Moord in Serooskerke II ‘Seel Team Serooskerke’

Moord in Serooskerke II ‘Seel Team Serooskerke’

Hoofdstuk XVII

gezichtscamo

Rinus stond met z’n fiets in alle vroegte voor de gesloten werkplaats van Kievit. De rolluiken waren nog helemaal dicht, dus belde hij aan bij de voordeur. Door het spionnetje klonk een gedempt: “goedemorgen. Ik ben gesloten. Ga weg!”
“Kievit, ik ben het; Rinus. Ik kom voor m’n nieuwe remmen.”
“Ik ben dicht Rinus. Heb je de courant niet gelezen?”
“Ja, maar je hebt me gisteren beloofd, dat je m’n nieuwe remmen erop zou zetten Kievit.”
“Veels te gevaarlijk nu. Ik kom de deur niet uit.”
“Verdorie Kievit. Je kan toch wel heel even eruit? Ik blijf er toch al die tijd bij?”
“Nee. Veels te gevaarlijk en ik vind dat je nu al te veel aandacht trekt. Ga naar huis”, en het schuifje van het spionnetje werd resoluut dicht geschoven. Er zat niets anders op dan onder deze zondagse dag en dauw al op het bureau te gaan zitten. Rinus wist dat Kievit dermate eigenwijs was, dat hij zelfs voor een peloton niet open zou doen. Dus liep hij over de vandaag nog meer uitgestorven straten van Serooskerke naar het bureau. Ergens had hij wel begrip voor de situatie en was ook wel blij; dat iedereen de Algemene Bekendmaking zo ter harte had genomen. Zo zeer dat hij op de oprit van het bureau pas merkte, dat ie nog geen enkele haan had horen kraaien. Zachtjes liep zijn eerste bekertje koffie vol; toen hij Lonnie en nu ook Molly, één voor één liet toiletteren. Na de stoelgang schoof hij een oud halfje wit onder de deur door. Hierna belde hij de Raaf, die alert opnam en gaf hem routineuze toiletteer-instructies en benadrukte om niet die paar oude sneetjes brood te vergeten.
“Ik heb geen brood Rinus; alleen wat slachtafval in de container buiten.”
“Ook goed. Zo lang het maar onder de deur past de Raaf. Rustige dienst.”
“Insgelijks Rinus, jullie ook.”
Het was doodstil op het bureau. Zelfs de vogeltjes buiten kwetterden niet, hoewel de dag toch mooi zonnig leek te gaan aanvangen. Hij voelde de spanning toenemen en besloot zijn revolver te gaan smeren. Niets moest aan het toeval worden overgelaten. Na de demontage, knoopte hij een oude theedoek voor en blind zette hij de geoliede onderdelen weer in elkaar. De wekkerradio gaf ruim twintig minuten en een beetje aan. Hij besefte dat dat echt sneller moest en demonteerde weer zonder theedoek zijn dienstwapen om een tweede poging met te wagen. Net toen hij bij de zoveelste poging op maximaal dertien minuten was gekomen, liep Hollestelle binnen met een oude schoenendoos.

De voorgaande nacht had Seel het dorp verkend door zijn nachtkijker. Het donker van de nacht had hij gebruikt, om zijn tactische plan ten uitvoer te kunnen gaan brengen. Nadat hij de boerderij van Jan Ruigrok had verlaten, had hij vanaf de dikste tak in de oude kastanjeboom naast de kerk; Rinus zien aanbellen bij de lokale fietsenmaker. Hij maakte zich op voor zijn eerste voorbeeld en tuurde gespannen door zijn kijker van zijn sniper-geweer met lasergeleiding. Hij testte de laser even en zag duidelijk een fel rood puntje op de dakgoot van Kievit. Om Rinus niet wijzer te maken dan ie al was, zou ie dan op het laatste moment de laser weer aanzetten. Precies wanneer de voordeur open zou gaan, zou hij een groot kaliber tussen de ogen schieten. De tijd voor vleeshaken was over, die van de fatale schoten stond op het punt van beginnen. Gespannen wachtte hij af en merkte tot zijn grote teleurstelling; dat de bevolking blijkbaar al geattendeerd was op zijn komst. De deur bleef dicht en Rinus fietste op zijn gemak weg. Dit waren toch formidabelere tegenstanders dan hij had verwacht. Voordat de zon door de takken zou schijnen, liet hij zich in camouflagebepakking zakken op de grond en sloop heimelijk weg. Verscholen in bosschages aan de rand van het dorp, zou hij onzichtbaar het donker afwachten. Natuurlijk had hij Rinus gemakkelijk kunnen afknallen. Maar hier was een geolied politieapparaat aan het werk, dat in één keer uitgeschakeld moest worden; wilde hij een kans hebben op crimineel succes. Hij kroop door het weiland in tijgersluipgang verder. En je hoefde geeneens zo heel goed te kijken; om het enorme hoofd langzaam in de bosjes langs de Zeedijk zien te verdwijnen. Ware het niet dat de bevolking de Algemene Bekendmaking zich zeer ter harte bleek te hebben genomen.

“Wat is dat Chef?”
“Wat zeg ik nou altijd Rinus?”
“Oh ja, sorry Chef. Koffie?”
“Ja, lekker. Dit, mijn beste, is mijn schoenendoos en die zullen we heel had nodig hebben.”
Rinus gaf Hollenstelle zijn koffie aan en keek niets begrijpend naar de potten smeersel en ouwe lappen.
“Camouflage Rinus! Camouflage! Wat denk jij? Dat we zomaar zonder enig smeersel onopvallend kunnen patrouilleren?”
“Daar heb ik helemaal niet bij stil gestaan Chef. Goed dat u daaraan hebt gedacht. Maar wacht eens even…”, en Rinus bukte zich om de oude gordijnen van het gesloopte pand op te pakken. “Als we hier nou eens stroken stof uitknippen Chef en deze op onze overjas naaien?”
“Uitstekend idee Rinus!”, en Hollestelle pakte twee grote papierscharen uit de la en de mannen begonnen at random lapjes stof uit de oude gordijnen te knippen. Na de twee gordijnen finaal aan stukjes te hebben geknipt, begonnen ze fraaie camouflagepatronen te maken, doch naald en draad behoorde niet tot de standaard kantooruitrusting van het bureau.
“Bel de Raaf Rinus, misschien dat hij heeft liggen.”
Naald en draad had de Raaf zeker op voorraad en met permissie van de agenten, zou hij deze in de loop van de ochtend langs komen brengen. Ook wierp hij zich op om mee te helpen naaien en of ze nog wat lapjes voor hem over hadden.
“Hij komt in de loop van de ochtend langs Chef.”
“Prima Rinus, dan moet ik nu de pastoor nog inlichten en dan denk ik dat we er alles aan gedaan hebben tot nu toe. Ik ga even. Blijf jij bij de telefoon en wees alert Rinus.”
“Doe ik Chef, wees voorzichtig.”

In de kerk zat de oude dorpspastoor, niets vermoedend van alle wereldlijke problemen om hem heen, achter het orgel. De pastoor was al ver in de tachtig. Bij gebrek aan een opvolger zou hij doorgaan totdat de Here hem zou roepen. In alle vroegte was hij gewoontegetrouw naar zijn kerk gegaan en had zich enigszins verbaasd over de afwezigheid van Jan Ruigrok. Jan was op zondag altijd ruim voor de pastoor aanwezig; om de klokken te luiden voor de zondagsmis. Maar deze ochtend was het doodstil geweest toen hij naar de kerk liep. Vertrouwend op de kerkse trouw van zijn parochie, had hij de kaarsen alleen aangestoken en was hij vast begonnen met orgelspelen. Eerst heel zachtjes, om bij ieder nieuw stuk wat meer gas te geven. Ondertussen zou zijn kerk dan langzaam vollopen en zou hij het orgelvolume evenredig met de toename van het geroezemoes opendraaien; om rond de klok van tien de pijpen maximaal te laten blazen. Ondertussen liet hij zijn nieuw preek, waar hij de hele week aan had gewerkt, over en over in zijn hoofd afspelen. Dit deed hij al sinds jaar en dag en hij zag geen reden hiervan af te wijken.
In 1953 was hij als jongeling begonnen en had hij ook als enige de mis weten te volbrengen. Toen de dijk van de haven op doorbreken stond, had hij geweigerd het orgel te verlaten. Zelfs in het wassende water was hij blijven spelen, tot het echt niet meer kon. In de kerktoren had hij zijn preek gehouden en had geweigerd in de helikopter te stappen; die tijdens de dienst af en aan vloog. Dus een dienst zonder zijn klokkenluider was een sinecure en vol goede moed speelde hij zijn ziel en zaligheid uit, niet merkende dat de kerk leeg bleef. Om vijf over tien was hij gestopt en had hij zijn preek op de kansel erbij gepakt. Hij staarde in een lege kerk, doch plichtsgetrouw begon hij aan zijn preek die begon met zeven zondes.
Tijdens de vijfde liep Hollestelle de kerk binnen en liep naar het kansel. De oude pastoor zag de commissaris naderen en onderbrak voor even zijn preek om Hollestelle een figuurlijke draai om zijn oren te geven.
“Je bent laat Hollestelle! Dit vindt de Heer zeker en vast niet goed. Ga snel zitten want ik heb nog genoeg te preken.”
“Meneer Pastoor, ik kom U waarschuwen voor…”
“Daar heeft de Heer op deze dag geen enkele boodschap aan Hollestelle. Ga zitten en hou je mond.”
De pastoor gaf Hollestelle geen enkele keus. Er zat niets anders op dan de hele preek uit te zitten, in de hoop dat de Heer daarna wel genegen zou zijn naar hem te luisteren.
“Zo ware helpe ons Serooskerke Gods… almachtig!”, besloot de pastoor zijn stevige preek van meer dan een uur. En ging weer achter het orgel zitten om de parochianen rustig gelegenheid te geven huiswaarts te keren onder vrome tonen. Hollestelle nam naast hem plaats en met quatre-mains begon hij de oude pastoor in te lichten.
“Het lijkt mij dan ook beter dat U naar huis gaat meneer Pastoor.”
“Geen sprake van! In tijden van nood zal ik de kerk nimmer verlaten. Iemand moet Gods huis open kunnen doen; voor hen die het nodig hebben. Ik begrijp je zorgen. Maar richt je liever op die duivel van een crimineel. Dan zal ik je helpen door te bidden. Gaat heen Hollestelle, bestrijdt de vermenigvuldiging van het kwaad en ga met God.”
Er zat voor Hollestelle niets anders op dan houvast in het geloof te vinden en hij verliet de kerk, doch niet zonder de deur stevig dicht te duwen. Op het Kerkplein kwam hij de Raaf tegen en liep samen met hem op naar het bureau.

“Ik heb hechtnaalden en meters hechtdraad bij de commissaris. Wat voor een t-shirt goed genoeg is, moet voor camouflage zeker kunnen niet?”
“Dat denk ik ook de Raaf”, en op de oprit stond Rinus al te wachten met zijn turtle-wax.
“En Chef?’, vroeg hij hoopgevend.
“Vooruit Rinus, het zal goed zijn even de zinnen te verzetten. Mag ik je helpen?”
“Ik ben niet zo van het poetsen heren. Maar ben een kei in naaien, mag ik dat?”
De agenten wisten hoe keurig de Raaf de kleding van slachtoffers na zijn PA-onderzoek wist te herstellen. Dus waren ze maar al te blij met zijn voorstel.
“We hebben de lappen al in het gewenste patroon gelegd, dus als je zou willen? Heel graag.”
In het zonnetje gingen Hollestelle en Rinus aan de slag met de turtle-wax op de oprit en de Raaf met zijn ding. Toen de dienstfiets weer blonk als een goudhaantje, parkeerden ze deze in de hal en zagen dat de Raaf hun jassen al af had. Bovendien was hij al aan de zijne bezig. Terwijl Rinus voor de koffie zorgde, stikte de Raaf zijn jas af en keken ze naar de nu vrijwel onzichtbare overjassen.
“Je moet echt heel goed kijken Chef.”
“Het is dat het nog licht is de Raaf, maar ik geloof zowaar dat we in het donker vrijwel onzichtbaar zullen zijn. Prima werk!”
Na de koffie hernam de Raaf zijn post bij zijn magazijn en probeerden Rinus en Hollestelle stiekem wat uiltjes te knappen. Ze moesten fit zijn voor de nacht en in het zonnetje dommelden ze af en toe weg, om halverwege de middag met hun hoofd op het bureau in slaap te vallen. Zoals iedere Serooskerker al heel vroeg op de schoobankjes had geleerd. De rest van de zondag verliep, buiten af toe een crescendo van het orgel in de kerk, rustig en stil, heel stil. En tegen vijven was zelfs de pastoor weggedommeld.

“BOEM!” Een enorme explosie, die aan kracht van die eerdere niets tekort deed, schudde de mannen op het bureau hard wakker. De drukgolf denderde door de verlate straten waarna de pastoor intensief begon te bidden.
“Chef! Een explosie!”
“Ik hoorde het Rinus! Het kwam van daar!” En Hollestelle wees naar het raam in de richting van de boerderij van Jan Ruigrok, waar zo’n verschrikkelijke paddenstoel de lucht fel deed oplichten.
“Pak je fiets Rinus! Ga er snel heen en rapporteer zo snel mogelijk terug. Ik ga naar het Kerkplein om te zien of meneer Pastoor en de Raaf in orde zijn, alsook de rest van onze inwoners.”
Rinus zette zijn fiets in de pursuit-stand en vloog de straat uit. Hij keek een kleine halve minuut later vanaf de dijk naar een enorme krater, terwijl Hollestelle de kerk in vloog om te zien dat de pastoor druk in gebed was. Het erf van Ruigrok was compleet verdwenen en daar in de smeulende rook viel de achterdeur uit de sponning. Vrouw Ruigrok kwam huilend uit de gescheurde gevel vallen en bleef roerloos liggen. Rinus gooide zijn fiets in de berm en balanceerde zo snel mogelijk rondom de grillige kraterrand en bukte zich bij de arme vrouw.
“Wat is er gebeurd vrouw Ruigrok en waar is Jan?”
Met horten en stoten vertelde ze dat gisteren een gloednieuwe trekker was geleverd. De verzekering had dankzij zijn officiële document alles uitgekeerd. Hoewel ze wisten dat het erg gevaarlijk buiten kon zijn, wilde Jan heel eventjes, nog net voor het eten, zijn nieuwe trekker starten. En daar was hij mee bezig toen zij de piepers op het vuur zette. Het gaspitje sprong aan en ook de trekker sprong in de lucht.
“Met mijn Jan, Rinus! Met… mijn… Jan…”, en haar ogen rolden weg, toen ze haar laatste adem uitblies. De Ruigroks waren niet meer en Rinus nam vrouw Ruikrok in zijn armen en begon heel hard tegen die paddenstoel “neeeeeeee!” te gillen. “Neeeee! Verdomme! Neeeee!”

Het magazijndeur van het bureau werd open geschoten en na de klap keken Lonnie en Molly verbaasd in een enorm hoofd dat om rechterhand gilde.
“Die zit hier niet”, zei Molly, “die wordt elders vastgehouden.”
“Waar is elders?”
“Dat weten we niet.”
Na een vloek verdween het hoofd weer spoorloos en Lonnie en Molly bedachten zich geen moment. Ze zetten het op een rennen zo hard als ze konden, de weilanden in.

Geschrokken tuurde de Raaf door zijn vitrine, waar hij Hollestelle op zich af zag komen lopen. Hij stak zijn duim op ten teken dat alles in orde was en Hollestelle beantwoorde die met de zijne en rende heel hard terug naar het bureau. Zo op het eerste zicht leek het dorp onbeschadigd. Maar alleen God en Rinus wisten hoe dat aan de rand zou zijn.
In de gang van het bureau opende hij de wapenkast en haalde er twee hagelgeweren uit met een paar dozen aan patronen. Beide geweren werden als in een droom geladen en klaar gelegd op het bureau. Eentje voor hem en eentje voor Rinus. Hij had een onvoorstelbaar verontrustend voorgevoel; dat die explosie niet per ongeluk was gebeurd. Pas toen zag hij de aan stukken geschoten deur van het magazijn.
“Verdomme!”, en na het zien van het verlaten magazijn, volgde nog een tweede krachtterm.
Rinus kwam buiten adem het bureau inrennen en rapporteerde zijn zojuist geconstateerde bevindingen.
“Wel potver, verdul, G… verdomme Rinus! Het was een afleidingsexplosie! Lonnie en Molly zijn ontsnapt! Hij staat met 1-0 voor. Het hoofd van die criminele organisatie is hier en wij hebben hem gemist! We waren niet alert genoeg!”
“Verdorie Chef! We waren ook te laat voor die arme Jan en vrouw. Net nu ie weer een beetje opgeknapt was…”
“We moeten de overjassen aan Rinus en hier; deze pot met schoensmeer is voor jou. Het gaat er nu om spannen! Dus we moeten kalmeren Rinus, we moeten kalm blijven! Er komt altijd een moment in strijd, dat je die kan beslissen in je voordeel. En die mogen, moeten, kunnen wij niet missen!”
“U bedoelt koffie Chef?
“Precies Rinus, drie klontjes deze keer!”
Rustig roerden ze in hun bekertje in voorbereiding op wat komen zou.
“Hij kwam hier voor rechterhand Chef.”
“Gelukkig zit die veilig in het magazijn van de Raaf.”
“Dan staat het nu 1-1 Chef!”
“Je hebt gelijk Rinus, we staan helemaal niet achter. Zie je wel dat die koffie goed doet?”
Kalm smeerde Hollestelle zijn linker gelaat vol met een halve pot zwarte schoensmeer. Rinus volgde het voorbeeld van zijn Chef en toen de lege bekertjes in de vuilnisemmer werden gegooid, zaten ze diep zwart geschminkt aan het bureau hun wapens keer na keer uit mekaar te halen, om deze blind weer in mekaar te zetten.
“Anderhalve minuut Chef! We zijn er klaar voor.”
“En of we dat zijn Rinus!”
Ze trokken hun overjas met de lappen camouflerende stof aan, gooiden het jachtgeweer om de schouder en staken hun dienstpistool losjes in de broekband, klaar voor gebruik. De zon was net onder toen ze de straat op gingen. Vastberaden hun dorp te beschermen en volledig bereid hun leven daarvoor te geven. Als er ooit in Nederland een Navy Seal team was, waar je op kon bouwen; dan was het wel dit Seel Team van Serooskerke!

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *