Moord op Staten Island Hoofdstuk II

Moord op Staten Island Hoofdstuk II

ter plaatse en ook weer niet

Hoezeer Molly ook van haar kippen had genoten na hun avontuur in Frankrijk, dat knagende gevoel van onvrede ging maar niet weg. Okay, ze was weer samen met haar kippen. Maar alleen na zonsondergang kon ze naar buiten om te rapen; uit angst ontdekt te worden door de autoriteiten, waarvan de meest gevaarlijke slechts enkele dorpen verderop verbleef.  Lonnie deed zijn best om zichzelf te bevredigen, maar iedere keer bleef zij met een nog leger gevoel liggen. De sjeu was daar wel vanaf na al die jaren en dus hunkerde ze naar verandering. Lonnie had haar afstandelijk gevrij ook wel gevoeld en vroeg haar op de vrouw af; wat ze dan wel wilde.
“Ik wil gewoon in alle vrijheid naar buiten kunnen Lon. Gewoon daar waar niemand ons kent en we onszelf kunnen zijn. Ik wil naar onbegrensde mogelijkheden toe, ik wil kunnen dansen voor geld en alleen dan, alleen dan; kan ik me weer echt voor je geven.”
Lonnie had veel moeite gehad om haar gevoel te accepteren. Maar na zijn zoveelste mislukte vrijpartij had ie toegegeven en waren ze in de nacht vertrokken naar het veer naar Breskens, om bij Zeebrugge ergens van wal te gaan steken. Maar eenmaal in het havengebied van Vlissingen, liepen ze langs een enorm containerschip met bestemming New York. Heimelijk waren ze daar spontaan verstekeld aan boord geglipt. Na een week op zee zag Molly eindelijk haar vrijheidsbeeld en haar hart sprong open.
“Oh Lon, dit is wat ik wil!”
De eerste weken waren zwaar. Want nergens een instantie die hen geld wilde geven. Dat was flink wennen als je niet anders gewend bent. Zo flink zelfs dat Lonnie eindelijk toegaf aan haar wens; die van danseres. Zo had Molly auditie gedaan bij de Hush Gentleman’s Club aan Victory Boulevard op Staten Island. Ze danste daar iedere avond, tot diep in de nacht en tot de laatste bus, met een chromen paal die niets van haar eiste. Molly voelde zich steeds gelukkiger worden met haar nieuwe danspartner en hoewel ze niet veel tips kreeg; was het net genoeg om van te kunnen eten. Lonnie had in de tussentijd een paar stevige dozen op de kop kunnen tikken. En nu leefden ze daar, in de tuin van een verlaten pand aan Westervelt Avenue. Overdag sliepen ze en na zonsondergang begonnen ze aan wat nu al routine was geworden.
Molly met de bus naar haar Gentleman’s Club. En Lonnie ging heen en weer varen op de gratis Ferry naar Manhattan; in de hoop een camera te kunnen stelen van niets vermoedende toeristen. Want ook Lonnie had zo zijn wensen. Ondanks de strenge beveiligingsmaatregelen was hij er deze nacht in geslaagd een mooie Nikon te jatten. Vervuld van aanstaande kiekjes, was hij naar huis gerend. Hij schrok van de hoeveelheid taxis die zich daar bij hun dozen ophielden en dacht even dat het over en uit was. Maar toen hij zag; dat al die mensen voor het huis aan de overkant kwamen, was hij met een gerust hart weer in hun doos gekropen. Molly was, ook net thuis, bekaf in slaap gevallen. Maar dat weerhield hem er niet van, om haar vol trots zijn nieuwe camera te showen.
Drie nachten duurde het feest aan de overkant en ze zaten er serieus aan te denken; hun doos op te pakken en elders een plekje te gaan zoeken. Maar na die ijselijke gil, die door merg en been ging, keerde de rust eindelijk weer terug. Ook geen taxi-drukte meer, ze hadden hun hele doos weer voor hun alleen.

Met de ferry van half twaalf kwamen Hollestelle, Rinus en de Raaf aan op Staten Island. Ze werden in de terminal opgewacht door Jack die zich voorstelde, als Jack dus.
“Wat ben ik blij dat jullie er zijn! Kom, we moeten de 49 hebben en die zal zo komen. Het is hier naar boven”, wees Jack hen de weg. Terwijl ze naar boven liepen, vroeg Rinus of alles nog gelukt was met het veilig stellen van de crimescene.
“Jazeker! Ik heb de hele tijd de wacht gehouden en ben alleen weggegaan om jullie op te pikken. Dus jullie kunnen er zeker van zijn, dat het plaats delict niet vervuild is”, sprak Jack met enig ingehouden trots.
De bus kwam net aanrijden, toen ze boven kwamen en na een paar haltes stopten ze twee deuren voorbij 110, Westervelt Avenue. De regen was gestopt en de mannen liepen naar het met fel gekleurde ballonnen afgezette huis. Rinus nam direct het initiatief en begon het glimmende tuinhek te onderwerpen aan een minutieuze inspectie. Ondanks het sobere licht van de straatlantaarn wist hij even later vrijwel zeker te melden: “nergens een afdruk Chef.”
“Professional?”
“Dat moet haast wel Chef.”
“Okay Jack, waar ligt het overschot?”
“Daar”, wees O’Leary naar het slecht verlichte balkonnetje aan het einde van het tuinpad. Bij het balkon aangekomen, zagen ze inderdaad een vrouw liggen in een onnatuurlijke positie dat welhaast misdaad schreeuwde.
“Wat weet je van het slachtoffer Jack?”
“Eigenlijk nog niets, ik heb op jullie gewacht en ben nog niet op het bureau aan andere zaken toegekomen. Maar dit zat op haar voorhoofd geplakt”, en Jack haalde het bewuste briefje uit zijn binnenzak en liet het de mannen zien onder het kunstlicht.
dot dot dot dot dot killed Carmen!
“Zei je nou, dat dit briefje op het voorhoofd van het slachtoffer zat geplakt?”
“Jawel, met scotchtape.”
“Dus, je hebt dat briefje verplaatst?”
“… eh verdorie. Ja, sorry mannen.”
“Weet je zeker dat, dat het enige is dat je hebt verplaatst?”, vroeg Hollestelle Jack doordringend aankijken, “en denk goed na kerel. Alles kan van belang zijn in deze fase.”
“Niets mak word verplaatst van mevrouw!”, klonk scherp in zwaar Slavisch accent achter hen. Ze draaiden zich verstoord om en keken naar een grijzende dame met knotje op het tuinpad achter hen. Ze had een iel postuur en was gekleed in een onberispelijk grijs rokkostuum, dat sterk schoonmaakwerkzaamheden deed vermoeden. En was het niet dat strakke kostuum, dan waren het wel die hagelwitte gympjes; waaruit twee degelijk vleeskleurige panty’s staken, die resoluut op hen af begonnen te lopen de ballonnen compleet negerend.
“U bent?”, vroeg Jack en liet zijn politiebadge zien.
“Iek bien Svetlana”, zei de dame nederig, “iek bien skoonmaak hier. Iek werk voor mevrouw.”
“Mevrouw? Mevrouw wie?”, vroeg Jack, toen Svetlana eenmaal dichtbij genoeg was gekomen om het overschot te zien liggen. Svetlana antwoordde niet, maar gilde heel hard in een taal dat geen accent meer deed vermoeden en viel flauw achterover op het nat geregende gazon.

Lonnie was wakker geworden van geroezemoes aan de overkant en keek door een zelf gescheurde reet van zijn doos naar buiten. Het was donker. Maar gelukkig had hij nu een zoomlens en terwijl hij bezig was, kwamen twee vleeskleurige panty’s in zijn zoeker. Zijn geluk niet op kunnende, stak hij de hele zoomlens de doos uit en klikte een eind weg.
‘Wat een beelden, wat een geluk! ’t Is maar goed dat Molly nog niet thuis is. Oh dit is neusje van de zalm!’ Het enige waar ie van baalde, was dat ie de flitser niet kon gebruiken. Maar gelukkig stapten de panty’s in meer licht en daar zag hij … Nee, onmogelijk. Dit kon niet waar zijn. En toch zag hij overduidelijk in focus Hollestelle staan met Rinus en de Raaf en nog een vent; die de panty’s zijn badge toonde! Geschrokken trok hij snel de lens zijn kijkdoos weer in en wist bij God niet meer waar ie het zoeken moest. Hij moest Molly waarschuwen! Als die met de bus zou uitstappen, dan zouden ze haar vast en zeker spotten. Hoe was het toch mogelijk? Niemand kon weten dat ze hier zaten. En toch stond daar aan de overkant zijn ergste vijand. Tijd om na te denken was er niet meer en hij kroop via de achterklep naar buiten. In tijgersluipgang kroop hij onder het vervallen huis verder door naar achteren. Daar zette hij het op een achterlijk rennen, in de hoop nog op tijd te komen bij Molly’s voorlaatste halte.

Rinus had inmiddels een snelle verkenning van de tuin gedaan en zei: “hiernaast is een carport. Er ligt wat verroest gereedschap en er staat een kapotte koelkast met wat stoelen. Ik denk dat we haar daar veilig droog kunnen leggen. De kans lijkt mij uiterst gering, dat we daar iets van bewijs mee vervuilen.”
“We moeten toch wat”, sprak de Raaf, die wist dat het nu zijn beurt was. Hij tilde de kleine schoonmaakster op en droeg haar als een juk naar de carport. Jack zette daar twee tuinstoelen klem tegen elkaar, waarop de Raaf Svetlana legde.
“Het is wat primitief, maar gegeven de omstandigheden uitstekend”, gaf de Raaf Jack een knipoog. Blij dat ie wat goeds had gedaan, vroeg hij wie er koffie wilde. “Hiernaast heb namelijk een 24/7 gezien.”
“Beste dat je tot nu hebt voorgesteld Jack”, beaamde nu ook Hollestelle.
“Ik loop even met je mee dan”, zei Rinus. Het was per slot van rekening wel zijn eerste keer in New York. Zo kon hij vast een paar kiekjes schieten met zijn taxfree aangeschafte compacte camera. Want hoe vaak hadden ze niet gezegd; dat het toch zo spijtig was, dat ze geen foto’s hadden genomen van hun verblijf aan de Riviera. Toen Rinus Hollestelle op Schiphol hieraan had herinnerd, was het Hollestelle geweest; die hem spontaan een camera van de zaak cadeau had gedaan.
Terwijl Rinus en Jack naar de hoek liepen, sprak de Raaf: “ik vind dit een hele rare situatie hoor.”
“Eigenlijk weet ik ook niet wat ik ervan moet maken de Raaf. Maar als je zo naar haar kijkt; enig idee over het tijdstip van overlijden?”
“Die is nog lang niet dood hoor.”
“Nee, ik bedoel die dame op het balkon.”
“Oh die ja, ik ga er meteen aan werken okay?”
“Als je zou willen, graag.”
Svetlana werd zacht kreunend wakker en wilde zich bewegen. De stoelen knalden door de opbouw aan te veel stress in het midden hard uiteen en ze belandde niet zachtzinnig op de betonnen vloer van de carport. Hollestelle hielp haar met nog een stoel overeind en gebaarde; dat ze nu weer gewoon kon gaan zitten. Licht bevend nam ze plaats en begon zachtjes te wenen.
“Ik neem aan dat je het slachtoffer kende?”
“Svetlana zei niets, maar knikte weifelend.”
“Zou je mij willen vertellen, wie het slachtoffer is?”
“Ies the landlord, Carmen her name.”
“Het spijt mij, maar kan je iets langzamer praten? Ik heb nogal moeite je goed te verstaan weet je.”
“Ze zegt dat het slachtoffer Carmen heet. En dat Carmen de eigenaar van dit huis is”, sprak Jack met twee XXl-size bekers met warme koffie, waarvan hij er eentje aan Hollestelle overhandigde.
“Rinus brengt de Raaf de zijne”, verklaarde hij de afwezigheid van Rinus.
“Carmen! Die naam stond op dat briefje! Dus ‘dot dot dot dot dot’ heeft Carmen vermoord. Maar wie heet er nou in hemelsnaam dot dot dot dot dot?!”
Rinus kwam aangelopen en zei: “puntje puntje Chef. Die dots staan voor puntjes. Lege plekken die letters moeten voorstellen.”
“Ik denk dat je gelijk hebt Rinus”, sprak Jack onder de indruk.
“Ik heb gelijk Jack. Het is een raadsel Chef. We moeten de juiste letters op de puntjes zetten en dan lezen we vanzelf wie Carmen heeft vermoord.”
Dat was wat Hollestelle zo in Rinus waardeerde. Zo eenvoudig hoe hij de zaken kon schetsen, was een talent op zich en hij was daar maar wat blij mee.
“Dus we zijn op zoek naar iemand met vijf letters. Svetlana, zeg; wat kwam je hier eigenlijk doen?”
“Skoonmaken voor mevrouw, mevrouw die …”, waarop ze weer begon te snikken.
Hollestelle bood haar een slokje van zijn koffie aan, waardoor ze weer wat bedaarde.
“Dus jij werkt als dienstmeid voor mevrouw Carmen die … ”
“Nee, skoonmaakster. Voor huis.”
“Dat zeg ik toch?”
“Ik denk dat ze het anders bedoelt Chef, mag ik?”
“Natuurlijk Rinus.”
“Dag Svetlana, ik ben Rinus en jij bent de schoonmaakster hier. Begrijp ik het goed; dat jij altijd rond middernacht komt schoonmaken en is dat niet een vreemde tijd?”
“Iek hele nacht poetsen voor volgende gasten.”
“Oh nee toch”, zuchtte Jack teleurgesteld, “dit is toch geen airb&b?”
“Nee, ies Homeaway.”
“Maar dat is van hetzelfde laken en pak.”
“Ja, iek skone lakens vouwen.”
“Zeg, wat mis ik hier?”, onderbrak Hollestelle, die geen idee had waar Jack het over had.
“Ik denk dat we hier te maken hebben met een modern soort huisjesmelker Chef”, sprak Rinus. “Zo eentje die op professionele wijze haar hele hebben en houwen verhuurd aan de hoogste bieder. Svetlana, hoeveel gasten waren er hier op het laatst?”
“Tuschen twintieg en dertieg, minimaal.”
“Dat bedoelde je toch Jack?”, vroeg Rinus.
“Ja, dat precies. Dit huis werd door Carmen privaat verhuurd. En anders dat bij de reguliere hotels worden de personalia van alle gasten hier dus niet bijgehouden. Geen records, geen namen.”
“Wel potverdikkie!”, zag nu ook Hollestelle de teleurstelling van Jack in en nam nog maar eens een flinke slok van zijn koffie. Verbaasd keek hij naar waar hij zojuist uit had gedronken en vroeg uiterst serieus, “je weet zeker dat je koffie hebt gekocht?”

Lonnie stond buiten adem uit te hijgen bij de bushalte. Hij was op tijd, hij had nog geen enkele bus voorbij zien komen en daar in de verte kwam de laatste 49 aan. De bus stopte, maar Lonnie stapte niet in en gebaarde de chauffeur door te rijden, die hierop vloekend de deur weer sloot. De bus was leeg, geen Molly. ‘Geen Molly?! Er zou toch niets gebeurd zijn?’, en zijn hartslag steeg weer, toen hij verder richting de Club begon te lopen.

Het gesprek met Svetlana verliep met horten en stoten. Maar uiteindelijk wisten ze een redelijk goed beeld te vormen van dit Homeaway-adres, waar Carmen haar scepter zwaaide. Het huis was verdeeld in verschillende appartementen, allen met eigen op- dan wel ingang. Carmen was naar zeggen een meer dan uitbuitende landlord, die op het mathematische af iedere verdieping van het huis in kaart had gebracht. Er moesten plattegronden van iedere etage zijn. Hierop was ieder meubelstuk, hoe onbenullig ook, op schaal ingetekend door een gerenommeerd architectenbureau. Het was de taak van Svetlana deze plattegronden na ieder verblijf van gasten streng te controleren of niets was verplaatst. Naast de plattegronden moest ze bovendien de ellenlange lijsten bijhouden van het serviesgoed. Die lijsten waren op hun beurt dan weer notarieel vastgelegd. Svetlana haalde een voorbeeld aan, hoe tijdens één van haar nachtelijke controles was gebleken; dat er zeven theelepels op de begane grond waren. Terwijl dat er dus negen hadden moeten zijn! Carmen was ontploft over zoveel slordigheid en had de creditcard van de onwetende gasten onvermeld belast met terughalen van de borg.
“Je bedoelt 400 dollar voor twee theelepeltjes?”, had Rinus nog voor de zekerheid gevraagd.
En dat ze uiteindelijk aan het einde van haar shift op de tweede etage dertien lepeltjes had geteld, waar er volgens de notariële lijsten  twaalf hadden moeten liggen in de keukenla!
“Dus, 400 dollar voor 1 theelepeltje?”
“Ja en diet”, zei Svetlana en had haar rug ontbloot, waarop vele rode striemen zichtbaar werden. “Diet kreeg iek voor straf, omdat iek verkeerd had geteld.”
Het was na het gesprek met Svetlana de mannen duidelijk geworden, dat Carmen niet zo maar een landlord was. Ze regeerde met harde hand en als ze Svetlana moesten geloven, ging ze ook zo om met haar gasten. Daardoor moesten ze ter plaatse constateren; dat er wel meer dan twintig motieven rondliepen, die allen in aanmerking konden komen voor die puntjes.
“Okay, even pauze”, sprak Hollestelle, die wenste; dat ie even naar het bureau kon om zijn gedachten te ordenen. In plaats daarvan moest ie het doen met een gammele carport, waar de regen weer gestaag op begon te vallen.
“Laten we rustig onze koffie nuttigen en wachten op de Raaf. Hopelijk krijgen we dan een wat beter beeld, want deze zojuist geschetste zint mij allerminst.”

Niet veel later kwam de Raaf met een dikke ordner tegen de regen boven zijn hoofd houdende de hoek omgelopen. Hij legde de ordner op het wankele tuintafeltje in het midden van de carport en plofte neer op een door Jack inderhaast aangesleurde tuinstoel.
“Gebroken nek”, sprak de Raaf overuigd.
“De doodsoorzaak is een gebroken nek?”
“Daar is ze uiteindelijk aan overleden ja. Hoe weet ik niet, want nimmer heb ik een zo schoon plaats delict onderzocht. Zo schoon, dat het er zelfs op leek, dat het lijk daar is neergelegd.”
“Je bedoelt dat ze niet hier is vermoord de Raaf?”
“Ik bedoel dat het daar op leek. Maar daar”, wees hij naar de ordner, “daar is ze op gevallen. Ze lag er bovenop en ik kan mij niet voorstellen; dat de dader haar op a vermoord, om haar dan in b neer te leggen en er dan ook nog een ordner onder verbergt.”
“Dat lijkt mij ook heel sterk de Raaf. Maar wat bedoel je dan met schoon?”
“Schoon ja. Zo schoon dat ik zero, nada, helemaal niks aan mogelijke draadjes heb kunnen vinden, die ons verder zouden kunnen helpen. Het is alsof ze door de bliksem is geslagen en zonder hulp van haar medemens is omgekomen.”
“Je denkt aan onweer?”
“Spreekwoordelijk Jack, nergens een brandplekje kunnen ontdekken. Nee, het is mijn professionele opinie, dat ze wel degelijk daar op het balkon vermoord is. Maar door wie en waarom? Geen idee.”
Laat Rinus je even inlichten over het waarom.  Dan nemen Jack en ik die map even door. Laten we in de kelder beginnen Jack, dan werken we ons zo naar boven, okay?”
“Uitstekend. Het lijkt mij dan wel verstandig, dat we Svetlana alles laten tellen. Dan kunnen we zo ook een beeld van haar routine krijgen.”
“Je begint het op te pikken Jack, laten we gaan.”

Lonnie zag net hoe de manager van de Gentleman’s Club de zaak aan het afsluiten was, toen hij de kleine verborgen parkeergelegenheid op liep.
“Hé, halllo! Is Molly daar nog?”
“Molly? Nee, die zien we hier voorlopig niet meer terug vrees ik.”
“Heu? Hoe bedoelt U?”

20161007_054102
opgang naar 1st floor made by Rinus

Nadat ze de kelderruimte hadden doorzocht, kwamen ze tot de conclusie; dat er minimaal vier borden misten. Voor de rest was alles nog wel precies zoals notarieel en architectonisch vastgelegd. Bevend had Svetlana geturfd en rillend van angst had ze gewezen op die vier mankerende eetborden. Jack had haar gerustgesteld, dat Carmen haar niets meer kon doen en stiekem waren beide agenten daar niet echt rouwig om. Maar duidelijk was; dat er ‘iets’ van een worsteling in het kleine keukentje moest hebben plaatsgevonden. Want het was Jack geweest, die enkele kleine scherfjes keramiek onder het keukenkastje had weten te vinden, die precies overeen leken te komen met het keramiek in de kastjes. Ze liepen weer naar de carport, waar de Raaf was bijgepraat door Rinus. Hun bevindingen werden besproken en de Raaf kwam tot een eenduidige conclusie; die hun onderzoek danig vereenvoudigde.
“Dan hoeven jullie alleen nog maar de begane grond te doorzoeken.”
“Mag ik je eraan helpen herinneren; dat er nog twee etages daar bovenop staan?”
“Dat mag. Maar daar gaan jullie niks vinden. Tenminste niks dat met deze moord te maken heeft.”
“Hoe weet je dat zo zeker de Raaf?”
“Waar ligt het slachtoffer?”
“Op de begane grond?”
“Precies. En waarom ligt ze daar?”
“Omdat iemand haar nek heeft gebroken?”
“Nee, omdat ze gevallen is en toen haar nek op die ordner heeft gebroken.”
“Oh ja, ze is gevallen.”
“En hebben jullie ooit een slachtoffer omhoog zien vallen?”
Daar had de Raaf een punt. Het was al ver na middernacht. De mannen voelden nu pas, hoe moe ze wel niet waren en helder denken bleek een enorme opgave geworden. Na het vliegtuig de taxi in en de ferry op, waarna ze meteen ter plaatse waren gegaan en direct vol in het onderzoek waren gevallen.
“Nu we er toch zijn?”, wees Rinus vragend naar boven, “want wie heeft er eigenlijk aan een hotel gedacht?”
Tja, daar hadden ze inderdaad nog niet aan gedacht.
“Volgens mij staan hier twee etages leeg, waar we volgens de Raaf in kunnen zonder het onderzoek onnodig te belasten. Toch de Raaf?”
“Zoals ik al zei; mensen vallen nooit dood omhoog. En ook ik barst van de slaap ja.”
“Jack, als jij Svetlana nou naar huis brengt, dan gaan wij te bedde.  Zien we elkaar hier dan morgen zo rond de koffie weer?”
Maar daar wilde Svetlana niets van weten en ging met schoon goed de trap op. Pas nadat de bedden van vers linnen waren voorzien, mocht Jack haar naar huis brengen. En hoewel Jack er geen vliegreis op had zitten, was ook hij erg moe toen hij naar huis liep.

“Kom alstublieft, wat heeft Molly gedaan?”
De manager liep naar zijn Cadillac en vertelde onderweg; dat Molly voor het eerst die nacht voor een lapdance was gevraagd.
“Een lapdance? Mijn Molly?”
“Of je van jou is weet ik zo net nog niet. Want volgens mij ging ze met die kerel mee naar huis.”
“Nee?! Mijn Molly? Met een wildvreemde?”
“Gek, ik hoorde haar nog zeggen dat het was, alsof ze hem al jaren kende.”
De manager stapte in en startte de motor.
“Waar woont die vent? En waarom zou ze niet terug komen hier?”, vroeg Lonnie nu meer boos dan overstuur.
“Hij reed met kenteken uit Florida en ze hadden het over trouwen. Okay, have a good one”, en weg scheurde de Cadillac, Lonnie ter plaatse in wanhoop tandenknarsend achterlatend.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.