Moord in Serooskerke II ‘murder for seel’

Moord in Serooskerke II ‘murder for seel’

Hoofdstuk XIII

Meat_Hook

 

“Hier”, zei Molly in het donkere huisje rijp voor de sloop, “hier kunnen we veilig slapen.”
Rechterhand probeerde zich los te maken van Molly, maar die liet niet los. Ze wees naar de oude stompen kaarsvet en gebaarde dat hij ze moest aansteken. Even later zaten ze op een doorgezakte bank onder kaarslicht en Molly keek naar de inmiddels gevoelloze rechterhand van rechterhand. Teder aaide ze zijn hand en zei dat ze niet kon wachten om eindelijk thuis te komen. Ineens was Molly een spraakwaterval geworden van jewelste. Ze vertelde honderduit hoe ze zo naar dat nieuwe kippenhok verlangde en dat ze samen oud zouden worden en kinderen, minimaal negen kinderen wilde ze. Rechterhand zat haar stom van verbazing aan te kijken. Hoe nu, kon ze zo vol leven zitten? Vooral nadat ze net haar grote liefde zo dramatisch was verloren? Maar rechterhand was moe, niet in de laatste plaats van haar geratel. Toen Molly voor hun derde zoon namen aan het verzinnen was, werd het hem te machtig en viel hij in slaap.

Pierre werd uitbundig binnen gehaald en kreeg als eerste verse koffie. Rinus had permissie van zijn Chef gekregen de fiets binnen in de gang te stallen en was daar voorlopig niet uit te krijgen.
Onder de friet met stoofvlees vertelde Pierre honderduit over de succesvolle tocht. Op hun beurt stelden Hollestelle en de Raaf hem op de hoogte van alle ontwikkelingen. Na een uur waren ze allemaal van alle wederzijdse ontwikkelingen op de hoogte en kwam uiteindelijk ook Rinus er weer bij.
“Zo, m’n fiets heeft er echt onder geleden hoor. De bandjes zijn finaal plat gereden en met alleen nieuwe remblokjes ga ik het niet redden. De arme klauwtjes zijn voor meer dan de helft weggesleten.”
“Morgen breng je haar naar de fietsenmaker Rinus, voor een hele grote beurt, okay?”, stelde Hollestelle zijn bezorgde rechercheur gerust.
“Mag ik haar nu dan door de wasstraat gaan halen Chef?”
“De eerste de beste wasstraat is bijna in Middelburg Rinus. Nee, geen sprake van Rinus. Dat is veels te gevaarlijk en trouwens het is al donker buiten.”
“Mag ik haar dan met de hand gaan wassen Chef?”
“Doe wat je niet laten kunt Rinus, maar blijf staande bij.”
“Natuurlijk Chef!”, en na de friet liep Rinus met emmer en zeem de gang in om zijn geliefde fiets schoon te gaan wrijven op de oprit van het bureau. Even later vond ook de Raaf het wel welletjes en Pierre was natuurlijk helemaal toe aan een frisse douche en een bed. Onder de inmiddels met autoshampoo doordrenkte oprit spraken ze af elkaar de volgende dag te contacten. Nadat de Raaf en Pierre de straat uit waren, stond Hollestelle toe dat Rinus zijn fiets liet drogen in de hal. Maar toen Rinus met de turtle-wax onder zijn arm weer de gang in wou lopen, werd het de hoofdcommissaris iets te veel. Rinus werd kordaat gewezen op het volle bureaublad.
“Rinus, zo is het wel welletjes. Het is per slot van rekening nog altijd wel een politiebureau hier. We hebben politiewerk te doen!”
“U heeft gelijk Chef. Ik wilde haar zo snel mogelijk weer laten glimmen ziet u. Ik ben zo enorm blij dat ik mijn fiets weer terug heb, dat ik bijna onze plicht zou verzaken.”
“Dat is niet erg Rinus. Ik hoop alleen dat, als ik me even laat gaan; jij me net zo weet terecht te wijzen.”
Nadat ze het plastic van het feestmaal hadden opgeruimd, namen ze weer plaats aan het bureau en keken naar de registratieformulieren onder de vetvlekken.

Rechterhand werd wakker van een sterk prikkelende getintel in zijn rechterhand. Molly lag half tegen hem aan, met haar hoofd achterover op de vergane leuning zo hard te snurken; dat hij zich erover verwonderde dat hij daar niet wakker van was geworden. In haar slaap had ze uiteindelijk zijn hand losgelaten en daar kwam nu langzaam weer wat kleur en leven in. Hij wist bovendien meteen wat te doen door het hazenslaapje en belde in de keuken naar huis, opdat hij Molly niet zou wekken.

“Zoals ik er nu naar kijk Rinus, zoeken we de rechterhand van Artan. Hebben we die, dan hebben we Artan. Hoewel de kans dat Artan nog leeft klein kan worden geacht, is het wel zeker dat er één Albanees de explosie heeft overleefd. Nou we Lonnie hebben weten te archiveren, hebben we nog immer toch met een niet opgeloste moord te maken.”
“Als de fietsenmaker snel is, kan ik morgen nog alle mogelijke schuilplekken afrijden Chef.”
“Ik gok zelf als eerste op het AZC Rinus. Dat Artan daar niet meer zit, hoeft niet te betekenen dat niemand daar meer zit.”
“Nou, het was anders druk zat hoor.”
“Jaja, ik bedoel die Albanees Rinus. En Molly.”
“Denkt u dat ze echt vrijersvoeten heeft Chef?”
“Je kent haar antecedenten Rinus. We weten dat ze daar aan is gekomen met twee Albanezen, waarvan er eentje in de koeling bij de Raaf ligt.”
“Zou Molly dan wat met die rechterhand van Artan hebben Chef?”, vroeg Rinus nu even helemaal niet meer denkend aan z’n fiets.
“Dat zou me niets verbazen Rinus!”
“Dan bel ik ze toch nog een keer op Chef.”
Na een kort gesprek legde Rinus weer neer en bevestigde de mogelijke lokatie voor morgen. Het AZC had zojuist het verblijf van Molly en rechterhand bevestigd.
“Volgens de dienstdoende klerk is Molly opgenomen in de tent voor speciale gevallen Chef. En rechterhand is tot nu toe ook nog niet uitgecheckt!”
“Rinus, dit kan niet wachten tot morgen vrees ik.”
“Ik hoopte al dat u dat zou zeggen Chef”, en Rinus trok zijn jas al aan.

In de receptie werd hen de weg gewezen naar die van de speciale gevallen; waar ze werden ontvangen door de tentoverste. De tentoverste liet hen een leeg bed zien met de mededeling dat Molly verdwenen was. En dat ze de kans heel klein inschatte dat ze ooit nog terug zou komen. Snel beenden ze over het terrein naar de tent waar rechterhand in moest liggen. Maar ook daar kwamen ze van zo’n kouwe kermis thuis. Op de weg terug konden ze niets anders concluderen; dan dat ze te laat waren.
“Uw theorie van die vrijersvoetjes gaat steeds plausibeler klinken Chef. Het is wel heel toevallig dat ze allebei niet hebben uitgecheckt en helemaal dat ze allebei verdwenen zijn.”
“Ik ben ook bang dat ze een nieuwe lover heeft gevonden Rinus. En we weten allebei hoe dat de laatste keer is afgelopen.”
“Denkt u dan werkelijk dat Molly nog een gevaar is Chef? We hebben Lonnie toch al?”
“Weet je Rinus, hoe langer ik erover denk, des te meer bekruipt me het gevoel van die twee honden.”
“Twee honden Chef?”
“Ja.”
“Oh u bedoelt die twee die spelen om dat been? … Maar dan moet er nog een derde zijn? Chef! Het zal toch niet?!”
“Nee Rinus, die bedoel ik niet. Waar er twee spelen, hebben er twee schuld.”
“Maar dat waren toch die twee die aan het kijven waren Chef?”
Hollestelle hield even in en haalde een paar keer diep adem.
“Ik weet niet precies meer hoe ik het moet zeggen Rinus, ik ben moe.”
“Ik ook Chef. Hoog tijd dat we naar bed gaan.”
“Goed idee. Was het bureau al op slot?”, hervatte Hollestelle weer zijn pas.
“Ja Chef, we kunnen meteen op huis aan. Maar nog even over die honden Chef…”

In het keukentje kreeg rechterhand verbinding.
“Met Seel.”
“Geachte heer Menger, ik ben het.”
“Wie is ik?”
“Ik, de rechterhand van Artan. Ik moet vreselijk nieuws brengen.”
“Oh, doe dat dan maar gewoon over de telefoon.”
“Artan is dood. En de rest van de crew is overleden in een verschrikkelijke explosie. De trekker is weg, niets meer van over.”
“Dus waarom bel je mij precies?”
“Ik wil naar huis.”
“Geen sprake van. Zonder trekker kom je er niet in. Dat weet je net zo goed als ik. En nu ik je toch heb, ook zonder fiets niet. Luister heel goed naar wat ik je nu zeg en bel me pas als je daar mee klaar bent. En oh ja, deze zaak heeft mijn prioriteit!”

Eenmaal thuis in zijn villa merkte Pierre pas echt hoe vreselijk moe hij was. Kreunend en steunend liep hij de trap op en trapte onderweg zijn renners-schoentjes van zich af. Achteraf had hij spijt dat hij die fiets meteen had afgeleverd. Dat laatste stuk lopen naar huis op die gladde zooltjes hadden hem definitief genekt. Maar hij had het gered! Helemaal leeg, maar toch met een tevreden gevoel, trok hij zijn zwarte tricot uit en deed in de badkamer zijn handschoentjes uit. Met zijn laatste krachten zette hij het badkamerkrukje in de douchecel. Zittend douchen zou ie nog net weten te redden. En dan zonder z’n haren te kammen zou ie naar bed gaan, om een gat in de komende dagen te slapen. Na het strakke coureursbroekje afgerold te hebben, was hij eindelijk klaar voor die lang gewenste douche. Voorzichtig ging hij zitten en wilde net de mengkraan opendraaien, toen ie verging van de pijn. De pijn was zo ondraaglijk, dat hij gewoonweg niet normaal kon gaan zitten. Hoewel hij moe was, was hij nog helder van geest en besefte dat zijn zitvlak niet meer berekend was op een gangbaar zitgedeelte.
“Ook dat nog, heb ik last van een vals plat”, zuchtte hij en liep naar beneden. Moedeloos liep Pierre in zijn nakie het grind op naar de schuur. Om snel met fiets en al weer naar boven te gaan. Zwaar hijgend parkeerde hij de fiets onder de douche en met een zucht van opperste verlichting liet hij zich op het zadel zakken en draaide de kraan open. Heel even voelde hij zich weer iets van dat haantje en droogde zich af. In een nieuw gestreken flanellen pyjama rolde hij zijn bed in. De lakens roken naar pas gewassen en als laatste deed hij het licht uit. Vrijwel meteen was hij vertrokken naar dromenland. Zo snel dat hij niet meer het tuinlicht van de bewegingsmelder aan zag springen. En al helemaal hoorde hij niet het grind steeds harder gaan knerpen; dat pas onder zijn slaapkamerraam stopte.

Rechterhand had Pierre verwonderd gadegeslagen; toen hij daar zo in zijn nakie met fiets en al zijn villa in liep. In de bosjes had hij gewacht, omdat Seel hem simpelweg geen keus had gegeven. Nadat hij het slaapkamerlicht uit had zien gaan, was hij uit de bosjes tevoorschijn gekomen. Via het rozenrek aan de gevel was hij naar het op een kier slaande slaapkamerraam geklommen. Heel zachtjes had hij zich onder het omhoog geduwde raam over de vensterbank gehesen. Brutaal had hij het nachtlampje van Pierre aangeklikt en de beroemde reporter nog heel even aangestaard. Hij dacht aan Seel en voordat hij het zelf in de gaten had, liep hij alweer naar het huisje rijp voor de sloop. Hij had het nachtlampje van Pierre aangelaten toen hij de vleeshaak door zijn strot had geslagen. Heel even had Pierre nog gerocheld, maar niet zo dat de dorpse rust werd verstoord. Dat zou binnenkort wel anders zijn, dacht hij bij binnenkomst.
“Schatje? Ben jij dat?”, hoorde hij Molly slaperig vragen.
“Ik ben het, rechterhand”, antwoordde hij toen hij weer op de bank naast haar ging zitten. Molly klemde zich weer om zijn rechterhand en die viel veel eerder in slaap dan rechterhand zelf.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.