Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk II: Droon van Indesit

Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk II: Droon van Indesit

Hoofdstuk II      Droon van Indesit

 

Het was een vreselijke tocht. Na het zand kwam het zilt en vele lieten het leven. Toch zette hij door, hij moest wel. Het was puur overlevingsdrang dat hem sterkte, maar ook bozer maakte. Boos op de wereld die hem en de zijnen al zo lang negeerde. Maar die tijd was als het aan hem lag voorbij. Hel en verdoemenis spraken zijn ogen, toen hij een deken om zich heen geslagen kreeg op het schip met NGO-vlag, dat terstond koers zette naar de lage landen. De verhalen die hij op het schip te horen kreeg, prentte hij zich in om nimmer meer los te laten. Het was dan ook niet meer dan logisch; dat hij in de haven van Vlissingen van boord sloop, om uit het zicht van papierhandel en anderszins lastige autoriteiten zich eindelijk vrij te kunnen voelen. Hij snoof de zeelucht op en ging gewoon op de gok landinwaarts lopen.
Een ander, geboren en getogen uit en op de Zeeuwsche klei voelde zich net zo gevangen. Anders was hij al vanaf het begin. Hoewel zijn ouders geen land met hem wisten te bezeilen, schopte hij het uiteindelijk toch tot een zekere mate van zelfstandigheid. Maar toen werd de geldkraan dichtgedraaid en belandde hij moederziel en nog meer alleen dan anders op straat. Hij kreeg als persoon een naam maar niet een zelfstandige als mens. Verward werd zijn bijvoeging en de wereld leek opeens een verschrikkelijke plek om te leven. Velen met hem hadden het al veel eerder niet meer zien zitten en waren uit zichzelf gestorven. Voor hetzelfde geld was ook hij ergens voor gesprongen, maar iets in hem maakte hem minder verward dan gemiddeld. Ook hij zette zijn eerste stappen zonder te weten waarheen. Zolang er maar iemand ging boeten. Want waarom mocht hij niet meer ergens geschikt voor hem wonen?
Weer een ander proefde zijn gehele leven al de vrijheid. Hij was niet bijzonder gelukkig, doch ook niet ongelukkig. Maar toen zijn nieuwe buurman het gas aan liet staan en hij zijn vrouw en drie kindertjes weg moest brengen, was hij alleen nog maar doodongelukkig. En boos, heel erg boos op van alles en nog wat. Hij vond nergens anders gelijkgestemden dan in de extremistische hoek. En gellijk al die hem voorgingen, wilde ook hij van zich laten spreken. En als ze niet wilden luisteren, dan moesten ze het maar gaan voelen en hij liep van het voetpad af zo recht het weiland in.

“Ik ben er niet!”, klonk het nijdig vanachter het rolluik.
“Kievit, ik ben het Hollestelle! Toe kerel doe open”, probeerde nu de commissaris op zijn beurt doch net zo tevergeefs.
“Ik doe niet open! Ga weg! Laat me met rust!”
“Kievit”, probeerde Rinus weer, “alleen jij kan ons helpen en we hebben je echt heel erg nodig.”
“Loop naar de pomp!”
“En nu is het genoeg!”, bonkte de commissaris woedend op het rolluik van de fietsenzaak van Kievit. “Als je nu niet onmiddellijk open doet Kievit, dan confisqueer ik je hele zaak!”
“Ga weg!”, klonk het net zo krachtig als een paar minuten geleden, gevolgd door een wat zachter uitgesproken; “confisqueren, wat is dat?”
“Dat betekent, dat wij als politie je fietsenzaak in beslag nemen Kievit”, legde Rinus tegen het rolluik uit.
“Wat? Maar dit is mijn zaak! Kunnen jullie dat zo maar?”
“Ja Kievit. Dat mogen we zelfs van de wet.”
Dat veranderde de zaak blijkbaar. Het geratel begon, toen het rolluik omhoog ging en de zwart omrande tenen van Kievit als eerste tevoorschijn kwamen. Gevolgd door die eeuwig blote voeten onder sjofele pijpen met vlekken. De rest werd bedekt door die net zo eeuwig grijze stofjas, die continu en steevast een gemengde geur van smeerolie en lichtelijk zuur zweet verspreidde. Toen zijn hoofd in beeld kwam, opende hij zijn mond dat een, hoe kon het ook anders, fietsenrek liet zien. Doch dat belette Kievit geenszins om te bulderen; “als je het maar laat mijn zaak te confituren!”
“Confisqueren Kievit. Maar daar hebben we nu geen enkele reden meer voor. We hebben je hulp nodig met ons onderzoek.”
“Oh? Maar waarom zei je dat dan niet meteen? Kom verder.”
Geen van de mannen verwonderde zich meer over de moeite die ze altijd moesten doen, om Kievit buiten de reguliere openingstijden te bewegen hen binnen te laten. Was het rolluik eenmaal omhoog, dan was er van verdere stugheid geen sprake meer. Kennelijk was er iets, dat Kievit sociaal deed blokkeren wanneer zijn zaak gesloten was. Maar niemand had het in al die jaren ooit aangedurfd te vragen naar de reden waarom. Daarvoor respecteerden ze Kievit simpelweg te veel.
Ze stonden midden in de werkplaats, toen Kievit vroeg; “en waarmee kan ik jullie van dienst zijn?”
De commissaris zette de huidige casus samengevat uiteen en zei; “dus je begrijpt dat we daar een hele kluif aan hebben. En toen dachten Rinus en de Raaf aan iets van een droon.”
“Met scanner”, vulde de Raaf aan, “opdat we een soort van instant overzicht van het plaats delict kunnen krijgen.”
“Het zou ons zo enorm helpen Kievit”, zei Rinus, “het gaat om de tijd zie je. Anders zou dit ons waarschijnlijk dagen, zo niet  weken, vergen. En die tijd hebben we niet, de eerste 24 uur zijn cruciaal in een sporenonderzoek bij moord.”
“Een droon? Dat kennik niet. Het spijt me. Maar als ik iets niet ken, kan ik het ook niet maken.”
“Het is een soort van helikopter Kievit.”
“Maar dan een hele kleine.”
“Pocketformaat buurman”, zei de Raaf, “met camera dat haarscherpe beelden kan generen.”
“Ik heb nog wel een ouwe Kodak ergens op zolder liggen. Zo eentje die meteen een foto kan uit laten rollen. Dan hebben jullie alleen nog een ladder nodig en klaar is Kievit!”, en enthousiast wilden Kievit al het aanpandige woonhuis inlopen.
“Dat gaat niet werken”, hield Hollestelle hem tegen. “We hebben speciale beelden nodig.”
“Droon-beelden Kievit.”
“Wat zijn dat dan voor beelden?”
“Iets met sensoren die warmte kunnen laten zien. En hopelijk nog wat meer”, probeerde Rinus hoopvol. Want eerlijk gezegd, wisten de mannen ook niet precies wat voor soort beelden ze wilden. Ze hadden hiervoor hun hoop op Kievit gevestigd, die zei: “oh, zeg dat dan meteen. Dan hebben jullie zo’n moderne camera nodig. En die heb ik niet. Daarvoor moeten jullie bij van der Klip wezen.”
“Janus van der Klip?”
“Ja, wie anders? Hij is de enige die digitale camera’s verkoopt. Misschien dat ik dan met zo eentje wat meer kan doen. Want die Kodak geeft zwartwit en anders niks.”
“Toch niet Janus Kievit?”, probeerde Rinus nog tegen beter weten in. Iets in Janus maakte hem anders dan anderen. Of beter gezegd iets op Janus, dat communicatie altijd bijzonder moeilijk maakte. Rinus had Janus een paar keer moeten horen als getuige en iedere keer was hij er enorm wrevelig van geworden. Voor iedere agent zeggen blikken namelijk zo veel meer dan camera’s.
Ook de Raaf had het niet zo op Janus en zei: “die vent kan je nooit eens recht in de ogen aankijken.”

Janus van der Klip was ‘de’ vakfotograaf van het eiland. Maar iedereen kende hem als Janus Camera. Al vanaf de kleuterschool had niemand ooit zijn ware gezicht gezien. Kleine Janus liep als peuter al 24/7 met een camera om zijn hoofd gebonden met oude nylonkousen van zijn moeder. Of te wel zijn hele leven keek Janus door het zoekertje van een camera, maar die nylonkousen maakte het met name erg onpersoonlijk en raar.
Toen Janus volwassen werd, werden zijn voorgebonden camera’s ook meer ontwikkeld. Recentelijk had Hollestelle hem nog zo in de kerk zien zitten met een drietal damesslipjes om zijn kop gebonden, die de laatste modellen digitale camera stevig tegen zijn gelaat klemden. De oude nylons gebruikte Janus al jaren niet meer. In plaats daarvan gebruikte Janus verder doorontwikkeld lingeriegoed en ook dat goedje ging zoals alles met de tijd mee. Waren het eerst nog hele lappen stof, die hem als wapperende nomade door het dorp lieten lopen. Nu gebruikte Janus steeds kleinere touwtjes, die als string bekend stonden; zo had Rinus eens bij de koffieautomaat in puur ongeloof uitgelegd aan zijn Chef.
En zo liep
Janus al een tijdje met niet één grote, maar met twee kleinere camera’s rond voor zijn ogen. Een look die zo erg ver van hun eigen dracht afstond. Toch had iedereen die laatste modellen camera in de etalage van de fotozaak zien liggen tussen al dat occasie-ondergoed. Janus was groot voorstander van stereobeeld geworden en door van de laatste technologie in camera’s gebruik te maken; had hij zich dat de laatste jaren steeds meer eigen gemaakt. In het begin botste hij nogal eens tegen stilstaande voorwerpen aan zoals tuinhekjes en lantaarnpalen. Maar al vrij snel had hij het digitale perspectief onder de knie, hoewel het ver daarboven gebeurde. Janus had altijd de laatste technisch fotografische snufjes in huis. En toch had men in het dorp het niet zo op Janus. Dat damesondergoed wekte hoe dan ook toch ergernis op. Maar net als de Nooijer was Janus een trouwe kerkganger en dat maakte heel veel goed.
Geen van de mannen stond derhalve te trappelen om Janus Camera een bezoekje te gaan brengen.
“Als jij nou eens Janus een bezoekje ging brengen Rinus?”
“Ik Chef? Heu? Ik eh, nou eerlijk gezegd Chef, liever niet. Ik heb namelijk geen idee wat ik tegen Janus moet zeggen. Ik voel me nooit op mijn gemak bij hem.”
“Ik moet Kievit helpen”, zei de Raaf, die opeens haastig wel drie fietsen tegelijk bij de bagagedragers omhoog stond te houden. “Lekke banden”, zei hij, met een blik alsof hij met tegenzin die fietsen stond op te houden.
“Komaan mannen”, sprak de commissaris, “laten we niet wegduiken, niet nu. Rinus, ik wil dat jij daar zo’n klein nieuw cameraatje gaat kopen. Zet de rekening maar op het bureau. Want als ik me niet vergis, is die klein genoeg om redelijk simpel de lucht in te krijgen. Toch, Kievit?”
“Die kleine dingen? Ja, dat zou moeten kunnen, maar dan moeten jullie me wel helpen.”
“Zie je wel”, liet de Raaf opgelucht de fietsen zakken en Hollestelle keek Rinus serieus aan.
“Rinus, jij kent Janus hoe dan ook het beste.”
“Ik Chef? Ik heb samen met hem op de kleuterschool gezeten, maar dat is dan ook al.”
“Rinus, wij moeten Kievit helpen en jij bent de enige die hem min of meer kent. Wij lopen de kans om met een oud model de winkel daaruit te lopen. Maar jij kent hem beter dan wij, dus is de kans groter dat we het modernste cameraatje krijgen.”
“Kan ik niet hier meehelpen Chef?”, dramde Rinus eigenwijs door. Hij wilde echt niet naar Janus toe.
“Wat dachten jullie hiervan?”, kwam Kievit op aanraden van de Raaf aan met een staafmixer. “Ik dacht als we dat motortje nou eens …”
“Okay Chef, ik ga al”, draaide Rinus zich om bij de eerste aanblik van die staafmixer en liep de fietsenzaak uit.  Om dat gezoem nu al weer een keer aan te horen, was gewoon te vroeg voor hem.
“Nou moet je me toch eens uitleggen’, sprak Kievit tegen de Raaf, “hoe jij denkt deze staafmixer om te bouwen.”
Hollestelle liep hoofdschuddend op hen af en zei; “de Raaf, de Raaf. Ik denk dat we een veel grotere mixer nodig hebben Kievit, voor de motor?”
“Ja, natuurlijk! Maar dan heb ik wel wat beters! Kom, jullie moeten me daarbij wel helpen.”
En Kievit liep naar het kelderluik met een tred die verried, dat hij eindelijk wist wat hij moest gaan maken.

Het eigenaardige begon al toen Rinus de winkel van Fotograaf van der Klip binnen liep. In plaats van het gebruikelijke belletje tingelde er niets boven de deur, maar flitste het opeens heel erg fel tot driemaal toe.
“Is daar iemand?”, kwam Janus Camera getriggerd door de flitsen vanonder de toonder tevoorschijn. “Ik was net even een collage aan het maken, hoe kan ik U helpen en oh … ben jij dat Rinus?”, waarop Janus zijn twee camera’s wat duidelijker meer op Rinus focuste.
“Ja, ik ben het”, zei Rinus, zich heel ongemakkelijk voelende door dat onophoudelijke geklik van die camera’s voor Janus z’n ogen.
“Ik wil niet dat je me vastlegt Janus”, zei Rinus, om het maar niet over die dubbel geknoopte en fel gekleurde strings te hebben.
“Oh, maar ik leg niets vast Rinus. Ik kan gewoon niet anders.”
En dat was de waarheid. Daar waar ‘gewone’ mensen met hun ogen reflexmatig moeten knipperen, om uitdroging te voorkomen, moest Janus zijn cameraatjes laten klikken.
“Zitten geen sd-kaartjes in”, wees Janus met gespreide wijs- en middelvinger naar zijn ogen camera’s.
“Okay, dan is het goed. Ik kom in functie Janus. Ik heb zo’n kleine heel moderne camera nodig”, wees ook Rinus nu naar die cameraatjes voor z’n ogen.
“Deze zijn niet te koop Rinus. Maar misschien wil je even hier naar kijken?”, en Janus liep naar de etalage, waar hij een handvol ondergoed uitpakte en even later op de toonder voorzichtig ging uitpakken.
“Ik noem deze de GaCamera. Het is een uitstekende camera, die zelfs op de fiets hele stabiele beelden geeft.”
“Stabiel zeg je. En hoe stabiel worden die beelden als ik, bij wijze van spreken; dat ding aan een vlieger hang?”
“In de lucht?”
“Ja, in de lucht.”
“Kan. Maar dan moet het wel windstil zijn hoor. Want met een beetje wind is de sluitertijd waarschijnlijk net niet kort genoeg.”
“Stel het waait en ik wil toch stabiele beelden krijgen. Is er daar dan wel een deugdelijke accessoire voor?”
“Nee. Maar als je meer professionele beelden wil …”
“Ja! Dat bedoel ik, meer professioneel.”
“Dan moet ik je de GaCamera Pro aanraden of te wel de GaPro”, en Janus opende de vitrine achter hem, waar hij een spiksplinternieuwe GaPro uit pakte. “Een betere GaPro bestaat er op dit moment niet. Maar dat heeft wel een prijskaartje natuurlijk.”
“Als dit de beste is die je hebt, dan neem ik ‘m.”
“Is het een kadootje?”, graaide Janus wat in een wasmand naast hem.
“Neenee, kan ik hem zo niet meenemen?”
“Dat is echt heel ongebruikelijk hoor Rinus”, sprak Janus ietwat getergd in zijn professionaliteit. “Maar omdat jij het bent, doe ik ‘m dan wel in deze BH van Hunkemöller met stalen frame. Je zal niet de eerste zijn, die hem uit zijn handen laat vallen. Dus de rekening naar het bureau?”, vroeg Janus, terwijl hij de camera in BH, gelijk zijnde zo maar ieder ander boodschappentasje, boven de toonder aanreikte.
“Ja, doe maar Janus. Dank je wel”, en Rinus stapte nog ongemakkelijker naar buiten, dan toen ie onder die flitsen naar binnen was gelopen. Zo snel als hij kon, wandelde hij de straat uit; biddend tot Hem dat hij maar alsjeblief niemand zou tegenkomen.

“Ja, zo kom ik er net bij”, hijgde Kievit zwaar. Hij hing in de kelder over een oude en loodzware wasmachine van Indesit, die ze met man en macht net van de muur af hadden weten te wrikken. Na wat gemor en gepuf, haalde hij er de elektromotor uit en toonde deze aan de Raaf en de commissaris.
“Een betere elektromotor wordt niet meer gemaakt”, zei hij, waarna hij naar boven naar de werkbank liep en de motor erop legde. “Kan jij dat achterwiel even pakken de Raaf? Daar, achter je.”
En even later timmerde hij de as van de motor als koudlas stevig vast in de naaf van het fietswiel.
“Zo, en nou hebben we een vliegwiel en die zit muur-vast.”
Vervolgens ging hij met soldeerbout aan de slag en moesten de mannen ook lashelmen op, om de batterijhouder die uit de staafmixer was geschroefd trillingsvrij op de motor te bevestigen.
“Nou hebben we alleen nog een batterij nodig om te kijken of ie wil vliegen”, deed Kievit als eerste zijn lashelm af.
“Het ziet er nogal zwaar en log uit Kievit.”
“Klopt. Maar neem maar van mij aan, dat er geen krachtigere elektromotor bestaat.”
Dat namen de mannen blindelings aan, toen Rinus de werkplaats binnen kwam met BH in de hand.
“God zij dank ben ik niemand tegengekomen”, zei Rinus, die de BH naast de motor legde op de werkbank.
“Een BH?”
“Geloof mij De Raaf, die andere verpakking was zoveel meer gênant.”
Hij pakte de GaPro eruit en gaf deze aan Kievit; “wat denk je? Kan je hier wat mee?”
“Klein genoeg, maar ik moet er wel nog wat aan tweaken. Ik heb nergens een warmtesensor liggen, maar misschien kan ik wat met de thermostaat uit de Indesit. Maar dat ding zit helemaal middenin. De Raaf, help je me even daarmee?”, en de Raaf en Kievit liepen weer de keldertrap af. “Testen jullie die motor even”, zei Kievit, voordat hij ondergronds verdween.
“Testen jullie die motor even”, herhaalde Hollestelle en zag dat het maximaal 24 Volt kon hebben.
“Hier Chef”, reikte Rinus hem een moderne fietsbatterij aan.
“Dat ding past nooit in die houder.”
“We hebben echter wel precies zo’n batterij Chef, maar dat is bewijs.”
“Uitstekend idee Rinus. Ga die batterij uit de camper halen, dan meten we die meteen door. Zodra we de batterijduur hebben bepaald, weten we het tijdstip van de moord. En kunnen we die batterij meteen gebruiken voor een testrun.”
“Natuurlijk Chef!”, draaide Rinus zich om en rende naar de camper.
“En? Doet ie het al?”, hoorde Hollestelle Kievit vanuit de kelder roepen.
“Rinus is batterij gaan halen. Heb jij meetapparatuur?”
“In de grijs metalen kast links tegen de muur van het woonhuis.”
“Heb het gevonden!”
“Wat heeft U gevonden Chef?”, kwam Rinus weer binnen.
“Deze stroommeter Rinus”, zei Hollestelle en stak de stekker in het stopcontact. “Hou jij die batterij zo, dan kan ik de polen contacten en dan …”
De wijzer sloeg uit en Rinus zei; “net geen 34% Chef, 33 en een beetje.”
“Okay, laten we voor het gemak een derde pakken. Daar ligt de gebruiksaanwijzing van die staafmixer van Kievit, dat is dezelfde toch?”
“Alleen een andere kleur, maar verder denk ik van wel Chef.”
“Hoe lang kan je met volle batterij mixen?”
“De consistentie van het beslag speelt een rol, lees ik hier Chef. Maar gemiddeld genomen mag drie uur zonder echt groot torque-verlies geen probleem zijn. Het is normaal dat de snelheid wel al na het eerste uur afneemt Chef. Maar daarna zou ie het zeker nog twee uur moeten doen.
“Drie uur Rinus. Hoe laat was het toen de Raaf die mixer uit het oog van de Nooijer heeft gehaald?”
Dat was om precies te zijn, eh … kwart voor één Chef. Dat weet ik zo goed, omdat ik nog op m’n horloge heb gekeken toen we het over die schuren hadden.”
“Twaalf uur vijfenveertig draaide de staafmixer nog op 33% en een beetje. Of te wel draaide hij al gauw twee uren. Kwart voor elf! Kwart voor elf is de Nooijer vermoord.”
“Toen reed ik net het dorp uit Chef! Was ik een paar minuten eerder geweest … Maar Chef? Hoe weten we zeker dat de batterij op 100% was ten tijde van de moord?”
“Heb jij ooit de Nooijer zien koken?”
“Nee, dat is waar. Dus die mixer kon nooit gebruikt zijn geweest.”
“In ieder geval niet door de Nooijer. Ik geef toe, het is geen exacte wetenschap Rinus. Maar toch denk ik, dat we het tijdstip van overlijden wel nauwkeurig genoeg hebben weten te bepalen. Okay, nu opladen dat ding”, en de batterij werd in de oplader van Kievit zijn staafmixer gelegd en een ledlichtje begon te knipperen.
“Hoever zijn jullie?”, riep Hollestelle naar beneden.
“Dit gaat nog wel even duren. Jullie?”
We zijn nu de batterij aan het opladen. Dus ook dat gaat even duren”, antwoordde Rinus.
“Okay, wij gaan even naar het bureau. Zien we jullie zo tegen, laten we zeggen, vijf uur?”
“Prima”, hijgde Kievit vanuit het keldergat, “vijf uur!”
“Komaan Rinus, we hebben genoeg te doen tegen die tijd.”
Via de camper van de Raaf liepen de mannen langs het kerkplein richting het bureau, waar ze hun jassen aan de kapstok hingen.
“Eerst alles categoriseren en archiveren Rinus. Dan pas opsturen naar het NFI. Dan zal ik vast een persbericht doen uitgaan, want heel veel langer kunnen we dit toch niet stil houden. En mensen hebben het recht te weten wat er speelt.
“Ik ga meteen aan de slag Chef! Wilt U vast een bekertje koffie?”
“Wat dacht jij dan Rinus! Lekker!”, draaide de commissaris licht ratelend een blank vel papier in zijn typemachine.

Op gisteren jongstleden is het stoffelijk overschot van de Nooijer aangetroffen door Rinus de bladenman. De Nooijer is heel bewust en heel bruut in zijn eigen keuken nota bene om het leven gebracht, alsook zijn trouwe viervoeter Nero.
De Hoofdcommissaris van Politiepost Serooskerke en omstreken heeft dan ook besloten de Politiepost op staande voet weer fulltime te gaan bemannen, te weten dus met adjudant. Helaas houdt dit in, dat de bladen voorlopig niet meer zullen worden rondgebracht door Rinus. De Hoofdcommissaris rekent op Uw begrip in deze.

“Klaar Rinus?”
“Klaar Chef.”
Ze trokken hun jas weer aan en liepen naar buiten. Aan het einde van de straat liep Rinus naar de postbus bij de drogist en Hollestelle naar de gietijzeren inbox van de Serooskerker Courant aan de overkant. In het midden van het kerkplein kwamen ze weer samen en liepen naar de fietsenzaak van Kievit.
“Hij is echt heel goed”, wees de Raaf naar Kievit, bij binnenkomst van Hollestelle en Rinus. “Hij heeft de thermostaat met microscopisch soldeerwerk weten te verbinden met die iele koperen glijdertjes die zo’n memorykaart vasthouden. Hier, kijk maar.”
Zo zagen ze nog net hoe kievit de minuscuul dunne draadjes door een piepklein gaatje aan het leiden was, met pincet onder optische vergroting, die hij in de behuizing van de Gapro had geboord. De camera werd weer dichtgeschroefd en de draadjes werden zorgvuldig met de thermostaat verbonden, die net boven de batterijhouder horizontaal aan de elektromotor was gelast.
“De bedoeling is”, sprak Kievit vanaf microscoop en af en toe zijn adem inhoudende, “dat de thermostaat een range aan temperatuurswisselingen kan opmerken. De verschillen in temperatuur worden dan zo gelijktijdig met het nemen van een foto vastgelegd op een memorycard, die je daar in het gemodificeerde slot doet. Vervolgens kan je die dan uitlezen. Ik verwacht dat de beelden dan redelijk nauwkeurig worden weergegeven. Zo heb ik warmte de kleur rood gegeven. Dus 90 graden is vuurrood, veertig gewoon rood en handwas lichtrood tot bijna oranje. Ik neem aan, dat deze schaalverdeling afdoende is?”
“Zolang we maar meer verwarmde plekken kunnen detecteren Kievit. Dus kookwastemperatuur lijkt mij in dit geval iets overdreven.”
“U vroeg om een scanner commissaris. Deze is dan ook military grade anders maak ik niet”, zei Kievit een beetje gekwetst om die kookwastemperatuur.
“Neenee, prima Kievit!”, haastte Hollestelle zich te zeggen. “Ik wist dat jij met een meer dan volwaardige scanner zou komen. En wie weet waar het goed voor is. Dank je kievit, uitstekend werk weer.”
“Chef, de batterij is vol”, zei Rinus.
“En dat is de laatste draad”, zei Kievit en nam de batterij in ontvangst, die hij in de houder klikte. “Okay, wie heeft er een slimme mobiele telefoon bij zich?”
“Een mobiele telefoon?’, keken de mannen elkaar verrast aan. Hoewel ze niet van gisteren waren, hadden ze nooit de behoefte gehad om een smartphone aan te schaffen.
“Ja, zo’n smartfoon”, zei Kievit, wijzend naar een oude computermonitor op een plank boven de werkbank. “Kijk, deze Gapro heeft WiFi en dus heb ik een app gemaakt, die je moet installeren op je telefoon. Hoe anders denken jullie deze droon te kunnen besturen?”
“Heb jij er geen eentje die we kunnen lenen?”
“Nee’, sprak Kievit gedecideerd.
“Maar alle winkels zijn nou dicht. En waar halen we überhaupt hier een smartfoon?”
“Niet in het dorp commissaris, daarvoor moet U in de stad zijn.”
“Verdulleme”, sprak de commissaris teleurgesteld, “maar okay, het is een kleine tegenvaller. Het wordt zo toch donker. Als we morgenvroeg de schuren kunnen scannen, zitten we nog altijd binnen de benodigde 24 uur van informatievoorziening.”
“Maar”, vroeg de Raaf, “kunnen we dan niet in ieder geval testen of de droon kan vliegen?”
“Dat moet kunnen als ik ‘m op ‘manual’ zet.”
“Doe dat dan Kievit. Stel dat ie morgen niks doet, zijn we alsnog te laat.”
“Prima denkwerk de Raaf. Nou Kievit, laat maar zien.”
De Indesitmotor met thermostaat en fietswiel werd in het midden van de werkplaats gezet en al plat op zijn buik liggende, schoof Kievit het schuifje op ‘voorwas’, waarna de elektromotor hoorbaar vonkte. Snel kroop Kievit onder het wiel vandaan, dat eerst langzaam maar allengs steeds harder begon te draaien.
“Het is de bedoeling”, gilde Kievit, om bovenuit het steeds hardere geluid uit te komen; “dat de roterende spaken voor de benodigde lift zorgen.”
Maar toen het wiel op volle centrifugesnelheid roteerde, schommelde de motor slechts een beetje.
“Hij doet het niet! Niet genoeg lift!”, gilde Kievit tegen de mannen, die nu hun handen tegen hun oren hadden gezet. Kievit liet zich weer plat op z’n buik vallen en tijgerde in sluipgang naar het aan- en uitschuifje onder het vliegwiel.
“Wat een herrie”, zei Rinus, toen het vliegwiel tot stilstand was gekomen.
“Military grade”, zei Kievit, die om zich heen stond te kijken. “Ik moet iets van … Daar! Rinus! Geef me die BH eens aan. En een nijptang.”
Kundig verboog Kievit het ijzeren frame van de bustehouder zodanig, dat beide houders overdwars aan de spaken van het vliegwiel konden worden bevestigd.
“Hij maakt een propeller van dat ding”, fluisterde de Raaf in bewondering.
Toen de stof stevig en strak zonder vouwtjes overdwars over de spaken was gespannen, zei Kievit; “gaan we nog een keertje.”
De elektromotor vonkte aan en al halverwege de maximale snelheid, gilde Kievit: “we hebben lift!”
En inderdaad steeg de zware Indesitmotor schijnbaar moeiteloos omhoog. Toen deze op ooghoogte was gekomen, spoedde Kievit zich eronder om het weer uit te zetten. Hij was net op tijd, want was de motor nog sneller gaan draaien; dan was ie zeker door het dak gegaan.
“Hij staat op ‘manual’, verklaarde Kievit, “maar met de app in ‘automatic’ kan je de snelheid heel nauwkeurig traploos regelen. En? Wat vinden jullie ervan?”
“Hij maakt veel herrie”, zei Rinus, “maar hij ligt wel heel erg stabiel in de lucht. Prima werk Kievit.”
“Helemaal met Rinus eens Kievit. Je hebt jezelf weer eens overtroffen. Wat jij de Raaf?”
“Zeker, dat ding vliegt als … nou, als een tiet gewoon!”
“De Raaf!”, sprak Hollestelle vermanend, “als een Indesit!”
Rinus ging opeens raar hard kuchen in verdachte grimas, toen Kievit zei dat ze nou wel de zaak uit moesten.
“Het is al ver over sluitingstijd!”, zei Kievit.
“Je hebt gelijk. Heel hartelijk dank Kievit.”
“Geen dank”, hoorden ze nog net, voordat het rolluik met donderend geraas naar beneden viel.
“Het gaat morgen een spannende dag worden. Dus ik stel voor dat we in de camper slapen”, zei de Raaf op straat.
“In de camper? Waarom in hemelsnaam?”
“Voor de zekerheid, dacht ik zo. Bovendien leek het me wel gezellig”, want de adrenaline zat er bij de Raaf nog goed in.
“Nee! Ik ga niet samen slapen in die camper!”, maar niemand viel de paniek in Rinus zijn ogen op.
“Nu ik erover nadenk, heeft de raaf toch een punt. Zo kunnen we ruim voor openingstijd bij de winkel zijn voor die smartfoon.”
“Precies Hollestelle, je weet nooit wat het verkeer doet”, en de Raaf nodigde hen vrolijk uit in zijn camper.
“Maar niet nou al hoor de Raaf. Pik ons gewoon op van het bureau. Ik denk als we om zes uur wegrijden, dat het vroeg zat is.”
“Okay, ook goed”, verborg de Raaf zijn teleurstelling, “zes uur sta ik voor het bureau. Welterusten!”
“Tor morgen de Raaf”, zei Hollestelle en nadat ze aan de rand van het kerkplein waren gekomen, wensten Hollestelle en Rinus elkaar een goedenacht.  Hoewel ze beiden wisten dat ook hun adrenaline hen danig parten zou gaan spelen.

Weer een ander kwam heimelijk uit de schuur gekropen. Hij had goed geslapen ondanks de erbarmelijke omstandigheden. Inmiddels had hij ervaren, dat hij beter in het donker kon wandelen. Hij liep dan ook pardoes tegen een roodwit afzetlint aan, dat hij mopperend omhoog deed, om zijn weg te kunnen vervolgen. Want die boosheid was hij nog lang niet kwijt.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.