Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk X Kievit

Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk X Kievit

Hoofdstuk X     Kievit

 

Gozer had de hele dag in z’n nest gelegen, vastbesloten om zijn gebruikelijke nachtritme niet verder te verstoren dan nodig. Ruim na zonsondergang ging ie eruit en nam als eerste de beelden van zijn bewakingscamera’s door. Dat deed hij ieder avond, om te zien of er iets ongewoons was gebeurd. De camera gericht naar de telefooncellen op straat leverden niks op en die van de gang en lift gelukkig ook niet. Als laatste checkte hij die van de ondergrondse garage. En daar zag hij, tot zijn blinde agressie, Molly met de bus wegrijden! Onder de douche sloeg hij een tweede ster in de glazen wand met uitzicht over de Maas en gilde weer; “dit is toch niet te ge-lo-ve?!”
In de gang trok hij zijn zwart lederen demi aan en voelde de vertrouwde bult van zijn beretta toen de deurbel ging? Onwillekeurig haalde hij zijn beretta uit het ingenaaide binnenzakje en keek heimelijk door het spionnetje in zijn voordeur.

“De Raaf! Rinus! Ik heb wat gevonden!”, gilde Hollestelle door de slagerij. Vrijwel meteen kwam Rinus met drie mokken koffie op dienblad aangelopen en even later ook de Raaf. Hollestelle nam een slokje koffie en wees naar de Zeeuwsche knopen van Jan die ondersteboven op de werkbank van de Raaf lagen.
“Kijk door de loep”, raadde de commissaris aan en even later keken Rinus en de Raaf elkaar aan.
“Het lijkt wel; of ze open kunnen?”, zei Rinus.
“Ik zag die twee kleine scharniertjes ook”, zei de Raaf, “maar wat ik van Zeeuwsche knopen weet; is dat die echt niet open kunnen.”
“Helemaal met je eens de Raaf”, zei Hollestelle en greep weer naar de loep.
“Kijk, van voren zijn het gewoon bijzonder fraai ambachtelijke werken en van achteren ook. Met uitzondering van die kleine scharniertjes daar. En wat ik er van af weet; hoe ambachtelijk ook, deze technologie stamt uit een veel modernere tijd. Of heb ik dat mis?”
“Nee Chef, zelfs in deze tijd van nanotechnologie heb ik nog nooit zulke kleine mechanische scharniertjes gezien. Het is op ongekend kleine schaal gemaakt. Ik vraag me dan ook sterk af; hoe we die knopen open kunnen krijgen?”
De Raaf schudde ontkennend achter zijn mok; “ik heb zelfs in mijn chirurgijnsetje niet zo’n klein scalpelletje. En toch moet er een instrument bestaan, zo klein dat het klein genoeg is; om die scharniertjes te laten draaien. Maar ik weet bij God niet wie dergelijk klein instrumentarium in zijn vakkenpakket heeft zitten. En zelfs als zo iemand bestaat, dan is het niet op ons eiland. Ik denk dat we het wel eens over de landsgrenzen heen zouden moeten gaan zoeken.”
Rinus begon te glimlachen vanachter zijn mok en zei; “ik ken wel iemand en die is dichterbij dan je denkt.”
De Raaf en Hollestelle keken de glimlachende Rinus aan, die daar even zichtbaar van genoot.
“Nou! Toe dan Rinus, wie dan?”
“Ja! Hoe lang ben je van plan om ons nog in spanning te laten?”
Rinus zette zijn mok op de werkbank en wees over zijn schouder.
“Kievit! Als iemand dergelijk instrumentarium heeft, dan is het onze fietsenmaker wel!”
“Hij heeft gelijk de Raaf. Want niemand kan de fiets van Rinus onderhouden zoals Kievit. God alleen, en Kievit uiteraard, weet hoeveel technologie daar op de vierkante millimeter in zit verwerkt.”

Lonnie had het zo lang mogelijk opgehouden, maar meer kon hij niet meer. Hij deed zijn behoefte in de zinken emmer in de hoek en veegde zich af met wat stro toen de staldeur openging. Ondanks dat de stank niet te harden moest zijn, liep Adri naar binnen en zette de merrie van Jannie in haar hok. De merrie daarentegen werd wel heel erg onrustig van die vreemde lucht. Maar Adri, een beetje boer is gewend, liep zonder problemen naar het hok van Lonnie en keek hem tussen het traliewerk strak aan.
“Heb jij me ontvoerd? Waarom heb je me opgesloten?”
“Waar is het?”, vroeg Adri, waarop Lonnie niet begrijpend zijn besmeurde handen om de tralies klemde en gilde dat ie eruit wilde.
“Alleen als je me vertelt waar het is. Ik heb geen andere keuze. En voor jouw informatie, ik heb je bevrijd”, waarna Adri zich omdraaide, doof voor de gillende Lonnie en de stal weer uitliep het erf op. Bij de achterdeur schopte hij zijn klompen tegen de gevel en proefde de geur van verse spruitjes al in de gang. In de kleine keuken ging hij aan tafel zitten en Jannie schepte op uit de pan, waarna ze de dag door begonnen te nemen.

Hoe Gozer ook probeerde, hij zag niets door het spionnetje en rook meteen onraad toen het te laat was. Farkan schoot met silencer dwars door het sleutelgat van de voordeur van Gozer en de kogel trof hem links in de buik. Door de klap viel hij achterover en in een flits ging het door hem heen; dat niemand hem erop had geattendeerd dat zijn voordeur niet helemaal kogelvrij was. Het sleutelgat ging door zijn hoofd, toen hij achterover in de gang neer viel. Farkan schopte de deur open en schoot zonder na te denken in de rechterpols van Gozer, waardoor de beretta ook nog eens achterover kukelde de gang door. Hulpeloos en gewond staarde Gozer in de loop van een pistool waar rook uit omhoog dwarrelde.
“Waar is het?”
“Ik weet niet waar je het over hebt en wie ben jij eigenlijk?”
Dat had Gozer beter niet kunnen vragen. Een volgende pijnscheut schoot door hem heen, toen een derde kogel zijn rechterknie doorboorde.
“Laatste keer. Waar is mijn cocaïne?”
“K… kook? Gaat dit om die Kook?”
Nu verbrijzelde een vierde kogel zijn andere knie en met zijn goede hand wist Gozer niet meer welke knie als eerste te moeten gaan wrijven.
“Okay, ik lieg. Eén na laatste keer dan. Maar dat is meteen het laatste respijt dat ik je gun. De cocaïne? Waar?”
Gozer leerde snel want harde leermeester.
“Die Kook is bij Molly. Die heeft het van mij gestolen. Ze zal wel op zoek zijn gegaan naar haar minnaar. Lonnie heet ie en hem heeft ze nodig om die Kook aan de man te brengen.”
“Waar is Lonnie?”
“Zeeland! Oudelande is waar ik hem het laatst heb gezien, ik zweer je. Ik wilde net naar hunnie op zoek gaan. Misschien dat we samen …”
Meer zou Gozer nooit meer zeggen. De laatste kogel deed zijn schedel uiteen spatten op de glanzende parketvloer van illegaal gekapt hardhout.
Farkan vloekte dat ie net daar vandaan kwam en liep geïrriteerd over Gozer naar binnen. In de woonkamer zag hij; waar hij naar zocht. Hij pakte drie beveiligingstapes uit hun recorders en gooide ze in de gootsteen van de designkeuken van Gozer. In een kastje vond hij spiritus, waarmee hij de banden verbrandde en hij zette de afzuigkap aan. Meer had hij daar niet te zoeken en ging buiten rustig op de lift staan wachten.

“Ik ben er niet!”, hoorden ze Kievit vanachter de gesloten rolluiken gillen. Ze waren even vergeten hoe dwars eigenwijs Kievit ook al weer kon zijn. Hollestelle beukte op de rolluiken en zei: “Kievit! Hollestelle hier! Politie! Doe open!”
Het rolluik ging onder protesterend ratelen omhoog en als eerste zagen ze de eeuwig zwarte teennagels van Kievit, die mopperend het luik aan het open trekken was.
Kievit is een graag geziene fietsenmaker in het dorp. Maar voor de rest houdt hij zich afzijdig. En iedereen heeft dat eigenlijk zo het liefst. Op ieder uur van de dag, zolang het daglicht schijnt, is de fietsenwinkel van Kievit geopend; met uitzondering van de zondag. Maar dat laatste geldt voor het hele dorp. Zonder morren wordt iedereen tijdens daglicht zonder afspraak vakkundig geholpen. Niets is Kievit dan te veel. In zijn werkplaats is Kievit in zijn element en nog meer op zijn plaats.
Kievit is ieder uur van de dag in de weer met smeren, uitlijnen, kettingspannen en banden plakken. Het is dan ook niet verwonderlijk; dat Kievit de enige fietsenmaker in den lande is, die lekke banden repareert zoals tegenwoordig ook autobanden worden gerepareerd. Hoeveel rubberen stoppen hij al niet in fietsbandjes van allerlei formaat heeft gestopt, weet niemand. Maar ontelbaar is een redelijke schatting. Zo doen Serooskerkers gewoonlijk drie keer langer met hun banden dan gemiddeld. Het geld dat daarmee bespaard wordt, wordt dan ook zeer gewaardeerd. Kievit rekent nooit meer dan nodig en daarmee zijn de bandenreparaties door veel minder werkuren nu al voor een prikkie te verkrijgen bij Kievit.
Kievit is een wat gezette Zeeuw, die overal en altijd, maar bovenal vooral in zijn eigen werkplaats, blootvoets door het leven gaat. Gehuld in zijn enige grijze stofjas met een mensenleven aan smeringen staat hij overdag voor iedereen klaar. Aan zijn onveranderd voorkomen te zien, blijft het moeilijk schatten of Kievit ooit wel eens in bad gaat. Maar een betere vakman voor fietsen is er niet. Daarom is heel Serooskerke en omgeving blij met Kievit en ook wel een beetje trots.
Na jaren in Kruiningen te hebben gewerkt, is Kievit op gegeven moment verhuisd met fietsenzaak en al naar Serooskerke. Maar hoelang dat geleden is, weet niemand meer. In de beleving van de gemiddelde Serooskerker is Kievit er al sinds mensheugenis, dat gezien die verhuizing opmerkelijk is. Toen Rinus hem daar eens, zonder er bij na te denken, attent op maakte; wilde Kievit direct het rolluik omlaag doen. En het was nog maar net na de noen die dag? Rinus, nog gewoon bode in die tijd maar al wel met politionele ambitie, had brutaal doorgevraagd; hoe oud Kievit eigenlijk wel niet was? Want hij was al op leeftijd, toen hij Kruiningen destijds de rug had toegekeerd. Dapper bleef Rinus onder het rolluik staan, want in die tijd was er toch niet veel te doen. En enige baldadigheid kon hem ook niet worden ontkend. Kievit wist dondersgoed, dat Rinus als bode ‘de’ snelweg van de roddel was en had hem als enige daarom echt in vertrouwen genomen. Erop rekenend dat Rinus een man van zijn woord was. Wat hij toen aan Rinus vertelde, moet iets zeer bijzonders zijn geweest. Maar uit respect voor Rinus. alsook voor Kievit zelf, heeft niemand daar echt op door willen vragen. En na verloop van tijd vervaagde de nieuwsgierigheid, want men was maar wat blij met Kievit.

Als enige heeft Rinus wel eens wat los gelaten tegen Hollestelle. Het was op één van die druilerige donderdagen tussen de seizoenen in, dat hij heeft gesproken over zijn gesprek met Kievit. Hoe oud Kievit precies is, wist en weet zelfs Rinus niet. Maar dat hij bovengemiddeld oud moet zijn, staat voor Rinus vast.
In zijn jonge wilde jaren in Kruiningen had Kievit het gepresteerd een gemotoriseerde fiets in mekaar te verzinnen, die schier onbereikbare snelheden wist te halen. Trots was hij op de eerste de beste zondag met zijn nieuwste vinding naar de kerk gereden. Maar al dat hem daar trof, was blaam en afgunst ook wel. Meneer Pastoor had het een duivels vehikel genoemd en nog voor de mis begon, hadden de ouderlingen unaniem besloten Kievit voor het leven te bannen. Nooit zou hij meer een blote voet in Kruiningen mogen zetten. En dat was de reden geweest, dat ie naar Serooskerke was verhuisd. Hollestelle had ademloos geluisterd en pakte de blikkerige koffiepot met houten handvat van de stoof en vroeg of Rinus er nog eentje wilde. Het was ruim voor de komst van de koffie-automaat en meer dan zolang geleden al is het, dat Rinus zijn woord aan Kievit gaf.
Rinus werd uitgenodigd in de pronkkamer waar in alle glorie ‘de’ fiets van Kievit stond te blinken. Kievit had gezegd: “dat is ‘m nou Rinus. Hij is van jou. Maar niemand mag weten waarom ik Kruiningen moest verlaten. Ik heb daar nog familie die ik geen scheve gezichten wens. Zelf ben ik te oud geworden, maar jij Rinus? Geloof me, hij is voor jou gemaakt. En eerlijk gezegd behoort hij op het fietspad in plaats van hier in de pronkkamer.”
Onder de indruk had Rinus de fiets dankbaar in ontvangst genomen, maar niet nadat hij steevast had geweigerd. Kievit had aangedrongen en erop gestaan. En toen heeft Rinus zijn woord gegeven; met niemand er over te spreken, tenzij het iemand zou zijn die Rinus blind wist te vertrouwen. De importantie van de fiets was daarna geschiedenis. En sindsdien heeft Kievit hem altijd gratis in onderhoud gehad. Hij heeft er zelfs een heuse sirene met zwaailicht op maat voor gemaakt en bij de laatste beurt heeft hij de fiets van Rinus voorzien van nieuwe banden met zoomprofiel. Met het blote oog lijken het net slicks, maar optisch vergroot wordt de reden van de onnavolgbare grip duidelijk. Nee, Kievit was en is een genie met fietsen en dus de aangewezen persoon om hen te helpen met de kleinste scharniertjes ooit.

Maar zoals gezegd; zodra de luiken waren gesloten had je aan Kievit een kwaaie. Het was dat er nu politie voor zijn luik stond, anders had hij nooit opengedaan. Ondanks dat Kievit stond te foeteren dat het niet mooi meer was, bedankte Hollestelle hem; dat hij toch had open gedaan.
“Ja, ik kon moeilijk anders niet? Je zei duidelijk dat je van de politie was.”
“Het is dan ook in die functie, dat we een beroep op je kunde willen doen Kievit”, zei Rinus en vragend fronste Kievit zijn zware wenkbrauwen. Ze brachten Kievit bondig op de hoogte van de fase waarin het onderzoek nu verkeerde en nadat de Raaf had benadrukt, dat het wel heel erg kleine scharniertjes waren, zei Kievit: “laat die knopen dan maar eens zien dan.”
De commissaris haalde de twee Zeeuwsche knopen uit zijn zak en gaf ze aan Kievit.
“Mmm!”, zei Kievit en knipte het licht van de fietsenzaak aan en zei: “kom dan maar even door.”
De Raaf deed het rolluik als laatste dicht en daarna stonden ze rondom de werkbank van Kievit, die zo heel anders vol eruit zag dan die van de Raaf. Overal lagen moertjes en nippeltjes, open potten met vet, vuile doeken en nog veel meer ongeopende busjes met de meest exotische smeermiddeltjes. Kievit veegde met zijn eeltvormige onderarm de remblokjes en wat al niet meer opzij en legde de knopen op het schoon geveegde deel van de werkbank. Hij knipte een zeer fel puntlichtje aan, dat een fel omrand cirkeltje van licht en niets anders dan heel veel licht vormde om de knopen heen. In dit licht zagen de knopen er zo mogelijk nog indrukwekkender uit en Kievit was helemaal vergeten, dat ie na zonsondergang had opengedaan.
“Dit is onmogelijk”, prevelde hij en begon verwoed in lades te zoeken. Maar hoe hij deze ook doorzocht, hij vond niet wat hij zocht.
“Wat is onmogelijk Kievit?”
“Die knopen. Dit zijn geen gewone Zeeuwsche knopen!”
“Zover waren wij ook al Kievit.”
“Jullie begrijpen het niet. Ik wilde het nog uitleggen met dat boek. Maar dat moet ik verlegd hebben tijdens of na de verhuizing. Ik heb het jaren niet meer gezien. En toch ben ik ook zonder boek ervan overtuigd; dat dit ‘de’ knopen zijn! En die had Jan de Jonghe?”
“Eh, ja? Maar wat bedoel je met ‘de’ knopen?”
En toen begon Kievit te ratelen, zoals ze hem nog nooit hadden gehoord. Met uitzondering van misschien alleen Rinus, hoewel die ook verbaasd oogde over de waterval van Kievit.

sieraad met knoop 400 BC

“De geschiedenis van Zeeuwsche knoop gaat heel ver terug. De schattingen lopen uiteen, maar de beschreven moderne knopen lopen van ruwweg 1400 tot 1700. Dus ook ver voor die tijd moeten er knopen zijn geweest. Dat weten we ook uit opgravingen. Op basis van de migratie-jaartallen, die dus duidelijk in dat boek staan, moet de eerste wat nu Zeeuwse knoop heet ergens tussen 1400 en 1700 met Sefardische Joden mee naar de Nederlanden zijn gekomen. Daar gaven ze zilversmeden opdracht, om de knoop na te maken in zilver. Vooral Schoonhoven heeft in het begin een belangrijke rol gespeeld in de productie hiervan. De knopen werden vervaardigd voor eigen gebruik of gewoon als handelswaar. Ook in Middelburg vestigden zich Sefardische Joden. Vooral na 1700 is de kennis van juwelen in Zeeland wat duidelijker. Ik zal jullie niet vermoeien met mijn juwelenkennis, want die is net zo groot als mijn fietsenkennis. Heb ik jullie wel eens verteld, dat ik als eerste epo heb toegepast?”
“Kievit? De knopen?”, wees Rinus naar het cirkeltje van fel licht.
“Mmm. ’t Is ook nooit goed. Maar akkoord. Dat wat ik jullie wilde vertellen, toen ik die knopen zag, is iets dat nergens in de boeken specifiek vermeld staat. Maar wat je wel duidelijk tussen de boeken kan lezen!”
“En dat is Kiviet?”, vroeg de Raaf nu wat ongeduldig.
Kiviet wees op de knopen en zei: “dit zijn naar mijn overtuiging ‘de’ originele knopen, die de sefardisten destijds hebben meegebracht. Jullie kijken nu naar de oermal als het ware van de knoop, het voorbeeld waar alle knopen, zoals wij die vandaag kennen, naar gemaakt zijn!”
“Pfffssssst”, floot de Raaf tussen zijn tanden. En ook Rinus en Hollestelle kregen nu nog meer waardering voor deze ambachtelijke knopen.
“Wil jij beweren Kievit, dat wij hier naar de eerste Zeeuwsche knoop ooit kijken?’, vroeg Hollestelle in ongeloof.
“Dat beweer ik en niet alleen dat. We kijken naar wel twee knopen! Iets dat ik voor onmogelijk had gehouden. Om er één te zien te krijgen, heb ik lang geleden al opgegeven. Maar twee?! En dat is tegelijk ook het gevaarlijke van zo’n stel.”
“Gevaarlijk? Ze kunnen dan wel heel bijzonder zijn Kievit, maar het blijven nog altijd gewoon knopen hoor”, probeerde de Raaf te relativeren.
“De Raaf, ik waardeer je als buurman en als slager. Maar alsblieft, sla geen onzin uit in mijn zaak! Ik heb voor je opengedaan. Ik heb de rolluiken bij niet eerder geziene uitzondering opengetakeld en dan kom jij! …”
“Kievit! Kievit! De Raaf bedoelde het niet zo, toch de Raaf?”
“Nee, zeker niet. Mijn excuses Kievit, pardon.”
Kievit keek de Raaf indringend aan, zo diep dat het gewoon een beetje eng werd.
“Je had niet verwacht, dat een simpele fietsenmaker zo maar kon ontploffen? Of wel de Raaf?”
De Raaf schudde van nee. En zowel Hollestelle als Rinus konden niet wachten, waar dit naar toe zou gaan.
Toen keek Kievit naar de knopen en zei: “dat zou je dus ook niet van die knopen verwachten. Maar geloof mij; eentje heeft een springlading!”
“Een springlading?”, fluisterde Rinus.
“Een Zeeuwsche knoop met dynamiet? Meen je dat nou Kievit?”, vroeg Hollestelle.
“Ja. Ik weet niet alles, maar wel dat Zeeuwsche knopen van oudsher in paren worden vervaardigd. Wat vele helemaal mensen niet weten, is dat in den beginne in één knoop de drager zijn of haar diepste geheim in bewaarde. En in de tweede de laatste ontsnappingsmogelijkheid om aan onthulling van dat geheim te ontkomen. Als de wanhoop het grootst is, dan draai je de middelste knop linksom en daarna drie keer rechtsom. Vandaar dat men nu nog steeds dingen aftelt met; drie, twee, één.”
Met het allergrootste respect buurman, maar zelf heb ik nog nooit gehoord van iemand die is opgeblazen door een knoop?”
“Ik moet ook zeggen, dat ik dat nog nooit eerder heb gehoord”, zei Rinus,
“Tja Kievit, als dat echt zo zou zijn, dan had dat toch onderhand algemene geschiedeniskennis geweest?”, vroeg de commissaris.
“Schaamte commissaris. Schaamte over een ontploffende knoop gaat heel erg diep. Zo diep, dat dit niet aan de grote klok werd gehangen. Zelf ken ik bijvoorbeeld maar één persoon die zijn knoop tot ontploffing heeft gebracht. En ik zeg jullie; die heeft het niet na kunnen vertellen.”
“Wie was dat dan Kievit?”
“Een matroos op de kanoneerboot van ene J. van Speijk, maar daar zullen jullie ook wel nooit van hebben gehoord.”
“???”
“Je bedoelt die toch niet van liever de lucht in?”
“Ja, die bedoel ik. Oh, jullie hebben wel van ‘m gehoord? Maar anders dan de reguliere geschiedschrijving ons wil laten doen geloven, was het niet van Speijk zelf die de boot liet ontploffen. Van Speijk was namelijk geen Zeeuw. Hij kon onmogelijk weet hebben gehad van deze ware functies van de Zeeuwsche knoop. Dus hoe kan hij dan deze hebben laten ontploffen? Precies, dat kon hij dus helemaal niet. De geschiedenisboeken hebben ons voorgelogen.”
“Je zei dat je die persoon kende Kievit. Of hoorde ik dat verkeerd?”, vroeg Rinus.
Op dat moment vulden de koolzwarte ogen van Kievit zich met dikke tranen, die over zijn wangen begonnen te druppelen. Het was duidelijk dat Rinus een gevoelige snaar bij Kievit had geraakt, die snel probeerde zijn tranen weg te wrijven.
“Mijn vader Rinus. Mijn vader was matroos op de boot van van Speijk. Het was die verdomd ongelukkige wind, dat de boot naar de Belgen afdreef. En mijn moeder heeft het gevoeld, zo heeft ze me zo vaak verteld. Op het moment dat de knoop ontplofte, sprong de knoop, die vader had achtergelaten op het nachtkastje, open. Dus ja, ik ken maar 1 persoon die zijn knoop heeft laten ontploffen en nou weten jullie het ook. Ik heb liever niet dat …”
“Kievit”, sloeg Rinus een arm ter troost om de fietsenmaker heen, “dit blijft in deze zaak en zal deze zaak nooit verlaten, want dit is een zaak van jou alleen.”
“Dank je Rinus.”
“Ik weet niet van jullie, maar ik kan best een kopje koffie gebruiken”, brak Hollestelle de spanning. En zelfs bij Kievit kon er een zuinig lachje af.

Kievit ging de mannen voor naar het achterhuis, waar hij sowieso moest zijn om de knopen verder te kunnen onderzoeken. Ze zaten in het kleine keukentje van Kievit, waar alles werkelijk spik en span was. Compleet het tegenovergestelde van zijn werkplaats. Het enige dat zijn verwaarlozing in persoonlijke hygiëne hier nog deed vermoeden, waren de zwarte vegen op de lichtgele skai-bekleding van de stoeltjes. Maar buiten dat, onberispelijk. Aan de keukentafel zaten ze mannen nog steeds het verhaal van Kievit te verwerken.
“Altijd op school geleerd dat het van Speijk was”, zei de Raaf.
“Om nu pas te horen wie de echte held is geweest… ongelooflijk.”
“Ja Kievit”, sprak Hollestelle voor alledrie, “jouw vader was een echte held. Het is een enorme eer voor mij, voor ons; om samen met zijn zoon hier op de koffie te mogen zitten.”
“Dank jullie wel. Mijn moeder is er nooit meer overheen gekomen en zelf heb ik er, zoals jullie hebben kunnen zien, tot op de dag van vandaag nog af en toe last van.”
“Mag ik vragen, wat het geheim was dat uit die knoop op het nachtkastje kwam?”
“Dat mag je de Raaf. Geen enkele. Mijn vader had geen geheimen. Maar dat wil niet zeggen, dat er in één van deze knopen geen zit.”
Kievit opende het bovenste kastje en pakte er een weegschaaltje uit. Nadat ze alle vier koffie hadden, legde Kievit beide knopen in tegenover elkaar hangende schalen. De ene knoop woog beduidend zwaarder dan de ander.
“Als ik zou moeten gokken”, sprak Kievit, “dan zou ik mijn geld zetten op de zwaarste knoop. Of te wel; ik denk dat, dat de knoop is met springlading.”
“Maar stel, dat er in een knoop zo een groot geheim zit; zou die dan niet zwaarder gaan wegen?”
“Ik zei al ‘als ik moet gokken’. Dus zit er niets anders op dan een knoop te gaan openen. Andere manier is er niet.”
“Maar dan kan het zomaar zijn, dat ie ontploft?”
“Dat is denkbaar.”
“Nee Kievit, dat risico kunnen we niet nemen!”
“Ik denk dat U geen ander keus heeft commissaris. Of het moet zijn, dat U zonder knopen deze zaak op kunt lossen?”

Ondanks dat Hollestelle niet anders liever zou willen, om Serooskerke zonder fietsenmaker te laten zitten kwam niet in zijn boek voor. “Nee Kievit, geen sprake van!”
Ondertussen zat de Raaf die knopen eens stevig voor z’n oor heen en weer te schudden en zei: “die zwaarste knoop daar zitten korreltjes in. Ik hoor dat duidelijk. Die lichte knoop is geruisloos. Ik denk dat, dat het risico minder hoog maakt. Aanwezig blijft het natuurlijk. Maar in mijn boek wordt het nou wel een risico, dat te rechtvaardigen valt. En als jullie willen, doe ik het wel alleen. Alleen ik weet niet hoe.”
“Chef? Ik denk dat we het risico kunnen nemen. U heeft zelf gezegd; dat de complexheid van deze zaak alleen maar complexer wordt.”
“Klopt Rinus. Okay, in de geest van vader Kievit; als we gaan, dan gaan we allemaal!”, sloeg Hollestelle zijn vlakke hand op het keukentafeltje, waarmee de beslissing genomen was. “Hoe krijg je die knoop open Kievit?”
Kievit stond op en haalde uit een ander keukenkastje een vrij grote microscoop, waar hij de minst zware knoop vast met kleine inbusjes en rubberen ringetjes op het kijktafeltje monteerde. Hij drukte op een knopje en weer zo’n fel lichtje zette de knoop in het lichtste licht tot nu toe door mensen gereproduceerd. Uit zijn vestzakje pakte Kievit een klein etuitje met kleine instrumentjes, waar een Zwitserse horlogemaker nog de grootst mogelijke moeite mee zou hebben. Kievit daarentegen hanteerde gelijktijdig een minuscule schroevendraaier, pincet en een hamertje. Of dan wel werd dat vermoed, want met het blote oog was dit niet te zien. De fietsenmaker tuurde geconcentreerd door de vergroting en begon voorzichtig te tikken. De mannen hielden hun adem in, ieder moment een enorme knal verwachtend.

In de brede xenonlichtbundel van de nog bredere Mercedes zag Farkan het busje opdoemen, dat bij de loods was achtergelaten. Hij stapte uit en constateerde snel; dat het busje leeg was met nergens een spoor van zijn handel. Hij zag er enorm tegenop, dat hij zijn eigen code moest gaan breken. Maar er zat niets anders op. Hij moest wel, want het spoor was doodgelopen. Even staarde hij naar de nacht en toen omhoog. Hoe hij ook redeneerde, hij ontkwam er niet aan een risico te gaan nemen. Iets dat hij niet eerder had hoeven doen. Maar degene die zijn drugs had verdonkeremaand mocht dat nu eenmaal niet na gaan vertellen en hij stapte in en reed langzaam de spoorbaan op.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.