Moord in Serooskerke II ‘wakker worden op Zondag’

Moord in Serooskerke II ‘wakker worden op Zondag’

Hoofdstuk XI

kerk-page-001

 

De zondagse rust in Serooskerke is nog immer heilig, zo ook deze zondag. De dorpelingen zaten net na de koffie al trouw in de bankjes voor de dienst van 10:00 hr. in de grote kerk. Helemaal achteraan schoot de Raaf net op tijd binnen om achter de grote pilaar in het laatste lege lege bankje te schuiven. Daar zaten ze gewoonlijk alle drie. Uit het zicht van de voorganger; opdat knappende uiltjes niet opgemerkt konden worden. Maar deze zondag zat de Raaf helemaal alleen. Hij tuurde de volle kerkbankjes af, maar nergens zag hij Rinus, noch Hollestelle. De organist was al aan het spelen tussen het geroezemoes in de bankjes door. Maar meer tijd dan dat om zich over deze onverwachte absenties te verbazen kreeg hij niet. De kleine hechte kerkgemeenschap stond als één man op en begon uit volle borst het aanvangslied te zingen. De dienst duurde deze zondag ongewoon lang, de voorganger raakte niet uitgepraat over de toorn van God en dat vanaf nu iedereen de collecte weer serieus moest gaan nemen want; “hoeveel kraters moet de Here nog slaan, om U te doordringen van Uw zonde?”

Na de meer dan indrukwekkende dienst stroomde de kerk leeg en ook de Raaf liep met een hoofd vol geperst met zonde met de kop zwaar voorover gebogen terug naar de slagerij. Tenminste dat was ie gewoon, maar deze zondag liet hij zijn slagerij links liggen en liep direct naar het bureau. Als enige reden van absentie kon hij namelijk verzinnen dat er nieuwe ontwikkelingen waren, maar even later stond hij voor de hermetisch afgesloten politiepost. Dit was hoogst ongebruikelijk en ondanks zijn puzzeltalent kon hij deze missende stukjes niet plaatsen en besloot verder naar het kleine huisje van Rinus te lopen. De gordijnen van Rinus waren niet toe dus hij moest wel al wakker zijn. Maar op het tuinpad zag hij Rinus op de bank van de voorkamer liggen. De schrik sloeg hem om het hart, het zou toch niet dat…? En in paniek begon hij op het raam te bonzen: “Rinus? Rinus? Leef je nog?”

Pierre slalomde handig tussen de verschillende slierten vluchtelingen door en had er nu de vaart meer dan hard in zitten. De Alpen waren lastig geweest in het donker, maar in de afdaling naar de Maasvallei had hij zich enorm verbaasd over hoe snel die fiets van Rinus wel niet kon gaan. Meer dan eens schoot het door zijn gedacht; dat die 10.000 eigenlijk achteraf gewoon een koopje was, want wat een geweldige fiets was dit. Met dank aan de open grenzen en de dienstfiets naderde hij, met onmetelijke snelheid welhaast, de grens van België. In het zicht van die overgang moest hij voor het eerst sinds Slovenië vol in de remmen. De kleine remblokjes waren hier nauwelijks tot niet tegen bestand en zwaar rokend begon hij langzaam zijn enorme vaart te minderen. De laatste meters zagen er absoluut spectaculair uit. Tussen de zwarte rookpluimen begonnen grote vonken te schieten. Hier en daar bleek het rubber volledig weggebrand en met metaal op metaal geknepen, kwam Pierre in een wolk van vonkenregen luid knerpend uiteindelijk tot een volledige stilstand. Precies 37,53 cm voor de Rijkswacht wist Pierre zijn evenwicht koelbloedig in surplace te bewaren. De Rijkswacht stond met vooruitgestrekte en opgeheven arm midden op de weg, met gevaar voor eigen leven, een stopteken uit te beelden.

Rondom het bed van Molly stond inderhaast opgetrommeld medisch personeel zich te verwonderen over haar ziektebeeld. Molly zelf lag nog in diepe rust, maar bij het eerste zonlicht had de tentoverste alarm geslagen.
“Ziet u nu wat ik bedoel?”
“Inderdaad, dit is hoogst besmettelijk, de hele tent moet ontruimd worden.”
“Daar hebben we wel de toestemming van hogerhand voor nodig.”
“Wie is die hogere hand hier?”
“Dat is de heer Knepenel. Als het goed is, kunt U hem vinden in de voorraadruimte achterin de receptietent.”
“Maar wacht eens even, misschien is dit helemaal niet nodig. Kijk”, zei de overste terwijl ze een tentflap omhoog rolde. Het stralende zonlicht viel over het besmeurde bed van Molly en wat eerst bruin oogde, zag er nu veel donkerder uit, bijna zwart.
“Mijn hemel, dat kind moet aan het einde van haar Latijn zijn!”
“Ja, maar ruik eens; dit is niet je gangbare buikloop.”
En inderdaad, de arts boog voorzichtig achter zijn monddoekje naar de besmeurde lakens van Molly. In de nacht had ze zo liggen woelen dat het enige dat ze nog had van Artan, nu helemaal uitgesmeerd over haar lakens lag.
“Maar, dit ruikt naar…”
“Rotte eieren!”, en de tentoverste kneep haar neus dicht.
“En klei?”, verwonderde de arts zich over deze niet eerder beschreven unieke buikloopvorm. “Dit is helemaal geen buikloop, dit is… tja, wat weet ik eigenlijk niet.”

Rinus schrok wakker van het gebons op de ramen en viel met zijn verkeerde been van de bank. “Wat krijgen we nou, de Raaf?”
Even later stond de Raaf in de woning van Rinus en zettn een lekkere kop koffie voor de rechercheur om wakker te worden.
“Julie waren niet bij de dienst, dus ik maakte me zorgen.”
“Hoe laat is het eigenlijk?”
“Het is al na elven Rinus.”
“Jeetje de Raaf, ik heb me verslapen!”
“Gelukkig maar Rinus. Even dacht ik het ergste, trouwens je Chef was er ook niet.”
“Chef? Niet in de kerk?”, het klonk net zo ongeloofwaardig als zijn eigen absentie. Maar ze waren dan ook niet eerder zo uitgeput naar huis gegaan. “Maar was jij dan niet moe de Raaf?”
“Jawel, maar jullie stonden gisteren wel recht in die explosie te kijken en volgens mij hebben jullie een chemisch goedje ingeademd dat extreme vermoeidheid veroorzaakt. Ik heb in mijn loopbaan dat meerdere keren meegemaakt, maar wees gerust; hoeveel vingers steek ik op?”
“Eh, drie?”
“Uitstekend Rinus, geen blijvende effecten gelukkig. En? Begin je je al weer bij de mensen te voelen?”
“Over onze mensen gesproken de Raaf, er ligt nog een hele stapel onbezorgde leesmappen in de achtertuin.”
“Oh, die wil ik wel even voor je bezorgen hoor. Maar waar is mijn fiets eigenlijk?”
“Die staat ook in de achtertuin de Raaf, als je dat zou willen doen; graag.”
“Natuurlijk Rinus, ga jij Hollestelle wakker maken, dan doe ik de ronde okay?”
“Eh? Wanneer kom je nou met je declaratie? Ik heb je daar al dagen niet over gehoord.”
“Rinus, in deze tijden zou het onmenselijk zijn om te gaan declareren. Ons dorp heeft getrild op haar grondvesten en de angst zit er nog stevig in. Zonder dorp, geen leven! Ik doe dit voor ons allemaal, net zoals jullie dit voor ons doen. Ik zal me later bij jullie voegen op het bureau, tabee Rinus!”
En de Raaf stapte de achtertuin in, bond de grote stapel leesmappen op de bagagedrager en tingelde als laatste zijn fietsbelletje; toen hij achter de schutting verdween.
Hij had gelijk, de Raaf was een rare soms. Maar hij had gelijk. Hij moest zijn Chef snel wakker gaan maken, ze moesten er bovenop blijven zitten.”

In de mannentent werd de rechterhand wakker van een hard ritsen. Hij keek naast zich en zag dat zijn enig overgebleven partner in crime werd dichtgeritst, in een body-bag!
“Nee! Laat hem los, hij heeft ook recht op asiel zoals wij allemaal!”, sprong rechterhand uit zijn veldbed. Onmiddellijk werd hij door twee stevige broeders in bedwang gebracht.
“Je vriend is in de nacht overleden door de ontberingen van de barre tocht. Niemand die daar nog iets aan kan doen. Het is Gods wil.”
Bij het horen van die hogere macht werd rechterhand helemaal hysterisch. Begrepen die mensen hier dan niet dat die God van hun hier helemaal niks mee van doen had? Nee, zijn trawant was vermoord! Dat kon niet anders.
“Ik eis een onderzoek. Ik eis dat de onderste steen boven gaat komen! Ik eis…”, hij voelde een scherpe prik en ineens voelde hij zich gekalmeerd.
“Natuurlijk zullen we een uitgebreid onderzoek laten doen. Hoe heette je vriend eigenlijk?”
“Miroslav, Miroslav van Tirana.”
“Leeftijd?”
“17, hij was pas 17!”
Met een permanent marker werd met grote hanenpoten MT17 op de zak gestift en werd het lijk afgevoerd. Rechterhand zag hem met lede ogen vertrekken uit de tent en kon niets anders dan berusten in het gegeven dat hij er nu helemaal alleen voor stond.
De lijkzak werd, uit het zicht, in de tent van afgifte goederen gelegd en Rik Knepenel a.k.a. de Pennelikker belde voor afhalen. Hij kreeg de voicemail van de Raaf en sprak in dat het lijk klaar was voor onderzoek en of hij deze zo spoedig mogelijk kon ophalen. Deze zaak had de hoogste urgentie voor Rik, want iedere asielzoeker minder in de statistieken was van enorm groot landsbelang; zo was hem meer dan eens op het hart gedrukt door zijn opdrachtgevers.

“Chef!”, gilde Rinus buiten op straat en gooide het zoveelste steentje tegen het slaapkamerraam, maar Chef gaf geen sjoege. Het zoveelste steentje gooide Rinus, doch deze keer nog harder en het kiezeltje vloog pardoes dwars door het slaapkamerruitje van Hollestelle. Met een plons belandde deze in de mok chocomelk op het nachtkastje van Kamiel, die van de plons abrupt wakker schrok. Een steen! Er was een steen door zijn ruit gegooid! Van alles flitste er door zijn hoofd en voorzichtig schoof hij het gordijntje opzij; een woedende menigte vrezend in zijn voortuintje.
“Sorrie Chef, mijn fout, sorrie!”, stond Rinus met zijn hand omhoog in welgemeende verontschuldiging.
“Rinus? Ben je gek geworden of zo? Enig idee hoe vroeg het wel niet is?”
“Noen Chef, het is net na de noen.”
“Wat?”, en Hollestelle rende naar beneden om zijn rechercheur binnen te laten.
“Heb ik de dienst gemist?”
“Ik ook Chef. Ik ben wakker gemaakt door de Raaf. Hoeveel vingers steek ik op Chef?”
“Ja, drie natuurlijk. Wat doe je toch raar Rinus.”
Rinus bracht zijn Chef up to date; dat het verslapen buiten hun wil om was gebeurd conform de plausibele theorie van de Raaf.
“Jemig Rinus, dit is zeer ongebruikelijk maar gelukkig verklaarbaar. Ik ga snel douchen, ga jij naar het bureau en geef dat secreet wat te eten en vergeet hem niet te toiletteren hoor je? Die explosie was al erg genoeg, meer luchtvervuiling kunnen we niet hebben.”
“Goed idee Chef, tot zo.”
“Tot zo Rinus.”

De laatste leesmappen duwde de Raaf met alle macht dubbel in het kleine postbusje. Het was hem bar tegengevallen, maar eindelijk had hij de achterstand in de leesmapliteratuur weg weten te werken. Tevreden stapte hij op zijn fiets toen zijn mobieltje begon te fluiten. Terwijl hij terug naar de slagerij fietste, luisterde hij het voicemail-bericht af. Op het kerkplein sloeg hij ineens rechtsaf, weg van de slagerij. Want hij moest aan het werk zonder papieren. En deze declaratie zou hij wel gaan peperen!

Op het bureau rinkelde de telefoon en Rinus duwde Lonnie weer snel het magazijn in.
“Met Rinus, hoofd recherche Serooskerke?”
“Awel, ge spreekt met d’n Leon, hoofd Rijksgrenswacht. Spreek ik met de eigenaar van die’n blauwe dienstvelo met dito zwaailicht?”
“Ja! Dat is mijn fiets! Jaja, daar spreekt U mee.”
“Die hebben wij in beslag moeten nemen.”
“Wat? Waarom?”
“Als ge in mijne schoenen had gestaan, dan haddege dat zeker en vast begrepen. Ik heb werkelijk doodsangsten uit gestaan zenne, doodsangsten. Dat vehikel is le-vens-ge-vaar-lijk! Tres dangereux!”
“Maar, dat is mijn dienstfiets Leon, mijn!”
“Daarom bel ik U persoonlijk zenne, ik begrijp hoe zeer dienstvoertuigen aan ons hart liggen. Maar ik heb genen keus hier. En ik lees hardop het keuringsrapport; ‘remblokjes totaal versleten en van enig profiel op de banden is helemaal geen sprake van’. Nee, dit voertuig hebben wij, net op tijd, van de weg gehaald.”
“En de chauffeur? Hoe is het met Pierre?”
“Awel, die ligt hier op het asfalt zijnen roes uit te slapen. Op de eerste vraag naar zijn papieren is die’n Ollander brutaal in slaap gevallen, in surplace zenne! Stelt U zich dat eens voor!”
“Ja, maar hij heeft de hele nacht gefietst Leon en het is van het allergrootste belang dat de fiets hier terugkomt.”
“Dat moge dan wel zo zijn, maar ons belang is de verkeersveiligheid in België en die is niet gebaat bij Uwen velo zenne.”
“Hoe kunnen we dit oplossen, ik bedoel ik hecht er echt heel veel waarde aan zoals U begrijpt.”
“Aan hoeveel waarde denkt Ge dan?”
“… Oh, U bedoelt in Euro?”
“Awel Ge weet dat we hier ook al enige tijd niet meer leven in de Frankskes toch?”
“Ik kan hier niet over beslissen, ik bedoel dat niet ik even zo maar…, oh hebt U even een moment geduld? Mijn Chef loopt net binnen.”
“Wij houden van schone zaken, natuurlijk.”
Rinus legde zijn hand op de hoorn en lichtte zijn Chef in over de grensperikelen met België. Hollestelle nam terstond de hoorn over en bulderde: “U spreekt met Hollestelle, Hoofdcommissaris van het district Serooskerke. Zeg, mijn rechercheur heeft die fiets hard nodig. Wie is je superieur? Die wil ik even aan de lijn.”
Den Leon sputterde boos tegen en begon in het Koeterwaals stevige termen te uiten. Wat Hollestelle wel niet dacht want hij, den Leon, was hier eigen baas!
“Dus over hoeveel spreken we dan? Ik bedoel onder tafel Leon.”
“Ah, ik ben blij dat Ge tot inkeer zeit gekomen. Zelf dacht ik aan driehonderd Euro.”
“Deal!”
“Ja, Ge kunt het inderdaad met i-deal betalen op mijnen private rekening. Als ik het bedrag zie, dan mag den velo, bij hoogste uitzondering, éénmalig België doorkruisen.”
“Als je even geduld hebt, dan maak ik het meteen over.”
“Schone zaken zenne, geen enkel probleem.”
Hollestelle gaf Rinus opdracht het bedrag terstond over te maken en vrij snel na de online overboeking met vlaggetje urgent, hoorde hij den Leon opgelucht zuchten.
“Dank commissaris, het is altijd schoon zaken doen met den Ollander. … Ja natuurlijk maak ik de chauffeur wakker, een rustige dienst zenne.”
“Ja jij ook Leon, merci.”
“Dank U  wel Chef!, maar hoe boeken wij deze onkosten af?”
“Onmogelijk Rinus. Die lui doen van alles buiten de boeken om en in het belang van de fiets durf ik ook wel een oogje toe te knijpen, we hadden simpelweg geen keus.”
Rinus werd gewoon weer vrolijk van de gulheid van zijn Chef en vervuld van trots dat Hollestelle zijn baas was, drukte hij op de automaat. “Koffie Chef?”
“Dat kunnen we wel gebruiken, ja; lekker.”

Den Leon klapte Pierre hard in het gelaat; die wakker schrok op het asfalt.
“Uwen velo!”
“Euh? Mag ik door?”
“Niet zonder éénmalig vignet zenne”, en den Leon pakte een hard kartonnetje waar hij met viltstift op schreef; ‘enkeltje Olland, den Leon.’ Vervolgens klemde hij het kartonnetje stevig tussen de spaken van de fiets van Rinus en fixeerde het met een degelijke wasknijper.
“Zo! Ge zijt klaar zenne en laten wij U hier nooit meer zien fietsen!”
“Dank je, dank je”, en Pierre zwaaide zijn been over het kleine zwaailicht.
“Maar Ge moet U wel aan den maximale snelheid houden zenne!”, gaf den Leon Pierre vast een beginnend zetje in de rug om de vaart er in te krijgen.
“Dat beloof ik, dank je wel!”, en Pierre fietste al ratelend de grens over en zette koers naar Vlaanderen.

Grensovergang

Molly schrok wakker en het eerste dat ze zag was Artan, volledig uitgesmeerd over haar bedje. De schok was te groot en na een door merg en been gaande hysterische kreet van “Neeeeee!!!‘, viel ze nu bewusteloos achterover in het haar toegewezen veldbed.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *