Moord in Serooskerke III, hoofdstuk I: Rinus die geen bladenman wilde zijn

Moord in Serooskerke III, hoofdstuk I: Rinus die geen bladenman wilde zijn

Hoofdstuk I     Rinus die geen bladenman wilde zijn

 

Na de brute moord van Tattoo Lonnie op Molly, was de rust wedergekeerd in de polder. Deze terugkeer voelde meer als vanouds aan, nu Molly niet meer was en Lonnie waarschijnlijk ook nooit meer zijn tronie zou laten zien op het eiland. Zonder hun oude tegenstanders, hoewel Rinus nog immer sprak van doorgeharde criminelen, zag de toekomst er net zo uit; als dat ie deed voor die eerste moord in Serooskerke. Hollestelle probeerde zich uitzonderlijk genoeg aan alle protocollen te houden, waar je je als commissaris van politie vandaag de dag maar aan hebt te houden. Tijd voor wat anders had hij derhalve niet meer. Anders dan Rinus, die zijn nevenactiviteit als bode van de dagbladen weer gedwongen en zeer tegen zijn zin had opgepikt.
Desondanks begon iedere dag zoals ze gewoon waren op het bureau met een heerlijk kopje koffie uit de automaat. De lopende zaken werden doorgenomen en eigenlijk werd het steeds vroeger, dat Rinus dan niks meer te doen had. Hollestelle weet het aan dit gebrek aan politiewerk, dat Rinus de laatste dagen zich anders was gaan gedragen. Hij hield zijn adjudant voor, dat een volgende spectaculaire moord niet meer in de lijn der verwachtingen lag. En dat zij daar met uitzonderlijk goed politiewerk aan hadden bijgedragen. Maar kennelijk was die tevredenheid van al die goede aflopen voor Rinus niet genoeg meer. Hij werd erg onrustig en viel op gegeven moment wel drie keer in het kwartier van zijn stoel af. Waarna de commissaris hem met klem had aangeraden om maar weer bladen te gaan bezorgen. Zo doende fietste Rinus nu iedere middag weer met dikke fietstassen door de polder en was er een fragiel evenwicht op het bureau bereikt. Hoewel in het achterhoofd van de commissaris nog immer een zacht stemmetje klonk, maar die weet het aan beroepsdeformatie. Want gezien zijn loopbaan was het niet gek dat zijn politioneel instinct eens wat ging haperen. In ieder geval leek Rinus het met moeite weliswaar maar desalniettemin, te accepteren; dat de hoogtijdagen van sensationeel speurwerk voorbij waren.
Het was echter op een woensdagmiddag bij de eerste vorst van het jaar, dat de Raaf kwam buurten op het bureau. Rinus was bladen aan het bezorgen, dus de Raaf ging in zijn stoel zitten en keek de commissaris indringend aan.
“Is er wat de Raaf?”
“Camiel”, sprak de Raaf de commissaris bij uitzondering met zijn voornaam aan; “hoe lang kennen we mekaar al?”
“Lang genoeg om te weten, dat je hier niet voor de gezelligheid zit de Raaf. Wat is er loos?”
“Nou, ik weet eigenlijk niet of ik het er met je over moet hebben. Maar ik loop er nou al een week mee.”
“Waarmee de Raaf?”
De Raaf begon weifelend uit het raam te staren. Hij had duidelijk moeite met wat hij de commissaris wilde zeggen.
“Het gaat om… het gaat om Rinus.”
“Rinus? Wat is er met Rinus?”
“Nou, is jou ook niks opgevallen aan onze Rinus? Ik bedoel niets spectaculairs of zo, maar meer een gevoel van.”
“Een gevoel van wat?”
“Ja, dat weet ik dus niet. Maar iets moet er zijn.”
De commissaris keek ook even uit het raam en zei toen al starende; “ik zal niet ontkennen dat Rinus het moeilijk heeft gehad de Raaf. Het is niet niks om als adjudant met zo’n staat van dienst nu hele dagen duimen te draaien. Vandaar dat ik hem aangeraden heb om weer bladen te gaan rondbrengen.”
“En daar ben ik je hartstikke dankbaar voor Hollestelle. Nooit geweten dat ik die folders zo had gemist. Dus jij denkt dat alles nou weer okay is met hem?”
“Heb jij dan aanleiding van niet?”
“Nou, gisteren bestelde ie … tofu!”
“Hè?”
“Precies, dat dacht ik ook. Rinus heeft nog nooit tofu besteld. Het spannendste dat ie ooit heeft besteld, is worst met tuinkruiden. De rest was altijd eerlijk vlees zonder toestanden. En nou tofu?”
“Ik begrijp je zorgen de Raaf. Maar misschien is het gewoon een fase?”
“Dat zal het zijn Hollestelle”, sprak de Raaf opgelucht en draaide zich om naar de koffieautomaat. “Nog eentje?”
“Nou, vooruit. Eentje dan.”

Halverwege het slingerende talud naast de Zeedijk kneep Rinus in de remmen. De stilte was overweldigend en dat was gek. Iedere dag kwam de hond namelijk luid blaffend van het erf van de Nooijer gerend, als ie nog bovenop de dijk fietste. Nu was ie al halverwege het talud en nog niks.
“Nero!”, riep Rinus, maar al dat hij hoorde was stilte. Hij zette zich weer in beweging en klemde het voorwiel van zijn fiets tussen de twee grote melkkannen langs de schuur, waaruit in de lente prachtig mooie viooltjes ontsproten.
“Nero? … De Nooijer?”, galmde het meerdere malen over het erf en Rinus liep achterom naar de keukendeur.
Daar stokte zijn adem. Het ruitje was niet alleen ingeslagen, maar dat daar aan de licht afbladerende deurpost moest wel een bloedvlek zijn.
“De Nooijer! Nero?”
Hij liep naar het raam en daar lag Nero, onder de tafel roerloos. Aan de tafel zelf zat de Nooijer en Rinus kon niets anders dan zich omdraaien in spontane walging en kotste hard en rauw zijn gehele maaginhoud eruit. Dit moest hij wel verkeerd hebben gezien, hield hij zichzelf voor en verder zodoende zichzelf moed inpratende.
“De Nooijer, ik heb je bladen hier”, riep hij zo hard mogelijk. De Nooijer zat aan tafel een paar meter van hem vandaan. Dus als ie ‘m nou niet hoorde? Ondanks deze wanhopige poging het onvermijdelijke te negeren, bleef het stil. En Rinus keek weer door het ingeslagen keukenraam. Hij had het toch echt goed gezien. Daar zat de Nooijer wel degelijk en uit zijn linkeroog stak iets, dat nog het meest op een winterpeen leek. De zwarte schroefdop aan het uiteinde verraadde echter anders en zachtjes duwde Rinus de keukendeur open met een rol reclamewerk om contaminatie te voorkomen. Want dat dit een plaats van misdaad was, kon niet anders.
Staande op de drempel kon Rinus een tweede kokhals niet onderdrukken. Het was dat zijn maag al leeg was, maar toch werd hij weer intens misselijk. Nu van het gezoem dat daar uit de doorboorde oogkas van de Nooijer leek te komen. Instinctief keek hij naar de grond, waar Nero voor vrijwel de helft gedecapiteerd dood lag te liggen.
“Verdomme de Nooijer kerel. Arme Nero”, wankelde Rinus weer het erf op.
Het terugwandelen naar zijn fiets leek wel een eeuwigheid te duren en de stilte in zijn oren bonkte als de meest verschrikkelijke herrie ooit. Verdoofd stapte hij op zijn fiets en eenmaal op de dijk, wist hij even niet meer waar hij nou naartoe moest fietsen. Links of rechts, het zou de arme drommels daar in de keuken om het even zijn. Gelukkig was Rinus politieman genoeg om te beseffen; dat ie onmiddellijk naar het bureau moest fietsen en de bladen de bladen te laten.

De Nooijer woonde sinds mensheugenis in de oude hoeve nagelaten door zijn ouders. Hij stond in het dorp bekend als een meer dan trouwe kerkganger. En hoewel er iets mis aan hem leek, maakte zijn kerkgang dat meer dan goed.
De Nooijer was nooit getrouwd geweest en zelfs het hebben van verkering was nooit aan hem besteed. Hij had altijd meer dan genoeg aan zijn Nero gehad als trouwe metgezel. En voor Nero waren het Cesar en Augustus geweest. Meer dan dat had de Nooijer nooit nodig gehad. De Nooijer oogde bovendien redelijk gelukkig, was goedlachs en altijd in voor een praatje. Het was een sterke man, zowel fysiek als in geloof, die nog echt middelbaar moest worden. De Nooijer was nog nooit een dag in zijn leven ziek geweest en 43 jaren telde hij slechts, toen Rinus hem levenloos aantrof aan de keukentafel met dat ding in zijn oog.
Steeds harder trapte Rinus en kwam slippend tot stilstand onder de carport van het bureau.

“Okay, geen woord hierover tegen Rinus”, maande Hollestelle de Raaf; toen de deur openvloog en Rinus buiten adem zowat naar binnen viel.
“”C … gh….  Chef!”, wist hij uit te brengen, voordat hij weer naar adem snakte.
“Rinus! Kerel? Wat is er met je aan de hand?”
“Chef! Het is de Nooijer Chef!”
“Hij is …”, en toen wist Rinus het niet meer en leek in katzwijm te vallen.
Snel stond de Raaf op en schoof zijn eigen stoel onder hem, voordat zijn knieën het zouden begeven. Zorgzaam schoof de Raaf Rinus aan, aan het bureau en zette een bekertje verse koffie voor hem neer. De heerlijke geur van gebrande bonen deed Rinus zichtbaar goed en hij begon te nippen.
“Drink eerst wat Rinus”, legde de Raaf zijn hand op de schouder van Rinus. “En vertel ons daarna eens in alle rust, wat er met de Nooijer aan de hand is.”
Het vergde een half bekertje eer Rinus zich weer enigszins had herpakt.
“De Nooijer. Ik kwam aan en het viel me meteen op dat Nero niet van het erf kwam. Ik heb m’n fiets geparkeerd tussen de melkbussen en …”
“Neem nog maar een slokje Rinus, dat doet je goed. Dus je was bij de melkkannen, die van die waanzinnig mooie viooltjes?”
“Ja, precies die de Raaf. Ik heb meerdere malen om Nero en de Nooyer geroepen, toen ik bij de keukendeur aankwam. En daar zag ik dat het ruitje was ingeslagen. En volgens mij zat er bloed op de deurpost.”
“Bloed?”
“Ik denk tenminste dat het bloed is, want ik heb nog niks kunnen onderzoeken.”
“Onderzoeken?”
“Ja Chef. Toen ik door het ruitje keek, zag ik daar Nero afgeslacht onder de tafel liggen en de Nooijer … die was ook dood.”
“Dood? Hoe bedoel je Rinus? Natuurlijk?”
“Rinus zei ‘afgeslacht’ de Raaf, wel erbij blijven. Dus jij denkt aan een misdaad?”
“Ja Chef. Nero en de Nooijer zijn bruut vermoord!”
“Bruut zeg je? Hoe ben je daar op gekomen?”
“Nou Nero was zeker voor de helft onthoofd. En de Nooijer zelf Chef, uit zijn oog stak … het echt waar Chef! Ik zit hier niet te liegen.”
“Ik geloof je Rinus, maar wat stak er uit zijn oog dan?”
“Het was oranje en het trilde. Het leek wel op zo’n sexding?”
“En het trilde?”
“Ja Chef. Het was een weerzinwekkend gezoem. Welke zieke geest doet zoiets?”
“Ik heb geen idee Rinus. Maar ik denk dat je dagen als bladenman voorbij zijn. Tenminste als jij denkt dat we hier een moord hebben.”
“Ja Chef! We hebben hier zeker een moord. En eerlijk gezegd had ik nooit verwacht dit te zeggen; maar die dagen als bladenman waren achteraf zo gek nog niet. Wat doen we nu Chef?”
“Nu Rinus”, pakte Hollestelle de enorme stapel paperassen van het bureau, “gaan deze bij het oud papier. Want als het echt zo is als je hebt omschreven, ben je bladenman af en weer fulltime adjudant van politie. En samen hebben wij een moord op te lossen.”
“Hallootjes, ik ben er toch niet alleen voor de koffie?”, sprak de Raaf verbouwereerd en Rinus kon toen pas een eerste glimlach niet meer onderdrukken.
“Nee de Raaf, dat is mijn taak. Dus als jij nou eens de camper ging halen?”
“Ben al weg”, zei de Raaf en wilde het bureau uitlopen. Bij de deur keek hij nog even om in een mix van medelij en ongeloof toen hij zei: “sorrie hoor, maar vermoord met een dildo Rinus?”
“Wat had het anders kunnen zijn dan?”
“Daar ben ik ook reuze benieuwd naar”, zei de Raaf het bureau uit lopende.
Even later reden ze in de Raven het talud af bij de oude hoeve van de Nooijer.

“Allemachtig! Je hebt geen woord te veel gezegd Rinus”, had ook de commissaris zichtbaar moeite zijn weerzin te onderdrukken.
Ze hadden als eerste, na de Raven bij de melkbussen te hebben geparkeerd, de hoeve afgezet met lint. Daarna hadden ze zich in de steriel blauw forensische pakken gehuld en waren naar de keuken gelopen. Nadat ze in ieder geval hadden geaccepteerd; dat Nero en de Nooijer dood waren, want wennen kon dit beeld nooit, begonnen ze aan het forensisch onderzoek.
Hollestelle nam de buitenkant op zich. Hij begon met afschrapen van dat waarvan ze vermoedden dat het bloed was en deed het schraapsel zorgvuldig in een plastic bewijszakje. Terwijl de commissaris verder met vingerafdrukpoeder en tape in de weer ging, stapten Rinus en de Raaf de oude boerenkeuken binnen.
“Zie je wat ik bedoelde?”
“Gadverdamme! Welke gek verzint nou zoiets?”
“Dus jij ziet het nou toch ook?”, wees Rinus naar het nog immer zoemende ding, dat uit het oog van de Nooijer stak.
“Wat zie ik ook?”
“Nou? Dat! Dat is toch zo’n sexding?”
“Dat weten we snel genoeg”, sprak de Raaf gedecideerd. En bovendien ook zwaar geïrriteerd door dat gezoem. Zonder verdere terughoudendheid te betrachten trok de Raaf dat ding uit de oogkas van de Nooijer, waarop deze hard voorover klapte.
“De Raaf!”, schrok Rinus en ook de Raaf zelf was even aangedaan. Want dat wat ze vermoedden, bleek niet het geval te zijn; kijkend naar die roestvrijstalen wiekjes die uit de kruin van de Nooijer aan het wentelen waren.
“Lieve hemel Rinus. Het is geen sexding, maar zo’n ding om mayonaise mee te maken!”
“Een keukenstaaf?”, sprak Rinus in ongeloof.
“Ja, geen pretstaaf Rinus. Dat zie je nou toch ook?”, reageerde de Raaf, onverwacht bits toch meer aangedaan door hoe deze moord was gepleegd.
“Ja de Raaf, dat zie ik nou ook ja.”
“Sorry Rinus, maar ik heb zoiets nog nooit gezien.”
“Geeft niet de Raaf, ik ken het gevoel. ‘k Kan ook alleen maar boos worden.”
“Om niet te zeggen gefrustreerd Rinus. Want hoe in hemelsnaam gaan we dit nou oplossen?”
“Hoe bedoel je de Raaf? … de Raaf?”
Maar de Raaf had het even niet meer en was het erf opgelopen, waar hij zijn longen vol zoog in de hoop wat van zijn afkeer uit te kunnen blazen. Rinus volgde hem naar buiten en keek naar de vier enorme schuren, die het erf min of meer omringden.
“Inderdaad de Raaf, we hebben geeneens de keuken goed kunnen onderzoeken en als ik naar die schuren kijk …”
“Hollestelle! Waar zit je?”, gilde de Raaf emotioneel, waarop de commissaris even later de hoek om kwam met tientallen zakjes aan mogelijke afdrukken.
“Commissaris”, sprak Rinus, “we hebben net even overlegd en eerlijk gezegd weet ik niet hoe we dit plaats delict in kaart kunnen brengen. In ieder geval niet binnen 24 uur.
“De eerste 24 uur zijn cruciaal Rinus. Dat weet jij net zo goed als ik.”
“Luister naar je adjudant Hollestelle en kijk om je heen. Dat gaat ons nooit lukken.”
Het was duidelijk dat de mannen er nu al doorheen leken te zitten en dat zinde de commissaris geenszins.
“Kom op mannen! We kunnen niet nu al de kop laten hangen”, en op natuurlijke wijze begon de commissaris leiding te geven aan het lopende onderzoek.
“Wat weten we?”
“Nero is onthoofd voor de helft en de Nooijer is met een snoerloze keukenstaaf om het leven gebracht. Tenminste zo op het oog Chef.”
“Correctie Rinus; in zijn oog. Die vuile moordenaar heeft een draaiende staafmixer zo hard in zijn oog geduwd, dat deze er via zijn achterhoofd weer uit kwam! En dat ding roert nog!”
“De Raaf! Ga dat ding onmiddellijk uitzetten!”
“Commissaris?”
“Nu de Raaf! Verdomme nu! Direct!”
“Chef, de Raaf heeft het er net zo moeilijk mee. Bent u niet te streng nu?”
“En hier de Raaf. Hier een zakje voor de batterijen. Nou, schiet op man!”
Even later kwam de Raaf bleker dan anders met het zakje batterijen naar buiten lopen en overhandigde deze aan de commissaris.
“Dank je de Raaf. Dus nogmaals, wat weten we nu?”
“Het was in ieder geval geen crime passionel”, probeerde de Raaf zich weer wat bijeen te rapen, “want degene die deze moord heeft gepleegd was in ieder geval geen keukenprinsesje.”
“Omdat de Raaf?”
“Omdat de moordenaar heel erg sterk moet zijn geweest om die staafmixer zo helemaal door … Afijn, ik denk wel dat je begrijpt wat ik bedoel”, huiverde de Raaf bij de gedachte.
“Een keukenprins dan?”
“In ieder geval geen vrouw, zo lijkt me wel duidelijk.”
“Nou mannen, dat weten we nu dus al. Het gaat hier niet om een crime passionel. De Nooijer is vermoord door naar alle waarschijnlijkheid een man. Vermoord met een snoerloze keukenstaaf die nog draaide. Dus als we de batterijduur hebben bepaald en deze dingen hebben doorgemeten, weten we ook al redelijk precies de tijd van de moord. En dat is heel wat meer dan dat we zojuist wisten!”
“Chef heeft gelijk de Raaf. We moeten het professioneel blijven bekijken. Moeilijk dat geef ik grif toe. Maar de Nooijer en dat arme beest verdienen niet anders.”
“Je hebt gelijk. Ik was dat even vergeten. Want allemachtig, met een staafmixer?”
“Blijven we nog wel met het probleem van de inhoud van dit plaats delict Chef. Die schuren bijvoorbeeld, dat gaat dagen zo geen weken duren.”
“Die tijd hebben we niet Rinus.”
“Nee commissaris, maar hoe gaan we dan verder?”
“Hadden we maar iets van een scanner of zo”, sprak de Raaf, meer in zichzelf dan wat anders.
“Een scanner de Raaf?”
“Ja Rinus, een scanner die dingen in 1 oogopslag, sorry ik bedoel scanopslag, laat zien wat van belang is.”
“Je bedoelt in vogelvlucht? Een scanner in vogelvlucht? Een satelliet?”
“Ja, de NASA ziet ons al aankomen. Of we even een satelliet kunnen lenen? Yes it is us Rinus and de Raaf from Serooskerke. Dat zie ik niet direct gebeuren hoor.”
“Nou, Chef U kunt ze toch bellen? Naar u luisteren ze toch wel zeker?”
“Jullie zijn ondanks die satelliet op de juiste weg”, sprak de commissaris bedachtzaam. Praktischer lijkt mij hier echter geen satelliet. Dat is veels te groot voor hier. Maar zo’n modern ding, een doon?”
“Droon! Je bedoelt een droon Camiel! Ja, precies! Met een doorn kunnen we het hier zoveel sneller onderzoeken. Maar waar halen we in hemelsnaam zo’n droon vandaan?”
“Kom op mannen, denk!”, maande de commissaris de mannen streng aan tot denkwerk. “Er is hier een verschrikkelijke moord gepleegd en ik wil … neen, ‘moet’ deze moordenaar pakken. Voor de Nooijer en Nero. Wat zeg ik? Voor heel Serooskerke mannen! Denk!”
Maar gaandeweg het denkwerk zagen ze dat de commissaris pretoogjes liet zien en ze gilden opgelucht in koor; “KIEVIT!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.