De grens bij Slovenië zei ie toch?”, verwonderde de Raaf zich over het wel heel erg hoge fietstempo van Pierre.
Rinus verklaarde dat het wel om zijn dienstfiets ging en als de bandjes goed waren opgepompt; dan ging ie als de wind.
“Dat moet haast wel zeg.”
Het tumult nam af en Pierre werd weer meer verstaanbaar.
“Daar ben ik weer. Ik zit met een enorm probleem. Ik mag de grens niet over!”
“Maar je hebt toch paspoort van EU?”
“Ik heb alles door de plee moeten spoelen van de Nieuwe Toren, dat had ik jullie toch verteld?”
“Ook je paspoort?”
“Dat zeg ik toch. Ik ben nu naar een doodlopend parkeerterrein geleid en moet me melden bij de autoriteiten voor ondervraging. Maar volgens mij willen ze gewoon de fiets! Wat moet ik doen?”
Het was de mannen op het bureau duidelijk. Zonder camera was Pierre net zo kwetsbaar als ieder ander mens en ze zagen het somber in. Behalve Rinus, het ging per slot van rekening om zijn fiets.
“Pierre, doet het zwaailicht het nog?”
“Ja, dat denk ik wel. Hoezo Rinus?”
“Zie je ergens een gaatje waar je door zou kunnen ontsnappen?”
“Gaten genoeg Rinus. Alleen als ik daar door zou willen gaan, pakken ze me in no time op en dan blijft het niet bij ondervraging alleen vrees ik.”
“Pierre! Luister goed naar me. Du moment je het zwaailicht aanzet, staat de fiets in de gevaarlijk snelle stand ‘pursuit’. Iedere omwenteling van de pedalen wordt dan vertienvoudigd overgebracht op het achterwiel, ik zeg je Pierre; je zou ze er redelijk gemakkelijk uit kunnen fietsen.”
“Oh jee, daar komen de mannen met die petten. Okay Rinus, ik ga ervoor! Geronimooooooo!”
Een keiharde sirene klonk fel door het wekkerradiootje, gevolgd door gevaarlijk gegil en schoten, ze hoorden duidelijk doffe schoten!
“Fiets Pierre! Fiets!”, gilden de mannen nu alle drie om het hardst door de telefoon. “Fiets zoals je nog nooit hebt gefietst Pierre!”
Met een korte klik ging de sirene abrupt over in de ingesprektoon en de mannen werden gevangen in hun spanning en bleven naar de telefoon staren, hopend op een verlossend gerinkel.
“Verdorie, de lijn ligt eruit. Ik hoop toch zo dat ie het red”, zei Hollestelle bang dat Pierre niet had weten te ontsnappen.
“Misschien heeft hij geen bereik in Slovenië”, sprak de Raaf hoopvol.
“Hij had de fiets in ‘pursuit’, natuurlijk heeft ie het gered”, sprak Rinus meer zichzelf moed in.

“We kunnen toch ook verder met het onderzoek zonder die fiets?”, poogde de Raaf de te snijden spanning te doorbreken, want dit was gewoon niet gezond meer.
“Bam!”, sloeg Rinus woedend met vlakke hand zijn lege bekertje op het bureau plat. Zelfs Hollestelle schrok van zijn rechercheur, zo boos had hij Rinus nog niet zien worden.
“Als mijn fiets niet door die schoften gestolen was, dan was ik in een mum van tijd naar Koudekerke gereden en weer terug! Had ik Lonnie al veel eerder kunnen oppakken en was ik ruim op tijd weer terug geweest om Chef bij te staan om die schoften in te rekenen, lang voordat ze de boel hadden kunnen opblazen! Dus zeg niet, durf het niet te beweren; dat we het zonder mijn fiets ook wel af kunnen!”
Trillend zette de Raaf voorzichtig zijn bekertje naast de geplette van Rinus; in het volle besef dat zelfs een speld nu heel hard zou kunnen vallen.
“Rinus heeft gelijk de Raaf. Was de dienstfiets niet gejat, dan hadden we deze hele zaak al in een veel eerder stadium in de kiem kunnen smoren. We hebben het hier wel over een dienstfiets de Raaf.”
“Eh ja…, sorrie Rinus, ik wilde niet respectloos doen… ik wilde…”
Op dat moment rinkelde de telefoon weer luid door het bureau.
“Het is ge-lukt! Het is gelukt mannen! Ik ben de grens over!”
“Hoeraaaah!”, gilde Rinus nu verlost van de spanning en ook Hollestelle knikte tevreden de spanning van zich af en gaf de Raaf een knipoog, dat bij gebrek aan zijn wenkbrauwen zo ludiek overkwam dat de Raaf zenuwachtig de slappe lach kreeg. Zo slap dat nota bene Pierre hem tot de orde moet roepen, helemaal vanuit Slovenië.
“Stoppen nou de Raaf, ik kan bijna niet meer fietsen zo.”
“Sorrie Pierre, maar ik ben zo enorm opgelucht.”
“Wij allemaal Pierre, kan je al wat zeggen over je e.t.a.?”
“Ik ga nou de hele nacht in ‘pursuit’ doortrappen en hoop binnen 24 uur zo’n beetje bij de grens met België te kunnen komen. Alleen wil ik van jullie weten of dat verantwoord is.”
“Mijn fiets kan dat wel hebben Pierre. Dus wat dat aangaat zie ik, Rinus, geen probleem.”
“Als jij dat kan volhouden, zie ik ook geen probleem”, vulde de Raaf hem aan.
“Ik kijk net naar de verkeersberichten Pierre”, besloot Hollestelle, “buiten de stroom vluchtelingen om, moet je vanaf nu vrij baan hebben. Alleen België zou nog roet in het eten kunnen gooien, onze Zuiderburen hebben het niet zo op vluchtelingen zonder papieren. Bel als je daar problemen ondervindt, okay?”
“Dank mannen, ik ga dan als de wind! Dit was PierRRe le Frost voor Omroep Zeeland in nauwe samenwerking met politiepost Serooskerke, overrrrr en uit!”
“Over en uit Pierre, over en uit. Veel succes!”
“Als de wind Pierre, als de wind!”, waarna Hollestelle de verbinding verbrak en uitgeput ineen zakte.

“Ik ben bekaf mannen!”
“Zo, anders ik wel”, zuchtte de Raaf.
“Ik kan niet wachten op m’n fiets”, en Rinus keek nog even vertederd naar de geopende pagina van Marktplaats dat ‘verkocht’ vermeldde. Maar ook Rinus was moe van deze wel heel lange dag en sloot het scherm waarna een nog niet eerder gelezen berichtje op popte.
“Chef! Ik weet weer een punt van het schoolbord!”
“Heu?”, reageerde Hollestelle loom, zich meer verheugend op zijn bed.
“AZC Chef! We hebben toestemming tot tentzoeking bij het A.Z.C. gekregen!”
De Raaf keek op zijn horloge en schrok van het al late uur.
“Hemeltje, is al zo laat?”
“Geweldig nieuws Rinus, noteer het alsjeblief meteen onder punt vijf. Stel je voor dat we dit nog langer over het hoofd zouden zien.”

5. A.Z.C. tentzoeking akkoord!

“Zo, die staat Chef!”. en nadat Rinus wat oude boterhammen onder de deur van het magazijn had geschoven, gingen ze na de post afgesloten te hebben op huis aan. Stil namen ze afscheid van elkaar op het Kerkplein. Het licht ging aan in de slagerij en de Raaf begon met het vullen van een emmer sop. Hij was ook moe, maar morgen zouden de eerste klanten alweer aan de deur staan. Rinus liep achterom zijn kleine achtertuin binnen en schrok geeneens meer van die alsmaar hoger wordende stapel leesmappen. Morgen zou hij de Raaf daar op aanspreken, gezien alle gebeurtenissen de meest logische aanpak en viel op de bank beneden al in slaap.
Hollestelle parkeerde zijn fiets in het schuurtje en ging via de keukendeur naar binnen en zette een pannetje melk op de stoof. Snel pakte hij een verfrissende douche en schoot in zijn pyjama. In de keuken mengde hij de pure cacao met de net niet kokende melk en deed er nog een flinke scheut cognac bij. Hij probeerde op de trap iets van een planning voor morgen te maken, maar verder dan opstaan en het water opzetten, kwam hij niet. Op bed merkte hij pas hoe moe zijn voeten waren en nog geeneens halverwege de mok warme chocomelk viel ook hij als een blok in slaap.

De rij van het AZC bleef gestaag groeien en niet wetende wat verder te doen, ging Molly samen met haar lotgenoten achterin de rij staan. Voetje voor voetje schuifelde ze zo tussen allemaal vreemd sprekende mensen wil- en doelloos mee. Hoe kort had haar nieuwe geluk geduurd? In haar beleving een heel mensenleven, maar oh wat was dat toch snel, gewelddadig vooral, geëindigd. De hele middag had ze door de akkers en weilanden gelopen en zich uit pure armoede aangesloten bij een groepje van twee die gelijk haarzelf ook compleet in de war waren. Met handen en voeten had ze duidelijk gemaakt dat ze op de vlucht was geslagen voor die grote boem.
“Ah boom! Yes, very, very scary.”, had rechterhand als enige even met haar gesproken en hun hele verdere vlucht was in wanhopige stilte verlopen.
“Name?”, vroeg de klerk van dienst in de receptietent.
“Molly.”
“Where you come from Molly?
“I fell from the sky.”
Gewend aan de meest absurde antwoorden, vulde de klerk het registratieformulier in en legde die op de stapel van de dag. Wel had hij nog ‘oorlogsslachtoffer‘ aangevinkt, want in zijn ogen hoefde je geen psychiater te zijn om te zien dat Molly zwaar getraumatiseerd was.
Molly werd begeleid naar de vrouwentent voor speciale gevallen en kreeg een bed toegewezen. Eenmaal onder de wol waagde ze het om haar hand te openen, ze rook aan de klei vermengd met eiwit en dacht aan Artan. Snel sloot ze weer stijf haar hand want die klei was het laatste wat er nog over was van haar geliefde en daar zou ze nooit meer afstand van kunnen doen. Licht snikkend viel Molly sterk woelend in een rusteloze slaap, die maar duurde en duurde.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *