Moord op Staten Island hoofdstuk X

Moord op Staten Island hoofdstuk X

Jack-O-Lanterns

Het was ironisch genoeg op Ellis Island, dat twee half verzopen migranten aan de wal probeerden te klauteren. Dat de inschrijving hier al jaren geleden gesloten is geworden, interesseerden hen niet. Ze waren blij, dat ze weer vaste grond voelden en boos, heel boos. Want op dat hele eiland bleek geen enkele doos te vinden. Molly begon te huilen en zei dat ze zo zeer naar Zeeland terug verlangde. Want dit water voelde veel natter dan thuis. En ook Lonnie had het wel gehad. Ze liepen naar de andere kant van het eiland, waar ze de loopbrug op liepen. In de verte zagen ze een containerschip en zonder iets te zeggen noch te overleggen, liepen ze vastberaden op de contouren van het grote schip af. Het was na middernacht dat ze via de grote tros aan boord klommen. Lonnie brak een container open en ze groeven zich een weg door heel veel verpakkingsmateriaal. En Lonnie spreidde achterin een bedje van bubbeltjesfolie waarop Molly dankbaar ging liggen.
“Geen hankypanky Lon”, zei ze; toen ze in een diepe slaap viel en ging dromen over een piepklein huisje in de polder. En kippen, ineens waren daar die kippen weer terug in haar dromen?

“I won’t ask again!”, schreeuwde Carmen vanuit haar wolk en sloeg haar hand omlaag waaruit een flits vloog, die Bill genadeloos in zijn buik trof.
“Oh nee, ik heb je nog zo gezegd, net nu het weer zo goed met me ging … en nou dit …”, kreunde hij nog naar Hollestelle, toen hij bewusteloos uit zijn tuinstoeltje gleed en naast het bord kwam te liggen op het beton.
Hollestelle overkwam als eerste zijn angst en stond op en zei luid en duidelijk tegen de wolk: “die vijfde letter! Geef ons die vijfde letter en ik zet die stoel weer terug waar ie stond. Erewoord!”
Furieus keek Carmen nu naar Hollestelle en een tweede flits schakelde de hoofdcommissaris uit, die achterover van het bord kukelde. Daarop werd Rinus blind van woede en gilde; Chef! Niet mijn Chef jij …. jij … jij kenau!”
“Niet doen Rinus!”, wierp de Raaf zich beschermend op Rinus.
Carmen bolde haar wangen en blies een verderfelijke lucht met zo een kracht tegen Rinus, dat die naar adem begon te happen, die er niet meer was. En ook Rinus viel, samen met de Raaf dus, op zijn beurt bewusteloos van het bord. Jack had drie tuinstoelen op elkaar gestapeld en zijn evenwicht bewarend, sloeg hij met een blinde slag in de ruimte van de wolk en schrok. Hij had duidelijk iets geraakt en Carmen schreeuwde van pijn. Maar dat kon toch niet? Een geest kon je toch helemaal niet ‘voelen’? Hij haalde een tweede keer uit en Carmen viel uit haar wolk op het bord met een luide knal. Uit routine greep Jack naar zijn handboeien en liep op Carmen af. Maar die sprong onnatuurlijk op en keek hem furieus met gekromde rug op handen en voeten staande aan.
“So you’re Jack? How’s Marylin Jack?” begon ze dreigend als een getergde zwarte panter om haar prooi heen te cirkelen. “Oh wait I think I will ask her myself!”
Ze wierp Jack, zonder hem aan te raken, met zulkse kracht van zich af; dat Jack tegen de gevel van het huis ineen zeeg. Net voordat het zwart voor z’n ogen werd, zag hij hoe Carmen haar armen spreidde. Hij hoorde haar heel ver weg nog hatelijk lachen en zag haar richting het bureau vliegen.

Hollestelle kwam bij zijn positieven en opende zijn ogen. Naast hem lag Bill en geschrokken krabbelde hij op. “Bill! Bill, wordt wakker Bill!”, begon hij Bill door mekaar te schudden.
“Hollestelle? Zijn we in de hemel?”, vroeg Bill meer afwezig dan aan.
“Chef!”, kwam Rinus ook weer bij en schudde de Raaf bij zijn positieven. Hij wees naar Jack. Ze renden op Jack af die ver heen leek.
“Hij ademt nog wel. Laten we hem binnen op een bed leggen”, en ze droegen Jack de kelder binnen. Weer buiten hesen ze Bill in zijn ziekenhuisbed en Hollestelle zei: “nou weten we nog niks verdorie.”
“Niet helemaal commissaris”, zei Bill zijn kussen opkloppend. “Het bord heeft ons duidelijk Carmen gegeven en niemand anders.”
“Daar begrijp ik helemaal niks van”, zei de Raaf.
“Dat mens is toch dood? Morsdood! Toch Chef?”
“Ja Rinus en bovendien; waar is ze nu dan? Ik zie haar nergens meer.”
Heel voorzichtig kwam de ochtendzon op en zodra de eerste straal op het bord viel, viel deze met een geraas in die vier stukken drijfhout, die even leken te gaan bewegen toen een wolk de zon weer verdreef.
“Marylin!”, gilde Jack uit de kelder. Hij stoof naar buiten en gilde; “ze heeft Marylin! Mijn Marylin!”, en hij toonde hun zijn mobieltje. Daar stond een foto van een mooie blonde dame die gekneveld lag, met een puntige spies die boven haar hing. Een binnenkomend berichtje ontpopte zich in een ballonnetje, dat over het scherm begon te zweven en ze lazen de tekst die hen kippenvel bezorgde.

Jack be nimble Jack be quick .
Come and get your girl before the candlestick!

Rinus wees op het touw waaraan die spies hing, dat weliswaar dik oogde. Doch zeker zou scheuren, door die kaars die eronder aan het branden was.
“Wat een verschrikkelijke vrouw!”, siste Hollestelle nu en begon Bill de carport uit, de straat op te duwen.
“Waar gaat U naar toe Chef?”
“Ja Hollestelle, waar gaan wij eigenlijk naar toe?”, vroeg ook Bill, “en dat op een vrije zaterdag.”
“Zaterdag?”, stopte nu Hollestelle in de war.
“Ja zaterdag. Of had je dat niet in de gaten?”
“Nou breekt m’n klomp!”, zei Rinus, en wees naar de etalage van de 24/7, waar net een stapel ochtendkranten was bezorgd.
‘Saturday-edition’, las Rinus en zei: “Chef kijk, hier ligt de krant van … zaterdag!”
“Nee”, zei Hollestelle ten volle overtuigd van zijn gelijk, “we zijn gisteren naar de kerk geweest en hebben nog een dienst meegemaakt daar. Dat doen ze toch alleen op zondag? En dan meneer Pastoor? Rinus! Je hebt zelf gehoord, hoe boos die wel niet was.”
“De kracht commissaris,” zei de Raaf, “dat moet die kracht zijn geweest.”
“Ja”, zei Bill. “Die kan tijd en ruimte verbuigen. Zodat je denkt dat je ergens bent, maar in realiteit ben je elders en ook nog eens te laat. Of te vroeg. Dat laatste lijkt mij bij jullie het geval. Want zeg nou zelf, morgen wordt het pas echt zondag.”
Jack liep verslagen onder de carport door en liep het huis binnen. Even later kwam hij met een paar koppen koffie naar buiten en zei: “eerst koffie en laat Bill eerst maar eens uitleggen; wat voor dag het nou echt is. Hoe we ervoor kunnen zorgen; dat ik Marylin weer ongeschonden terug kan krijgen en dan kan die vijfde letter me eerlijk gezegd gestolen worden.”

Bill wees naar de stapel pas gedrukte kranten tegen de gevel van de 24/7 en zei: “morgen is het dus pas zondag. En nooit heb ik gelezen over een geest dat ‘letterlijk’ uit het bord is gekomen.”
“Ik heb haar geraakt Bill”, zei Jack, “ze voelde koud en kil, maar ik raakte haar wel degelijk. Ik heb het zelf gevoeld.”
“Oh nee”, kreunde Bill en keek de mannen met twijfel aan, toen hij zei: “maar ik heb dan ook nooit over seances gelezen, die werden gehouden net voor zo’n zondag van morgen.”
“Dat lijkt me sterk Bill”, zei Hollestelle nog steeds gefrustreerd over de hele situatie, “hoeveel zondagen heeft een jaar wel niet?”
Ik heb het niet over al die andere zondagen commissaris. Ik heb het over morgen, die ene zondag; dat het net voor die ene dag is.”
“Waar heb je het nou weer over Bill?”, vroeg ook Rinus danig geïrriteerd, over wat hen allemaal was overkomen op het eiland; zonder iets van een mogelijkheid te zien hier wat tegen te kunnen doen.
“Eenendertig oktober?”
“Ja, en dan?”
“Dan is het … Halloween!”
De mannen keken over hun koffie elkaar aan en Jack vroeg: “wat gebeurt er maandag, op Halloween, als we die Carmen nog niet te pakken hebben?”
“Dan, vrees ik dat ze weer haar aardse gedaante kan aannemen. Alleen zoveel sterker dan voorheen en dan …”
“… zal ze tot in de eeuwigheid gasten kunnen blijven ontvangen aan 110, Westervelt Avenue”, vulde Hollestelle hem aan en ze keken naar het huis.
“Ja”, zei Bill, “en niet te vergeten uitbuiten commissaris. En wij zullen daar allen een rol in moeten vervullen dan.”
“Dat weiger ik!”, zei Rinus rebels.
Maar Hollestelle zei niets en dacht aan het mogelijke doemscenario, dat aan het ontstaan leek. Maar zoals in iedere zaak beperkte hij zich tot de prioriteiten in de actualiteit en sprak: “kleine stapjes. Eerst moeten we Marylin zien te vinden en te redden. Dan hebben we morgen nog de hele dag de tijd; om te verzinnen hoe we Carmen kunnen uitschakelen.”
Een zonnetje probeerde weer en een herrie hoorden ze vanachter het huis komen. Over het dak kwamen die vier stukken hout van het bord gevlogen in de richting van het water. In de verte hoorden ze vier plonzen en dreven de stukken hout naar waar het tij hen zou doen laten drijven.
“Op dat bord hoeven we dus niet meer te rekenen, vrees ik”, zei de Raaf naar het water in de verte kijkend.
Jack verzamelde de lege kopjes en zette die op het tafeltje op het balkon en zei: “laten we eerst naar het bureau gaan. Misschien dat we daar een spoor van Marylin kunnen ontdekken.”
En zo begonnen de mannen elkaar achter het ziekenhuisbed twee om twee af te wisselen, toen ze Bill de heuvel op begonnen te duwen.

Bij het bureau aangekomen, staarden ze naar de verlaten policeprecinct van Staten Island. De deur stond wagenwijd open en toen pas merkten ze op; dat her en daar auto’s met open deuren lukraak op straat stonden door Jan en Alleman verlaten.
“Het lijkt wel of iedereen het eiland heeft verlaten?”, zei Rinus.
“Ik kan nog steeds niet geloven, dat het pas morgen zondag is”, sprak Hollestelle en vroeg aan zijn adjudant: “wanneer zijn we eigenlijk aangekomen?”
“Was het niet donderdagavond?”
“Dus we zijn hier pas een paar dagen? Het lijkt zo veel langer …”
“Luister mannen! Luister!”, onderbrak Bill hen vanuit zijn bed en stak zijn vinger in de lucht.
“Ja? Ik hoor niks”, zei Jack.
“Precies! Zelfs geen vogeltje! We zijn alleen! Alleen op het eiland! Met Carmen!”
De gedachte aan deze eenzaamheid weigerde Hollestelle op zich in te laten werken en zei: “hier moet een rationele verklaring voor zijn. Laten we in het bureau ons licht gaan opsteken.”
Ze liepen naar binnen en troffen daar inderhaast ontruimde afdelingen aan. Ze stelden Bill samen met de Raaf als wachters achter de balie bij de receptie op en Jack, Hollestelle en Rinus namen de lift naar boven, naar het bureau van Jack. Op dat bureau lag een gele enveloppe van de gemeente en Jack scheurde deze open.
“Het is een eviction notice. Iedereen wordt gemaand het eiland te verlaten om te schuilen aan de overkant. Er is een hurricane op komst en Staten Island ligt volgens deze laatste berekeningen precies in het pad van Matthew.”
“Matthew?”
“Ja, zo hebben ze die hurricane genoemd.”
“Zie je wel!”, zei Hollestelle met hervonden energie. “Ik wist wel, dat hier een simpele verklaring voor moest zijn. Maar dat de kracht ons zo heeft doen vervreemden van de bewoonde wereld, zegt mij genoeg. Het is hoog tijd dat wij het initiatief naar ons toe gaan halen. Jack? Waar werkt Marylin?”
“Beneden in de telefooncentrale.”
“Ze had dus toegang tot alle communicatie van dit bureau?”
“Eh Ja? Waar wilt U naar toe?”
“En hoe zit dat eilandelijk gezien? Ik bedoel waar ligt de publieke centrale?”
“Ook hier. Staten Island is vrij klein en al lang geleden was er eerst de centrale. Later, toen de misdaad toenam, is daar pas een politiecentrale omheen gebouwd.”
“Dat dacht ik al”, siste Hollestelle tussen zijn lippen en zei: “als jij op een leeg eiland zou zitten en slechte bedoelingen had. Waar zou jij je dan schuil gaan houden om op krachten te komen Jack?”
“Heu?”
“Zou je dan niet precies daar willen zitten, waar alle communicatie binnenkomt en weer verdeeld wordt?”
“Verdomme!”, schrok Jack en gilde; “Marylin!”, toen hij de gang op rende naar de lift.
Hollestelle en Rinus renden achter hem aan en Rinus gilde: “vergeet Bill niet en hou die lift Jack!”
In de lift sloeg Jack zo snel als hij kon op de begane grond knop. “De kelder, de centrale zit in de kelder onder dit gebouw. Naast het archief in de kelder, is de telefooncentrale gelegen!”
De lift zette zich in beweging, maar bleef tussen de derde en tweede hangen en alle lichten gingen uit.
“We hadden de trap moeten nemen”, zei Rinus. Maar Jack was al bezig het plafond naar boven te slaan. Hollestelle gaf hem een zetje en ze zagen Jack in de aangesprongen noodverlichting de lift uitkruipen.
“Ja, we kunnen hier de schacht uit”, hoorden ze Jack van bovenop de lift zeggen. Rinus gaf zijn Chef een zetje, die even later naast Jack aan die andere liftdeur begon te trekken. Rinus moest wel drie keer springen, maar uiteindelijk wist hij er ook uit te klimmen en zag dat de deuren naar de derde etage net langzaam open werden getrokken door Jack en zijn Chef.
“Genoeg!”, zei Hollestelle en ze kropen de gang van de derde etage in.

“So there we are Bill. You ain’t so nimble quite as Jack are you?”, lachte Carmen achter een stijf geschrokken Bill.
De Raaf probeerde nog tussenbeide te komen, maar werd met het grootste gemak bruut naar buiten geworpen. Hij had alles verwacht, behalve dat hij hier Carmen zou tegenkomen, waarna de Raaf wederom zijn bewustzijn verloor.
“Does this hurt Bill?”, en ze drukte met haar wijsvingernagel diep in het buikverband van Bill, die onmiddellijk begon te kermen. Het was waar, wat Jack had verteld. Hij kon deze zieke geest nou ook al in het echt ‘voelen’! En het was nog dagen voor Halloween. Dagen eer ze op de top van haar krachten zou komen.
“I’m gonna count from ten Bill. This is the time I will grant your new friends to come down.”
En ze zette haar woorden direct in vreselijke daden om, toen ze hard een duim dwars door het buikverband van Bill perste. Toen de nagel het nog maar net helende litteken van de M bereikte, schreeuwde Bill het uit van de pijn en hoorde; “two!” Waarop ze haar wijsvinger meteen op haar duim liet volgen.
“Auw! OooooH Auuuuuuw! Help mannen, oh hellup! Aaaaaaauw!”
Het gegil van Bill hoorden de mannen, ondanks hun hogere positie, meer dan duidelijk en ze vlogen het trappenhuis in. Ze buitelden over elkaar heen toen ze zich, vele treden tegelijk overslaand, naar beneden haastten.
“I lied Bill hahahaha!”, lachte Carmen duivels, toen ze beide middelvingers in zijn verband duwde en met al haar vingers zijn wonden uiteen begon te rijten.
Aaaaauw! Auuuuw!! Auw!!!”
“Hahahaha!”
“Oh stop daarmee, aaaaaauw!”
“Hahahahaha!”
Bill was ervan overtuigd, dat zijn laatste minuut was aangebroken, toen Hollestelle en Rinus uit het trappenhuis kwamen stormen en gilden: “halt! Politie!”
Hollestelle hield het copy van Jack leesbaar in de lucht en gilde: “Carmen! Je staat onder arrest! Alles wat je nu zegt, kan tegen je worden gebruikt!”
“Heb je goed begrepen wat Chef tegen je zei Carmen?”, vroeg Rinus en vervolgde: “laat Bill met rust en werk mee, want anders …”
“Hahahaha, or else what?”, en ze groef haar nagels nog dieper in de buik van Bill, die hierop in katzwijm viel. “This spoils all the fun”, pruilde ze even en vloog daarna op de mannen af en spreidde haar armen zo wijd, dat het donker werd. Ze maakte zich op voor een alles vernietigende bliksemschicht en angstig keek Rinus naar zijn Chef. Maar Chef stond dapper en fier het copy van Jack omhoog te houden in de steeds duister wordende ontvangsthal, ondanks dat alle deuren wijd openstonden.
“Now you are mine!”, krijste Carmen waanzinnig boven de mannen uit Serooskerke wervelend en een bal van licht ontstond tussen haar bebloede vingers. Ze begon deze als een sneeuwbal te vormen en de bal werd groter en groter. Toen deze een oogverblindend formaat had bereikt, nam ze de pose van een professionele honkbalwerper op de heuvel aan en zweefde op het punt de bal te gaan gooien, waarmee ze de mannen definitief in haar klauwen zou krijgen.
“You – are – out!”, gilde ze, toen Jack zich vanaf de balie afzette en uithaalde zo hard als hij kon. Hij raakte net haar voeten, maar dit bleek genoeg. De flitsende bol week net genoeg af, om een enorm gat in het trappenhuis te branden en Carmen gilde nijdig. Ze keek naar Jack, die weer de balie op aan het klimmen was. Ze besefte dat haar krachten op raakten na die sneeuwbal van bliksem en vloog door de deuren naar buiten.
Jack stond te trillen op de balie en wees naar buiten. “Ze is gevlucht, ze is gevlucht. Kommeren jullie je om Bill en de Raaf, ik ga naar Marylin.”
Terwijl Jack naar beneden rende, begonnen de mannen het verband van Bill weer te fatsoeneren.
“Dit is niet te doen Chef.”
“Ik weet het Rinus, kom. Het medical centre is niet ver van hier en ze begonnen Bill naar buiten te duwen. Daar troffen ze een verstomde de Raaf aan, die ondanks zijn staat toch mee hielp met het bed.

20161008_104501

“Marylin! Marylin!”, stormde Jack de telefooncentrale binnen. Hij sloeg de kaars onder het koord vandaan en begon Marylin te bevrijden van het switchboard. Carmen had haar stevig vastgebonden met alle stekkerdraden van het switchboard, dus duurde het even. Maar uiteindelijk wist hij haar te bevrijden en huilend viel Marylin in zijn armen.
“Oh Jack, wat is er aan de hand? Ik was bijna ..”, keek ze naar die dreigende spies.
“Ik weet het Marylin, maar nu ben je veilig”, en hij droeg haar naar boven. Eenmaal in de frisse lucht kreeg ze weer wat van haar vertrouwde kleur terug. Ze hoorden de toeter van de ferry en om de hoek zagen ze de laatste inwoners van Staten Island in lange rij voor de terminal staan. In de verte hoorden ze : “this is the last ferry. Please enter in an orderly fashion. This is the last ferry, Please ..”
“Kom Marylin, als we doorlopen kunnen we die nog halen”, en ze begonnen in een looppas de heuvel af te lopen. Ze renden de terminal in en langs de poortjes. Aan het einde van de grote hal zagen ze de laatste passagiers aan boord gaan en Jack duwde Marylin ertussen, maar bleef zelf staan.
“Jack?!”, schrok Marylin, die door de massa werd meegevoerd.
“Ik kan niet met je mee Marylin. Maar als je nog steeds wilt, zijn we nog aan voor vrijdag?”
Marylin werd de boot op geduwd, waarna de hekken werden gesloten en de schroeven door het water begonnen te slaan.
“Jack?!”, riep ze angstig, Jack! I love you!”, waarop Jack het niet meer droog kon houden en zag zijn liefde steeds verder uit zijn zicht varen, totdat hij haar niet meer kon onderscheiden. Toch wachtte hij net zo lang, totdat de ferry niet meer te zien was en toen pas draaide hij zich om.
Door de hal lopende naar de uitgang, nam hij zich voor Marylin weer te zien. Hij was vastbesloten voor eens en altijd een einde te gaan maken aan deze moordzaak. Iets in hem zei; dat ze de naam van de dader voor Halloween moesten weten te achterhalen. Pas als ze de volledige naam van de moordenaar hadden, was de moord ook echt een moord. Met een dodelijk slachtoffer, hoewel dat er nu in niets op leek te lijken. Maar hadden ze op tijd eenmaal de naam van de dader, dan kon Carmen gillen en krijsen wat ze wilde. Dan kon zelfs zij niet meer ontkomen aan de realiteit van deze tijd.
Hij stopte even bij de groentezaak op de hoek en pas daar, realiseerde hij zich; dat hij de mannen uit het oog had verloren.
“Het huis!”, zei hij hardop tegen zichzelf. En Jack begon de heuvel, met een volle zak pompoenen, op te lopen naar het huis. Uit het kleine keukentje pakte hij een scherp mes en begon op het balkon te snijden. Toen hij klaar was, zette hij een kaars in zijn uitgeholde pompoen en stak deze aan.
Tegen de avond hoorde hij de kleine zwenkwieltjes van Bill dichterbij piepen en daar kwamen de mannen aangelopen. Bill lag vers in nieuw verband en de mannen stopten even om te genieten van die mooie pompoen van Jack op het balkon.
“Mannen!”, sprak Jack nu vastberaden, “dit is een Jack O’Lantern!”
“Die wil ik ook!”, zei Rinus en ook de Raaf keek jaloers naar die pompoen van Jack. Jack wees naar de zak op de grond tegen de postbus en zei dat er nog meer messen in de keuken lagen. Ook Hollestelle weifelde toen Jack zei: “ga maar, ik pas wel op Bill.”
Jack duwde Bill het gazon op, die zijn hand nam.
“Nou moet ik jou ook nog bedanken; dat je mijn leven hebt gered. Dank je wel Jack.”
“Hou op Bill, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje en hebben iedere bemanning heel hard nodig.”
Jack begon aan het eten en even later zaten ze aan een simpele, maar hartverwarmende pompoensoep. De zaterdagavond, die nu ook in het echt zaterdagavond was, benutten ze met het snijden van vele pompoenen, die heel sfeervol het kleine balkonnetje aan Westervelt Avenue verlichtten.
“Jack?”, vroeg Hollestelle in het oranje pompoenlicht vanachter zijn koffie. “Even voor mijn gemoed hoor, je heet toch wel in het echt ook O’Leary? Ik bedoel deze heet toch Jack O’Lantern?”, en knikte naar zijn eigen gesneden pompoen met kaars.
“Nou je het zegt Hollestelle, het zou voor de hand liggen. Maar volgens mij heet ik O’Leary. En die Ierse naam draag ik met trots vanaf mijn geboorte, zover ik weet.”
Bill dacht na over die opmerking van Hollestelle en zei zachtjes vanachter zijn koffie: “ik wist het, ik wist het.”
“Ik ga slapen heren”, sprak Rinus even later en ook de mannen waren al bijna in slaap gedommeld op het kleine balkon.
“Laten we in de kelder slapen vannacht”, zei Jack.
“Prima idee, daar liggen we veilig voor de storm.”
Bill werd het trapje afgedragen en onder de carport links van het huis gerold naar de kelderingang. Nadat ze Bill in de kleine gang hadden geparkeerd, deden ze de knip op de deur. Ze wensten elkaar goedenacht en lagen ruim op tijd op hun bed. Ze hadden hun rust meer dan nodig. Want morgen was het dan echt zondag.
De laatste dag waarop ze het verschil nog konden maken.
De regen kwam en Matthew begon te razen over Staten Island.

jack-o-lanterns
Jack-O-Lanterns, made by Rinus, Hollestelle, de Raaf, Bill and Jack

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *