Moord op Staten Island Hoofdstuk VI

Moord op Staten Island Hoofdstuk VI

puntje bij paaltje

Met de eerste ferry zette Molly weer voet op Staten Island en in de ochtendschemering liep ze de heuvel op naar de kijkdoos. Lonnie sliep nog, toen ze de doos binnen kroop. Ze had al gehoopt dat ie nog zou slapen. Want hoe uit te leggen, dat ze haar Lonnie voor de grootste kippenboer van het Zuiden had willen laten? Ze kroop in haar hoekje en hoorde; “zo, je bent weer thuis.”
“Ja Lon, ik ben er weer.”
“Ga je morgen weer dansen?”
“Ja… ja, ik denk het wel ja.”
“Goed. Eindelijk weer warm eten dan en dat is het laatste wat ik er over kwijt wil.”
“Ik hou ook van jou Lon.”

Aan de overkant blies Jack het laatste kaarsje uit. Ze hadden het net gered. De zon probeerde al en met een zoemende brom sprong de elektriciteit weer aan. De mannen werden wakker van het gezoem dat langzaam in sterkte afnam en keken elkaar aan.
“We hebben het gered?”
“Ja.”
“Wie gaat er koffie zetten?”
“Maakt me niet uit, maar ik ga nou naar binnen. De kou zit tot in m’n botten gewoon”, zei Hollestelle, die stram uit zijn balkonstoeltje opstond. Ze liepen naar binnen en zaten even later wakker te worden onder het genot van heerlijk warme koppen koffie.
“Okay, waar waren we?”, begon de Raaf.
“Excuseer heren”, sprak Rinus en stond op om pen en papier te zoeken. Na wat gerommel in diverse kamers kwam hij even later binnen met een blocnote en een big-pen. Jack zorgde voor het volgende kopje, toen Rinus het papieren heft in handen nam.
“Ik probeer alle verschrikkelijke details even buiten beschouwing te laten en wil me beperken tot de puntjes voor nu, okay?”
“Akkoord Rinus.”
“Lijkt mij, gegeven deze omstandigheden, ook de veiligste optie.”
“Ik zou bijna zeggen fire away”, zei Jack, “maar na die inslag even niet.”
De mannen begonnen onbedaarlijk de opgelopen spanning van zich af te lachen.
“Die Jack!”, sloeg de Raaf Jack hard op de schouder.
“Jack”, lachte ook de hoofdcommissaris, “neem van mij aan; dat je in ieder geval de juiste dosis humor voor deze baan hebt. En met de rest komt het vast goed.”
Terwijl er nog over en weer grappen werden gemaakt, begon Rinus een schema op te stellen om één en ander te visualiseren. Hij miste het schoolbord in Serooskerke. Maar uiteindelijk zou dit ook moeten kunnen werken. Uiterst geconcentreerd zette hij vijf puntjes op papier en draaide daarna zijn blocnote om, opdat iedereen duidelijk zijn schema kon bestuderen. De grappen waren nu voorbij en serieus staarden de mannen naar die vijf puntjes van Rinus. “Ik weet dat we niet alle letters hebben. Maar we moeten ergens beginnen en misschien lukt het wel met deze vier.”
“Laat ik dan maar beginnen”, zei de Raaf en schreef de eerste combinatie onder de puntjes van Rinus. Daarna Jack, Hollestelle en ook Rinus, waarna de Raaf weer aan de beurt was. En zo schreven ze alle mogelijk denkbare combinaties op; om zo tot de naam van de dader te komen. Nadat ze al het denkbare hadden opgeschreven, stonden ze op.
Om en om en langs mekaar liepen ze zo om de tafel. Zo goed en zo kwaad mogelijk hoe de enorme tafel in die te kleine ruimte hen dat toestond. Vanuit iedere hoek werd het schema aandachtig bestudeerd. Hollestelle lag half over tafel. Het leek zo wel of ie drie over rood aan het spelen was. Jack stond in de keukenopening met die big-pen als vizier; alsof ie een hele moeilijke hole moest slaan. Uit de keuken had de Raaf twee messen gehaald, die hij op de hem vertrouwde slijpende wijs gebruikte om zijn concentratie scherper te krijgen. Rinus was Rinus en die nam meerdere foto’s met zijn nieuwe camera. Maar ook verschillende belichtingen leek niet te helpen. Het hele alfabet werd erbij gehaald. En toen dat niet hielp, begonnen ze de puntjes te verbinden. Dit nadat Jack zich hardop afvroeg, of ze die dots niet moesten connecten. Ze gingen zelfs zo ver terug in de geschiedenis; dat ze bij ‘five points’ uitkwamen. Die krottenwijk van weleer op Manhattan van het Mulberry district, waar de misdaad hele boekdelen vol heeft geschreven in omerta en meer van die dingen. Maar van die ellende was tegenwoordig niets meer over, hoewel het nabij gelegen financiële district anders deed vermoeden.
“Nee, we draaien door”, sprak Hollestelle, toen de Raaf Lucky Luciano als mogelijke dader aanhaalde. Laten we ons bij die letters houden, dat zijn de bij ons bekende feiten en laten we in Godsnaam niet verder speculeren.”
“MAIL!”, hoorden ze vanuit de gang gillen en snel draaide Rinus zijn schema ondersteboven, toen er een fed-ex-medewerker zijn hoofd om de hoek stak en vrolijk zei: “goodmorning folkes, you got mail!”

20161023_210552
“Post?”, vroegen de mannen zich verbaasd af en nadat Rinus had getekend voor ontvangst, werd hem een donkerzwarte enveloppe met witte letters overhandigd. De postbode groette iedereen vriendelijk en tufte in zijn fed-ex-busje naar zijn volgende adres.
“’t Is inderdaad voor ons”, sprak Rinus zacht en legde de enveloppe op tafel. Daar kon iedereen lezen dat deze post gericht was aan; de bewoners van 110, Westervelt Avenue.
“Maar dat kan iedereen zijn toch?”
“Ik denk ook dat niet wij persoonlijk …”, stopte de Raaf in zijn zin. Want heel langzaam zagen ze de letters vervagen en al dat restte was een onbeschreven zwarte enveloppe.
“Ik maak ‘m niet open!”, deinsde Rinus achteruit.
“Dan doe ik het wel”, zei de Raaf die wel gekkere dingen had meegemaakt, al dan niet door hem zelf veroorzaakt. “Er zit een briefje in. Een klein briefje van … allemachtig dat stinkt toch zeg.”
De kleine eetkamer vulde zich met een humusachtige lucht waarin iets al een hele poos geleden leek te zijn overleden.
“Rinus! Zet alsjeblieft dat raam open”, sprak Hollestelle, die er gewoon een beetje misselijk van werd.
Nadat de frisse lucht die minder frisse draaglijk had gemaakt, ontvouwde de Raaf het briefje en legde deze midden op de tafel en ze lazen;

if ….. killed Carmen and you only see four
look yonder far over the hill
connect the dots even more
not in line but with Bill

“Wat heeft dit nou weer te betekenen? En geeneens een afzender verdikkie!”, sloeg Hollestelle boos en gefrustreerd door het bovennatuurlijke zijn vuist op tafel. Zo hard dat de letters omhoog vielen en door het open raam wegwaaiden.
“Wel heb ik ooit?!”, was het Hollestelle, die als eerste zijn verwondering onder die stoelen of bank vandaan wist te halen. “Zagen jullie dat? Die letters! Die ‘vielen’ … omhoog?”
“Dus als die letters dat kunnen de Raaf?”
“Nee! Dat is onmogelijk! Letters okay, maar een lijk? Onmogelijk!”
“Ik denk dat we toch ernstig rekening moeten gaan houden, met dat dingen hier in dit huis anders kunnen verlopen, dan dat wij gewend zijn.”
“Wij gewend zijn? Iedereen kerel! Wat zeg ik? De hele wereld!”
“Iemand nog koffie?”, verbrak Rinus het daarna ingevallen stilzwijgen. Want hoeveel kan of wil een mens begrijpen van dergelijk mysterieuze zaken?

Buiten vielen de letters in vergetelheid tegen de kijkdoos aan de overkant. Lonnie hoorde iets, maar draaide zich nog maar eens om. Molly zat zich net klaar te maken om naar de Gentleman’s Club te gaan en greep al naar haar pluutje, toen ze dat zachte getik hoorde. Buiten keek ze verbaasd naar een strak blauwe hemel, waar een heerlijke ochtendzon haar begroette. Ze haalde haar schouders op, legde het pluutje weer terug in de doos en begon te lopen naar haar paal.

“Chef? Ik ben bang”, vertolkte Rinus het algemene gevoel aan tafel. Maar Hollestelle wilde daar niets van hebben en zei: “verman jezelf Rinus! Ja, er zijn hier zaken waar ik geen kaas van heb gegeten. Maar aan het einde van de rit gaat het nog altijd om een moord. En als wij ergens goed in zijn; is het wel die op te lossen!”
De hoofdcommissaris was al die vreemde zaken meer dan beu en wilde ook niets liever dan gewoon naar huis gaan. Maar iets in hem zei dat dat niet kon. En een man en man, een woord een woord. “Dat briefje repte over die missende vijfde letter toch?”
“Ja Chef”, sprak Rinus vermand, “en dat we verder moesten kijken over de heuvel.”
“Jack, jij bent van hier. Wat ligt er aan die andere kant van de heuvel?”
“Eh, huizen en daar ongeveer ligt ook de universiteit van Richmond.”
“Bill, dat briefje sprak ook over Bill”, zei de Raaf. “En dat we de puntjes moesten verbinden, niet in lijn maar met Bill?”
“We hebben Bill samen in de ambulance gedaan Rinus. Waar brengen ze hier gewoonlijk slachtoffers met ernstige brandwonden naar toe, Jack?”
“Richmond University Medical Center! De echt zwaar gewonden gaan naar het academische centrum daar. Dus daar moet Bill ook liggen.”
Hollestelle stond op en zei: “dan gaan Rinus en ik naar Bill. Als jij en de Raaf er zorg voor dragen; dat die haarballen bij forensics komen?”
“Doen we. Dan kunnen we meteen in de bibliotheek naast het bureau in de boeken duiken. De lokale bibliotheek schijnt een aanzienlijke occult section te hebben. Ik weet niet hoor; maar misschien kunnen we daar een aanwijzing vinden, hoe we die vijf punten anders met elkaar kunnen verbinden dan in een rechte lijn.”
“Uitstekend plan Jack. Komaan mannen, laten we gaan.”
De mannen stapten het trapje af naar het tuinpad en na de poort gesloten te hebben, sloegen ze linksaf. Bij de eerste straat omhoog naar rechts stopte Jack en zei: “deze helemaal uitlopen. Dan loop je er zo tegen aan. De bibliotheek ligt halverwege tussen de universiteit en mijn bureau. Spreken we daar af?”
“Prima Jack, en succes. Jij ook de Raaf.”
“Komt in orde, tot dan.”

Anders dan bij het gemeentehuis konden ze hier wel door lopen en werden bij de centrale receptie verwelkomd door een warme glimlach. Hollestelle liet het copy van Jack zien en informeerde of er gisteren ene Bill binnen was gebracht. Ze mochten rechtdoor naar de lift en daarna ook daar weer een lange gang door. Hij zou aan het einde links moeten liggen.
Ze kwamen de lift uit en deze gang was nog langer dan die van het gemeentehuis, maar zoveel frisser. Hagelwit marmoleum met om de ene deur een vers gevernist houten bankje onder een immense raampartij, waar de zon vrij spel had. Aan het einde gekomen, zagen ze mensen zitten op zo’n houten bankje voor de kamerdeur van Bill. Vier in  totaal, vier hele dikke mensen. Een dame met overschoenen en geruit rokje en drie kinderen, die allen sprekend op Bill leken, tot hun kleine dikke spencertjes en hoornen brilletjes aan toe. Dichterbij zagen ze dat die overschoenen van die meer dan copulente dame gewoon iets overtolligs van haarzelf was en Hollestelle stelde zich voor.
“Ik neem aan dat U de vrouw van Bill bent? Mijn naam is Hollestelle en dit is Rinus, mijn adjudant.”
Het duurde even eer ze wist op te staan. Maar eenmaal recht viel ze Hollestelle in de armen. Die had al zijn kracht nodig om haar op te vangen en zei: “hoe is het met hem?”
“Dank je wel, dank je wel. Zonder jullie zou ie het niet gehaald hebben”, waarna ze een wat afstandelijkere positie innam, hetgeen Hollestelle erg kon waarderen. “Mijn naam is Bes en ja, Bill is mijn man. Dit zijn onze kinderen, Bill jr.1, Bill jr2 en Bill jr.3. Wat zal ik zeggen? Het gaat. Ze zijn nu even met ‘m bezig. Maar de dokter heeft mij zojuist laten weten, dat hij het gaat redden.”
“Gelukkig”,sprak Rinus welgemeend en ook Hollestelle was verheugd dit te horen.
“Eindelijk goed nieuws”, zei hij.
“Ik heb lang met Bill kunnen praten, want hij heeft een slapeloze nacht gehad. Nu pas begrijp ik de vicieuze cirkel; waar hij niet uit kon komen. Maar dankzij jullie hebben wij weer hoop.”
“Dat is te veel eer mevrouw. Wij staan slechts de politie hier bij. Ik ben alleen maar blij, dat Bill nu weer wat heeft om naar uit te kijken.”
“Mummy?”, klonk het in drievoud vanaf het bankje, “we’re dying over here.”
“Oh my babies, Mummy will take care of that. Mag ik U vragen even bij Bill te blijven, zodat wij wat kunnen gaan eten?”
“Maar natuurlijk mevrouw.”
“Bes, zeg alstublieft Bes. Nou, toedeloe dan. Maar zeg Bill niet; dat wij onder die gele M ziten hoor, hij is daar nogal gevoelig voor zoals U kunt begrijpen.”
De oogappels van Bill stonden moeizaam op en sloften verveeld, samen met Bes, de gang uit naar de lift.
“Het is net negen uur geweest Chef?”
“Misschien hebben ze nog niet ontbeten”, reageerde Hollestelle tegen beter weten in, toen de deur open ging.
“U mag naar binnen hoor”, sprak een vriendelijke verpleegster.

“Ik ben extra vroeg vandaag om mijn uren in te halen, is dat goed?”, vroeg Molly aan de manager van de Gentlemans’s Club die net uit zijn Cadillac stapte.
“Molly? Ik dacht, die zien we nooit meer terug. Maar okay, nu je er toch bent; je weet de weg.”
Binnen knipte hij de verlichting aan, waardoor het iets minder donker oogde. Maar Molly had helemaal geen licht meer nodig, toen ze daar midden op het podium die machtig mooie paal zag staan glimmen. Hoewel er nog lang geen klanten waren, klom ze het podium op en begon te zwaaien, zoals ze nog nooit eerder had gezwaaid. Die kippenboer was slechts nog een vage herinnering en toen de muziek aan ging, vergat ze helemaal alles. Ze liet zich volledig leiden door die paal en glom zelf net zo hard van intense vreugde. Ze was weer terug en dat mocht iedereen zien.

Jack wees de Raaf naar de interne postpakketten, waar de haarballen in konden.
“Die worden vannacht door de nachtbode opgehaald en kunnen dan morgen in the City geanalyseerd worden.”
Nadat de Raaf zijn haarbal en die van de rest netjes had verzegeld, liepen ze door naar het kleine kantoortje van Jack.
“Ik wil even checken of er geen berichten zijn okay? Dan lopen we daarna naar de bibliotheek. Die moet dan net open gaan.”
“Ik vind alles best Jack”, sprak de Raaf gemoedelijk en Jack klikte de mailbox van zijn departement aan.
“Mmm nog geen bericht over de autopsie de Raaf.” Er was één berichtje. Van Marylin, die wilde weten, of hij goed had geslapen. Hij antwoordde; dat alles goed was en of ze na deze zaak eens met hem uit eten wilde.”
Hij had op ‘verzend’ gedrukt voor hij er erg in had. Zo forward was hij helemaal niet. Toch vond hij het fijn, dat ze bezorgd om hem was en hij had het uit pure impulsiteit gedaan. Onmiddellijk kwam er een berichtje terug dat zei: ‘I would LOVE to Jack! XXX’
“Zo, dat gaat hier snel zeg”, zei de Raaf glimlachend over deze aanstaande romance en Jack’s schouder meekijkende.
“Het is niet wat je denkt de Raaf”, stond Jack op het punt de telefoon op te pakken om haar stem te horen.
“Nee, natuurlijk niet. Dat is niks hier op dit eiland”, lachte de Raaf breeduit en vroeg: “bibliotheek Jack?”
“Ja natuurlijk de Raaf, sorrie hoor. Natuurlijk, kom”, en ze liepen naar beneden richting de bibliotheek.
Het was een oude en meer dan waardig uitziende bibliotheek met hoge boekenkasten en van die wentelende trapjes voor de bovenste planken. De occult section echter bevond zich in de kelder, waar de stilte nog stiller leek dan boven. Ze waren de enige daar en begonnen de meest in het oog springende boeken van de planken te halen. Toen ze eenmaal een respectabele stapel hadden, gingen ze zitten aan de leestafel en begonnen aan hun zoektocht naar die rare lijn van vijf. Eigenlijk al vrij snel, toen Jack nog pas met zijn eerste boek bezig was, sloeg de Raaf met zijn vlakke hand op zijn stapel en sprak met een mengeling van enthousiasme en duidelijk onderliggende angst: “jemig Jack! Ik denk dat ik nou al iets gevonden heb.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.