Moord in Serooskerke II ‘friet met stoofvlees’

Moord in Serooskerke II ‘friet met stoofvlees’

Hoofdstuk XII

 

friet met stoofvlees

 

“Zo, de koffie was heerlijk zoals altijd Rinus. Maar het lijkt me nu de hoogste tijd geworden, dat we die pennelikker eens met een bezoekje gaan verrassen.”
Ze trokken hun jas aan en bij gebrek aan een extra fiets, besloten ze de benenwagen te nemen. Op het Kerkplein kwamen ze de Raaf tegen, die net bezig was het lijk van zijn bagagedrager te tillen.
“Wat krijgen we nou de Raaf?”, hield Rinus de deur voor hem open.
Ook Hollestelle haastte zich om de deur van de koelcel te openen, opdat de Raaf in één loop de volle zak op de hak- en snijtafel kon leggen.
“We hebben een tweede lijk mannen.”
“Wel verdomme! Ik dacht toch echt dat we van die schoften verlost waren!”
“Deze komt vers van het A.Z.C., volgens mij staat deze helemaal los van de Albanese connectie. Tenminste volgens Pennelikker, hij stelt zich nog steeds eigenwijs voor als Knepenel, is dit een random vluchteling die de tocht alsnog niet heeft weten te overleven. Maar hij moet het zeker weten en dus kan ik deze wel declareren.”
Zo babbelend ritste hij de zak open en ontdeed het lijk van de overheidszak.
“Wat een ellende, dit is nog maar een kind.”
“Tja, juist de kinderen worden de dupe van de stroom. Nou, laten we maar beginnen met…”, en de Raaf sneed routineus het bevlekte t-shirtje in de lengterichting open en ze staarden naar een licht zwarte tattoe van die inmiddels gevreesde vlag van Albanië.
“Verdomme! Dit had ik niet verwacht”, hapte de Raaf naar adem.

“Gaat het de Raaf?”
“Oh jawel hoor, ik kan er inmiddels beter mee omgaan nu ik jullie mijn geheim heb toevertrouwd. En toch doet dat teken me wat. Deze stond pas aan het begin van zijn loopbaan als ik naar de mate van zwart kijk, wat een verspilling toch.”
“Maar”, zei Rinus kijkend naar de overleden jongen, “is deze niet extreem wit? Het lijkt wel of al het bloed uit zijn lichaam is gelopen.”
“Halal?’, vroeg Hollestelle gemeend actueel geïnteresseerd, “hij ziet er net zo uit als die eerste moord! Alsjeblief de Raaf, we hebben toch niet met een tweede voorbeeld te maken?”
Het lijk werd op zijn buik gedraaid, maar nergens zagen ze het zo gevreesde ‘shembull’.
“Nee, ik zie niks, jullie?”
“Nee, maar wat is dat in zijn bilnaad?”
“Verrek ja, wat is dat nou?”
Met de grote pincet klemde de Raaf het door Hollestelle scherp opgemerkte corpus alienum stevig vast en met een lichtelijk stevig rukje trok hij een verwrongen stuk metaal uit de bilnaad van de ongelukkige. Na het geronnen bloed er afgespoeld te hebben, liet hij deze in de roestvrij stalen kom vallen. In de kom staarden ze naar de letters MT.
“Potverdrie, het is het missende deel van het kenteken van de trekker van Jan!”
“Dat verklaart meteen de kleur Rinus. De plaat moet een ader hebben geraakt en de jongen is heel langzaam dood gebloed. Hij heeft er niks van gemerkt en dat is een geluk bij dit ongeluk, het was een zachte dood.”
“Dus geen moord?”
“In ieder geval niet met voorbedachte rade.”
“Pfoeh, dat is een pak van mijn hart. Dus wat is jouw praktische theorie de Raaf?”
“Ik heb meer tijd nodig.”
Secuur begon de Raaf nu zijn handschoenen aan te trekken en knoopte een monddoekje voor en reikte naar pen en papier.
“Tegen het einde van de middag hoop ik het rapport voor die Pennelikker klaar te hebben. Ik zal dan een kopij hiervan langs brengen op het bureau, uurtje of vijf?”
“Prima de Raaf. Dan gaan Rinus en ik nu naar het AZC. Tot vanmiddag.”

Molly zat snikkend in een hoekje van de ronde tent heel erg ongelukkig te wezen. Het besef dat ze Artan nimmer meer kon vasthouden, gaf haar onbeschrijfelijk veel hartzeer en de tentoverste had haar even apart gezet om de rust niet te verstoren. De tentoverste zat tegen haar limiet, het menselijk leed was haar niet in de kouwe rokken gaan zitten en ze liep haastig naar buiten om even op adem te komen. Bij buitenkomst liep ze tegen rechterhand aan en excuseerde zich. Rechterhand mompelde iets onverstaanbaars en liep achter haar rug om de tent voor de speciale gevallen in en zag Molly in het hoekje zitten grienen.
“Molly? Je kent mij niet. Maar ik ben de rechterhand van Artan.”
Verbaasd hoopvol keek Molly omhoog, “de…, de rechterhand van… Artan?”
“Ja. Net voor zijn overlijden heeft hij mij gepromoveerd tot rechterhand en als zodanig voel ik me verantwoordelijk voor jouw welbevinden.”
“Molly luisterde niet meer en klemde zich met alles wat ze had aan hem vast, “een hele rechterhand! Oh Artan, ik laat je nooit meer los!”
Rechterhand wist even niet hoe hij het had. Duidelijk was dat ze zich wel heel permanent aan zijn hand had vastgeklampt. Snel maalde hij hoe nu verder en kwam tot de conclusie dat ze naar huis moesten, terug naar Tirana. Maar hoe?
“Molly! We hebben een plek nodig waar we onze terugreis in alle rust kunnen plannen. Ik ben hier onbekend en hoewel ik de rechterhand ben, vraag ik je toch of jij een plek weet.”
Gefixeerd op dit nog enig overgebleven lichaamsdeel van haar geliefde stond ze op, zwaaide een tentflap opzij en liep hand in hand met rechterhand het maisveld in. Met haar blik dof, doch gefocust, richting Koudekerke.
De tentoverste kwam de tent weer in en merkte dat Molly niet meer in haar hoekje zat. Molly was verdwenen en ze dankte de Heer, want het leek er zowaar op; dat Hij haar gebeden had beantwoord. Met hernieuwde energie begon ze het veldbed te verschonen voor de volgende, die hopelijk heel lang op zich zou laten wachten.

“Politie! Wij hebben bevel tot Tentzoeking!”, duwde Hollestelle het bevel onder de neus van Pennelikker. “Rinus, neem die stapel van de afgelopen week in beslag!”
“Zeg ho eens even, dat kunnen jullie niet maken hoor.”
“En of we dit kunnen maken Knepenel, of moet ik Pennelikker zeggen!”
Rik schrok van deze ontmanteling van zijn nieuwe identiteit en uit angst dat dit verder bekend zou worden, wees hij drie stapels aan. “Dat zijn de registratieformulieren van de afgelopen week. De rest is eerder al op transport naar Den Haag gezet voor verdere verwerking.”
“Meer dan dat hebben we niet nodig. Rinus? Neem mee!”
“Maar, dan heb ik helemaal niks meer te doen? Zo kunnen jullie me toch niet achterlaten? Als mijn meerdere merkt, dat ik hier niks te doen heb; dan word ik overgeplaatst naar Ter Apel! Alsjeblief toch, doe me dit niet aan. Ik ben op m’n best bij opvang in onze regio.”
Rinus liep met de enorme stapels papierwerk de tent uit en Hollestelle wees naar het bosje Big-pennen en zei: “likken jij!”, en volgde Rinus zonder verder nog een woord vuil te maken aan Pennelikker. Als Hollestelle ergens een hekel aan had, dan was het wel aan pennelikkers. Snel griste Rik een nieuwe Big-pen uit het bosje en stak deze geconcentreerd in zijn mond. Dat maakte hem opmerkelijk snel weer rustig; wetende dat hij ondanks de gedane Tentzoeking nog altijd dat kon blijven doen; waar hij goed in was. Bovendien kwam de klerk aangelopen met alweer een nieuwe stapel, die voor zijn neus werd neergezet.
“Het houdt maar niet op Rik. Maar gelukkig zie ik dat je die enorme achterstand hebt weten weg te werken. Heel goed van je.”
Rik keek op en nam het compliment met een tevreden glimlach in ontvangst, werk zat gelukkig. Niks geen ter Apel voor hem.

Ze zaten beiden aan het bureau, doch konden elkaar niet zien door de in beslag genomen hoeveelheid registratieformulieren. Onder een vers bekertje koffie waren ze naarstig begonnen de formulieren te ordenen. Links legden ze de niet ter zake doende registraties tegen de radiator onder het raam op de grond. En rechts hadden ze gereserveerd voor die formulieren die Albanië vermeldden, dan wel die formulieren die wellicht iets, dan wel zijdelings, te maken konden hebben met de afgelopen ontwikkelingen. De stapel links groeide en groeide, doch rechts bleef leeg. Na een kwartiertje werken, hadden ze zich het vluchtig scannen zo eigen gemaakt; dat de stapel op het bureau nu zienderogen aan het slinken was. Tegen het einde van de middag konden ze elkaar weer in de ogen kijken en vonden ze dat ze recht hadden op koffiepauze.
“Doe mij er dan ook maar eentje”, hoorden ze de Raaf zeggen, die wapperend met zijn beloofde kopij binnen kwam lopen.
“Alsjullieblieft! Mijn rapport die ik zojuist op de post naar het ministerie heb gedaan.”
Ze roerden in hun bekertje en lazen, ondanks hun pauze, het rapport van de Raaf.

PA formulier standaard     d.d. na het holst van de nacht

N.A.W- gegevens: MT17: Miroslav van Tirana, slechts 17 jaren jong.
(identificatie op basis van pasje in kontzak, in bijlage de vingerafdrukken ter verificatie)

eerste indruk van het slachtoffer:
Jong slachtoffer, lijkwit.
tweede indruk van het slachtoffer:
tattoe licht zwart van vlag Albanië. Vrijwel zeker een laag geplaatste crimineel.
indruk achteraf:
In bilnaad oorzaak van fatale bloeding; deel kenteken met letters MT, overeenkomend met de bij de verschrikkelijke explosie gevonden cijfers 17.
Bijzonderheden en conclusie:
Het geheel doet eng veel denken aan een geluk bij een ongeluk. Het slachtoffer moet ongemerkt zijn doodgebloed in zijn slaap, ergens in het midden van de nacht. Vrijwel zeker kan gesteld worden; dat door genoemde explosie dit missende deel van de kentekenplaat van de trekker van Jan zich in de bilnaad van het slachtoffer geboemerangd moet hebben, met zo een vaart bovendien; dat de klap van de explosie hoogst waarschijnlijk het enige is dat hij heeft gemerkt. Moord lijkt vrijwel zeker te kunnen worden uitgesloten. Het is derhalve mijn professionele mening; dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van domme pech, uiterst domme pech.

Naar eer en geweten opgetekend d.d. vroeg in de ochtend,

gewaarmerkt door
de Raaf, PA zonder papieren.

“Dus toch geen moord?”
“Nee, voor 99.99% niet.”
“Dit is wederom een bijzonder helder rapport de Raaf, dank. We kunnen dit overlijden in ieder geval uitsluiten als zijnde moedwillig. Hoewel de Albanese connectie wel helder blijkt uit je rapport.”
“Ja Chef, maar gelukkig hoeven we daar geen energie in te steken. We hebben alles nodig om door die papierberg te komen.”
“Dan kunnen jullie alle hulp gebruiken”, en de Raaf stroopte zijn mouwen op en likte zijn wijsvinger en nam een formulier van de stapel. Zwijgend volgden Rinus en Hollestelle zijn voorbeeld en zagen, na een tijdje scannen; nu ook zelf het einde van de stapel langzaam, maar desalniettemin nu afzienbaar voor de zondag, naderen.

“Bingo Chef!”, doorbrak Rinus het saaie papierwerk. “Ik heb hier ene Artan, from Albania!”
“Neeeee!”, klapte de Raaf steil achterover schuimbekend op de grond.
“Snel Rinus, de Raaf heeft een ernstig insult. Snel! Klem wat tussen z’n tanden voordat ie z’n eigen tong afbijt! Hij moet die Artan kennen uit zijn verleden! Kan niet anders!”
In de haast griste Rinus de bordenwisser vanachter hem uit de goot van het schoolbord en duwde deze met ferme kracht tussen de klapperende kaken van de Raaf. Het effect was zo mogelijk nog meer luguber dan het schuim zelf. In een wolk van snel repeterend opwellend krijtstof lag de Raaf gevaarlijk te kronkelen, maar in ieder geval kon ie zo z’n eigen tong er niet meer afbijten.
Het duurde slechts een minuut of zo, maar het leek wel uren. En toen ging ook nog de telefoon op het bureau rinkelen. Lonnie begon daar bovenop ook nog eens van de honger op de deur van het nagazijn te bonzen. Alsof de situatie al niet chaotisch genoeg was?
Rinus had het niet meer en keek in paniek naar zijn baas. Hollestelle keek, geheel tegen de geest van de ontstane situatie in, rustig naar de wijzers van de klok. Als Hoofdcommissaris wist hij inmiddels dat de tijd aan zijn kant zou staan, geduld was nodig nu, en beheersing. Rinus keek in bewondering naar zijn Chef en ging, ondanks de chaos, weer zitten. Hij vertrouwde blind op zijn Chef. Opeens kwam de Raaf tot rust. Na nog wat kleine stuiptrekkingen in de vorm van licht pulserende wolkjes krijt was het nu alleen de telefoon nog die om aandacht vroeg. Lonnie werd genegeerd en Hollestelle nam op.

“Met mij, Pierre! Zeg, ik sta hier bij de grens ter hoogte van Sas van Gent, en nou zie ik toch hier een onvervalst  Vlaams fietkot. Wat dachten jullie ervan dat ik verse friet meebreng, om de terugkomst van de fiets van Rinus te vieren?”
“Prima idee Pierre! Prima idee, we kunnen wel wat hartigs gebruiken hier. Hoe is het met je en hoe laat denk je hier aan te komen?”
“Moe, ben nog nooit zo moe geweest. Maar ik ruik de stal! Eenmaal over de grens kan ik weer in de pursuit-stand verder. Dan is het slechts nog een kwestie van de tunnel door en linksaf! Ik verwacht echt wel zo rond etenstijd aan te komen. Hoeveel porties?”
“Vier, met veel mayo Pierre. Ik zit hier met Rinus en de Raaf, hoewel de Raaf er nu even voor spek en bonen bij is gaan liggen.”
“Spek? Friet met spek? Ik dacht zelf eerder aan stoofvlees?”
“Ja, natuurlijk Pierre. Stoofvlees klinkt perfect! Lekker!”
“Okay, tot etenstijd dan. Waar zitten jullie, in het café of de slagerij?”
“Gewoon op het bureau Pierre, veel ontwikkelingen hier.”
“Ik kan niet wachten, ‘k ben er zo!”
“Doe alsjeblieft voorzichtig Pierre en zet de sirene tijdig af hoor, denk aan je remmen.”
“Oh ja, goed idee. Ik ga nou betalen, tot strakjes.”
“Tot straks Pierre”, en Hollestelle legde met een brede grijns de hoorn neer.
“En?”, kon Rinus zijn geduld niet veel langer bewaren.
“Je fiets is tegen het eten weer thuis!”
“Halleluja! Hal-lee-loei-ja!!!”
“En dat is niet al Rinus. Pierre brengt Vlaamse friet mee, met stoofvlees!”
“Wel potverdikkie! Wat kan het leven toch mooi zijn Chef!”
Op de grond spuugde de Raaf hevig kuchend de wisser uit z’n mond en zei hees; met nu wel heel droge mond: “heb je ook een portie voor mij besteld? God weet dat ik daar nou wel aan toe ben!”

Nadat de Raaf even verbaasd naar die wisser had liggen kijken, krabbelde hij op en nam weer plaats aan het bureau.
“Ik had zeker weer een terugval?”
“Zo! En hoe de Raaf! Deze was wel heel heftig. Het is dat Chef zijn beheersing wist te bewaren, anders was je misschien wel voor het leven onverstaanbaar gebleven. Het was zijn idee; dat van die wisser.”
“Rinus, je doet jezelf te weinig eer aan. Het was Rinus zijn idee de Raaf, hij kwam met die wisser aanzetten.”
“Nou, in ieder geval heel erg bedankt mannen. Ik heb wat goed te maken en volgens mij kan ik dat. Ik weet wie die Artan is namelijk.
“Vertel de Raaf! Vertel!”
Rinus pakte ondertussen drie nieuwe bekers koffie uit de automaat en schopte ondertussen wat oude sneetjes brood onder de magazijndeur door. Achter de inmiddels fors geslonken stapel papierwerk en bekertjes koffie, begon de Raaf zijn relaas uiteen te zetten en meerdere puzzelstukjes vielen spontaan steeds meer op hun plek.

“Ik moet beginnen mij te verontschuldigen. Had ik jullie eerder over Artan verteld, dan hadden jullie meer dan waarschijnlijk veel eerder geweten wat te moeten doen. Ik weet namelijk wie Artan is, wat hij doet en vooral wat hij kan.”
“Maar waarom heb je ons dan dit niet eerder verteld de Raaf?”, vroeg Rinus in ongeloof. “Zeg je me nu dat we die diefstal van mijn fiets hadden kunnen voorkomen?”
“Rustig Rinus, geef hem wat meer ruimte. We luisteren de Raaf.”
“Dank je commissaris. Ik heb jullie wel eerder willen vertellen over Artan, maar kon het niet. Ik had hem blijkbaar helemaal verdrongen. Pas toen jij zijn naam riep, kwam het als een onaf latende rollercoaster weer bij mij naar boven.”
“Dus dit registratieformulier heeft je onbewuste geheugen getriggerd?”
“Dat moet haast wel Rinus. Artan is de allerhoogste baas van alle criminelen in Albanië! Zelf heb ik hem nooit ontmoet, gelukkig maar. Maar alles wat er aan criminele activiteiten werd ontplooid, werd ontplooid uit en in zijn naam. Zelfs de meest geharde zware jongens trilden als een rietje bij het horen van zijn naam.”
En de Raaf lichtte de mannen in aangaande alle bij hem bekende weetjes omtrent Artan, de gevreesde Albanees.
“Zijn meest gevreesde handelsmerk is…, het moorden met vleeshaken!”
“Potverdulleme de Raaf! We hebben een verdachte in beeld!”
“Ja, met zijn shembull weet Artan er al zijn hele lange criminele leven lang er dusdanig de wind onder te houden dat niemand, maar dan ook echt helemaal niemand, het waagt hem tegen te spreken. In korte tijd heeft hij zich zo opgewerkt tot de meest gevreesde crimineel op ons continent! En zelfs hier, in ons anders zo vredige Serooskerke, heeft hij het voor mekaar gekregen die weerzinwekkende Shembull tot uitvoer te brengen! Mannen; Artan is hier! Artan is in Zeeland! En niet dat ik jullie niet volledig vertrouw mannen; maar ik denk dat deze verdachte wel eens boven jullie pet zou kunnen zijn. Misschien is hulp van buitenaf niet zo onverstandig nu.”
“Zeg, ben je betoeterd de Raaf! Je hebt het hier wel tegen het rechercheteam dat Lonnie voor de tweede keer heeft weten op te bergen ja.”
“Dat ben ik met Rinus eens de Raaf. Want een derde kans krijg hij bij ons niet, eenmaal in het archief?”
“Dan blijf je in het archief!”, vulde Rinus zijn Chef trots aan.
“Je begrijpt dat wij geen hulp van buitenaf wensen de Raaf. Maar als ik het goed begrijp is het nu de hoogste tijd voor het schoolbord geworden. Rinus?”
“Ja Chef”, en Rinus pakte wisser van het bord en begon deze met stevige halen leeg te wissen.
“Ik kan nog niet beginnen Chef”, stond Rinus even later beteuterd met een nieuw krijtje klaar. “Dat gedoe met de Raaf heeft de wisser helemaal nat gemaakt en nu moeten we wachten totdat het bord droog is.”
“Geduld Rinus, geduld. Hebben we even alle tijd voor een vers kopje.”
Nadat het bord gedroogd was, begon Rinus eindelijk de nu bekende verdachten nauwkeurig in schoonschrift aan het bord toe te vertrouwen. Heel veel was in weinig tijd duidelijk geworden en nu konden ze zich eindelijk gaan concentreren op mogelijke daders. Eindelijk hadden ze personen in beeld in plaats van verwarrende ontwikkelingen.

1. Artan en zijn bende: verdachte nummer 1! Steelt trekkers en fietsen bij de vleet die hij in Albanië voor veel geld verkoopt. Artan moord bij het leven als iets hem niet zint. Artan is de man achter de gevreesde Shembull! Bende wel zeker heel actief alhier! Artan zelf ook!
2. Lonnie: zit veilig opgeborgen in het archief.
3. Molly, vooralsnog op vrije voeten.
4. rechterhand: hoort eigenlijk onder 1. Maar de Raaf zei zoek rechterhand, dan vind je Artan vanzelf.

“Kijk de Raaf, en beweer nou niet meer dat wij hulp van buiten nodig hebben. Prima werk Rinus. Het is heel duidelijk nu.”
“Maar Chef? Wat is nou de connectie van Lonnie en Molly in dit hele circus?”
“Dat weet ik ook nog niet Rinus. Maar geduld en we gaan het zeker en vast te weten komen!”
“Kunnen jullie dat secreet niet eens aan de tand gaan voelen?”, vroeg de Raaf.
“Hebben we al lang gedaan. Hoe smerig hij ook in mekaar zit als mens, van deze hele toestand heeft hij volgens ons geen weet. Molly daarentegen zou een heel ander verhaal kunnen zijn.”
“Eh Chef? Ik heb een mogelijke locatie van Artan?’, fluisterde Rinus zachtjes kijkend naar het registratieformulier. “Bunk 547, in het A.Z.C.!”
“Oh jongens, ik ga niet mee hoor”, begon de Raaf met beven.
“Rustig de Raaf. Laten we het eerst telefonisch proberen”, en Hollestelle draaide het telefoonnummer van het AZC. Rinus zag de Raaf zitten met beide handen voor zijn oren; dat al snel loos alarm bleek.
“Hij zit er niet meer. Hij heeft slechts één nacht in de tent geslapen en heeft zich sindsdien niet meer gemeld. Bunk 547 is bovendien nu vergeven aan een andere vluchteling en die komt niet uit Albanië zo is mij verzekerd. Kortom, hij moet zich elders schuilhouden. Tenminste, als ie dat nog kan…”
“Hoe bedoelt U Chef?”
“Ben je die enorme boem nu al vergeten Rinus? Voor zover we nu weten, is de kans redelijk groot dat alle bendeleden zijn omgekomen in de explosie. Alhoewel we nu ook weten; dat er tenminste eentje het overleefd heeft. Hoewel die ook op later tijdstip het loodje heeft moeten leggen. Ik denk dat we de stapel af moeten maken.”
Daar was iedereen het mee eens en na nog driemaal ‘bingo!’, hadden ze de hele stapel weggewerkt. De mannen staarden op vier overgebleven registratieformulieren van het AZC.
“Kijk mannen. De stempeldatum van Artan is van ‘voor’ de explosie. Die andere drie zijn van ‘na’ de explosie!”
“Inderdaad Chef, heel scherp!”
“Potver en nog wat dubbeltjes Hollestelle, je hebt gelijk! En die van na de explosie zijn van twee mannen, uit Albanië! En van een vrouw…, lees ik dat nou goed?”, en de Raaf wees naar de naamsgegevens.
“Molly!”, zeiden ze tegelijk en vanuit het archief klonk een wanhopige echo lamenterend na.
“Ja, ik zie het Chef. Ik zie het nou duidelijk! Van de twee mannen is er eentje overleden, kijk maar; daar staat duidelijk Miroslav van Tirana!”
“Daar heb ik vandaag nog sectie op gepleegd! Wat een toeval!”
“Geen toeval de Raaf, gewoon degelijk politiewerk. Dus we weten nu dat er nog zeker één bendelid hier los rond moet lopen, al dan niet in het gezelschap van die Artan. Maar wat doet die Molly dan in Godsnaam in het AZC?”
Rinus greep naar de telefoon en belde op zijn beurt naar het AZC.
“Dank u wel, nee u bent meer dan behulpzaam geweest. Dit scheelt ons weer een mogelijk overbodige rit.”
“Wat zeiden ze Rinus?”
“We hoeven niet zelf naar het AZC Chef. Molly is gelijktijdig met die bendeleden aangekomen! Ze was zwaar getraumatiseerd en zat onder de klei en rotte eieren. Miroslav is dood, maar dat andere lid heette…, potdomme het staat hier gewoon op het formulier! Rechterhand!”
“Nou ja zeg!”
“Okay, Rinus wij kennen Molly als geen ander. Wat denk jij dat zij hier mee te naken heeft?”
“Ik denk volgens mij precies wat U denkt Chef.”
Hollestelle stond op en zette tussen haakjes bij punt 3 op het bord:

3. Molly, vooralsnog op vrije voeten. (is hier mogelijk sprake van vrijersvoeten?)

Rinus begon te klappen en de Raaf werd snel ingelicht over hoe zij tot deze heldere vraagstelling waren gekomen.
“Ik denk dat ik voor mijn werk zonder papieren ook zo’n bord ga aanschaffen zeg; er valt steeds meer op z’n plek!”
“Inderdaad de Raaf, dit bord is nu zeker wel een meer dan geniale zet van Chef gebleken. Die Molly toch; het zal toch niet zeg!?”
“Dat weten we nog niet Rinus. Laten we geen voorbarige conclusies trekken. Maar interessant is het zeker wel. Want bedenk haar passie voor eieren, ze zat onder eiwit en kei…”
“Ze was erbij! Ze was ook bij de explosie?!”
“Mannen”, zei de Raaf nu veel meer ontspannen achterover hangend in zijn stoel met zijn handen nonchalant in de nek; “wat een enorme vooruitgang hebben jullie geboekt en dat op de dag van de Heer.”
“We, de Raaf, ‘we’ hebben vooruitgang geboekt en inderdaad….”
Hollestelle werd onderbroken door een heel hard onophoudelijk getingel buiten op straat. Ze keken door het raam naar buiten en daar stond Pierre met hele brede grijs op de oprit. In zijn linkerhand een grote zak met friet en met zijn rechter stak hij dolblij een hele dikke rechterduim omhoog.
“M’n FIETS!”, en Rinus stoof naar buiten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.