Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk II Nestdrang zonder koppeling

Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk II Nestdrang zonder koppeling

Hoofdstuk II     Nestdrang zonder koppeling

 

“Schat, als jij het hier nou eens gezellig maakt? Dan ga ik het dorp in, want ik denk dat ik precies weet wat jij nu nodig hebt.”
Lonnie bleef stuurs voor zich uit kijken en het voelde alsof het hem allemaal gestolen kon worden. Was dit nu wat het leven voor hem in petto had? Continu op de vlucht zonder perspectief op beter. Hij voelde zich in een diep gat zakken en het was dat Molly hem hardhandig op de wangen tikte, een permanente absence had anders zo maar kunnen gebeuren.
“Vooruit Lon”, stapte Molly monter uit de bestelbus en keek om zich heen.
“Hier valt best wel wat van te maken hoor”, zei ze door de oude loods turend. Het was duidelijk dat hier in geen jaren mensen waren geweest en als hide-out hadden ze het niet beter kunnen treffen. “Ik ben weg Lon en als ik terug kom, wil ik dat er niks gebeurd is. Niks behalve wij, okay?”
Verdoofd knikte Lonnie vermoeid door zijn emoties vanachter het stuur en zag dat Molly huppelend de loods uit liep naar het dorp. Zuchtend keek hij om zich heen door het busje. Hij moest zichzelf vermannen en die lijken zien te dumpen. Hij keek naar de witte canvasbundels achterin en begon met die eruit te sleuren. Hij had geen idee wat erin zat, maar als matras konden ze zeker prima dienen. Daarna reed hij met het busje naar buiten en rook de zee, dat hem wat meer bij zijn positieven bracht of waren het juist zijn negatieven?
“De zee! De zee roept me”, mompelde hij en reed richting de Zeedijk. In de verlaten polder parkeerde hij het busje schuin tegen de dijk aan, na zich ervan gewist hebbende; dat niemand hem kon zien. Hij sprong eruit en rende de dijk op om langs de kustlijn op z’n gemak terug te wandelen. Hij had dit even nodig. Niet om zijn geweten te klaren, want iedereen zou objectief kunnen zien; dat hij slechts schuldig was aan een crime passionel. Of het kwam door Molly haar losbandigheid met die Hongaren, of gewoon de tijd van het jaar? Hij wist het niet en gooide een keitje in de branding; in de hoop dat zware gemoed zo van zich af te kunnen gooien. En hij rook weer de zee, de zee die hem riep.

Het was nog heel vroeg in de ochtend, toen boer Adri Graafeiland zijn akker aan het bewerken was. Hij was al een paar keer heen en weer over het veld gereden en kon het witte bestelbusje zo schuin tegen de dijk aan geparkeerd niet missen. Eerst registreerde het alleen maar, maar na een tijdje begon hij zich toch af te vragen, wat dat busje daar toch deed? Dit deel van de Zeedijk langs zijn velden was geen toeristische en het enige verkeer dat er gebruikt van maakte, was het lokale. Aan de rand van zijn akker, zette hij de motor van de ploeg uit en toen pas zag hij; dat het een busje uit het buitenland was. Hij stak nieuwsgierig de weg over en ging op de treeplank staan om een blik naar binnen te kunnen werpen. Onmiddellijk deinsde Adri geschrokken terug bij het afschuwelijke tafereel dat zich in het busje bevond. Hij rende naar zijn ploeg en ploegde zo hard als ie kon onder hoog opspringend panikerende klonten klei naar de boerderij.

Hollestelle liep de kleine gezellige politiepost van Serooskerke binnen en rook de koffie al.
“Morgen Chef! Koffie?”
“Lekker Rinus en ook een goedemorgen.”
Daarna gingen ze tegenover elkaar zitten wachten op iets, dat voorlopig maar niet leek te komen. Na New York hadden ze enige tijd nodig gehad om alles weer in het gewende perspectief te kunnen zien. Na enige weken echter hadden ze hun gewoonlijke routine weer opgepikt en zo ook de Raaf, die net zijn fiets in de betonnen houder voor het raam parkeerde.
De Raaf groette de mannen aan het bureau en hielp zichzelf aan een bekertje koffie uit de automaat.
“Vandaag zijn de speklapjes in de reclame”, zei hij toen hij een stoel aanschoof.
“Zou je dan voor mij wat achter kunnen houden de Raaf?”, vroeg de hoofdcommissaris. “Rinus en ik zijn pas om vijf uur klaar en je begrijpt dat we niet weg kunnen.”
“Ja”, zei Rinus, “voor mij ook graag de Raaf. Want zal je net zien, dat iemand belt voor een melding als wij in de rij staan bij de slager. Nee, dat gaat ons niet gebeuren.”
De Raaf lachte een beetje spottend. “Alsof jullie zoveel meldingen binnen krijgen. Maar goed, ik zal wat lapjes achterhouden.”
“Je hoeft daar niet zo denigrerend over te doen de Raaf”, sprak Rinus enigszins gefrustreerd door eigen succes. Want het was meer dan duidelijk, dat de misdaadcijfers in Serooskerke en wijde omgeving ver onder het landelijk gemiddelde lagen. Om niet te zeggen dat een dikke nul hun succes vet uitdrukte.
“Dat bedoel ik natuurlijk niet Rinus”, een beetje geschrokken van deze reactie van Rinus. “Ik wilde er alleen maar mee zeggen, dat dankzij jullie we hier geen misdaad meer kennen. En zelf heb ik daar natuurlijk ook een bescheiden rol in gehad.”
“Dat is waar de Raaf”, zei de hoofdcommissaris.
“Vooruit”, zei Rinus, “nog een bekertje dan?”
“Lekker”, spraken Hollestelle en de Raaf gelijktijdig toen de telefoon ging.
“Chef?”
“Ja, ik hoor ‘m ook wel Rinus. Toe neem op en zet ‘m op speaker.”
“Met politiepost Serooskerke. Met de adjudant van dienst spreekt U.”
“Rinus?”, klonk het hijgend uit het kleine speakertje op het bureau.
“Ja, daar spreekt U mee.”
“Rinus! Met Adri! Adri Graafeiland van Oudelande.”
“Ah Adri! Ja, nu herken ik je stem. Wat kan ik voor je doen Adri?”
“Op de Zeedijk hier staat een wit busje. Met drie lijken Rinus! Drie lijken! Helemaal onder het bloed!”
“Wel potverdrie! Adri!”, liet Rinus in de haast zijn bekertje vallen en greep naar zijn blocnote. “Hoe lang staat dat busje daar al?”
“Geen idee. Iemand moet het vannacht of deze ochtend heel vroeg hebben geparkeerd daar, want gisteren stond ie er nog niet.”
“Adri, zou je er zorg voor kunnen dragen; dat niemand aan dat busje komt voordat wij er zijn?”
“Ik kan op de ploeg daar wachten op jullie, denk ik zo.”
“Doe dat Adri, we vertrekken terstond!”, waarna Rinus de hoorn erop gooide en triomfantelijk de Raaf aankeek met een blik van ‘zo, zie je wel.’


Molly schoof de oude groene schuifdeur van de verlaten loods open en riep om Lonnie. Het busje was weg en ook Lonnie zag ze niet. Zachtjes zingend begon ze de balen canvas op te kloppen en naar een hoek van de loods te sjouwen. Daar arrangeerde ze de balen zo, dat het gewoon op een gezellig nestje begon te lijken. Ze zette de boodschappentas ernaast en viel tevreden in slaap. Want ze had precies het juiste medicijn voor haar Lonnie gevonden.
Ondanks de roep van de zee klauterde Lonnie toch maar weer de dijk op en speurde naar beneden. Hij zag niemand en rende de dijk af en begon het oude spoorlijntje naar de loods te volgen. Van bosje naar bosje rende hij steeds harder uit angst gezien te worden.

“Net nou ik de speklapjes in de reclame heb”, verzuchtte de Raaf.
“Het is nog vroeg de Raaf. Als we nu weggaan, ben je zo tegen de middag weer terug.”
“Dan ga ik even een briefje op de deur plakken, halen jullie me daar op dan?”
“Akkoord de Raaf”, zei Rinus gehaast de metaalgrijze voorraadkast induikend, waar hij een grote nieuwe rol afzetlint uitviste.
Hollestelle pakte op zijn beurt een vers schetsboek uit de la en even later stonden ze wat onwennig onder de carport.
Na hun thuiskomst uit New York hadden ze van de toenmalige minister te horen gekregen; dat ze recht hadden op een spiksplinternieuwe patrouilleauto. En zo stond er al enige weken een fonkelnieuw smartje met zwaailicht op gelijke schaal op de oprit van het bureau. Ze hadden er nog niet in gereden, want Rinus vond dat dat helemaal niet nodig was. Hij had zijn fiets en Hollestelle had het smartje slechts schoorvoetend uit beleefdheid aanvaard. Het bleek achteraf helemaal niet zo’n teken van waardering als eerst zo werd gebracht. Het ministerie had als uitdrukkelijke voorwaarde gesteld; dat ze zo dan het hele eiland konden bestrijken. Daarmee werden vele kleinere politieposten op het eiland gesloten. Zo ook die van Oudelande, dat per direct onder Serooskerke was komen te vallen. Achteraf bleek pas, dat de nieuwe patrouilleauto een geschenk van het politiedepartement van New York was. Als dank voor de geleverde diensten. Dat dan ook de werkelijke reden moet zijn geweest, dat de minister moest aftreden. Maar die scheen wel meer gekke dingen gedaan te hebben en bovendien, dat was achteraf. Dus voor nu waren zij de aangewezen Hermandad voor het gehele eiland.
“Het is handiger als we alle drie tegelijk daar aankomen Rinus. Dus?”
“U wilt dat ik rij? Maar ik heb nog nooit ….”
“Komaan Rinus, ik schakel wel. Hier!”, en Hollestelle gooide de sleutels over het kleine dak naar zijn adjudant en stapte vrij moeilijk in. Rinus ging ook met inspanning zitten en draaide het sleuteltje om, waarna een redelijk luid motortje begon te brommen.
“Hoeveel pk heeft zoiets nou Chef?”
“Geen idee Rinus, op naar de slagerij.”
Heftig schokkend reed Rinus met gas- en rempedaal in de war rakende naar achteren en kwam schuin op de rijbaan met een schok tot stilstand.
“Is moeilijker dan ik dacht Chef.”
“Je doet het uitstekend Rinus”, en Hollestelle zette de versnellig in z’n één, waarop het smartje vooruit wipte.
“Gas blijven geven Rinus! Anders slaat ie af!”
En zo scheurden ze even later de hoek om, om weer net zo hard tot stilstand te komen bij de slagerij van de Raaf. Hollestelle knalde tegen het dasboard en Rinus zelf kwam wel heel hard in aanraking met het stuur en het kleine motortje sloeg sputterend af. Met een van de pijn verkrampt gezicht stapte Rinus uit en wees naar de bestuurdersstoel.
“Zou jij willen rijden de Raaf? Ik zit dan wel achterin.”
Nog voor achten reed het kleine smartje met zwaailicht soepel de dijk op en sloeg linksaf richting Oudelande.

Heimelijk schoof Lonnie de groene oude schuifdeur achter zich dicht en zag dat Molly het al best gezellig had gemaakt. Wat moest hij toch zonder haar en hij ging zachtjes naast haar liggen. Dat lag nog eens best wel comfortabel. Heel wat beter dan die oude verhuisdoos op Staten Island. Hoewel de zee nog in zijn achterhoofd riep, kon hij hier best aan wennen.

Eenmaal op de dijk zette Hollestelle de sirene aan en draaide de kleine schakelaar met het onderschrift very quick little blue light om. Zo scheurden het kleine politiesmartje vol gas over ’s Heren wegen naar Oudelande. Na de rotonde voor een kwart te hebben genomen scheurden ze Oudelande binnen, waar zowel de sirene als het kleine blauwe lichtje weer werden gedoofd. Rinus zat verbaasd achterin. Want hoewel hij met zijn fiets natuurlijk veel sneller ter plaatse had kunnen zijn, was dit toch een stuk relaxer. Adri stond al in de verte te zwaaien en even later parkeerde de Raaf het smartje ruim achter het witte bestelbusje. De mannen stapten uit en Hollestelle begon voortvarend zijn schetsboek open te klappen en maakte een snelle situatieschets. Daarna liep hij naar Adri om officieel zijn getuigenis op te nemen. Rinus zette ondertussen het gebied rondom het busje ruim af met het lint en de Raaf begon van buiten de situatie van binnen het busje eens goed in zich op te nemen.
Na een poosje ploegde Adri weer voort en Hollestelle liep met het blocnote onder zijn arm geklemd op Rinus af.
“We hebben niet veel Rinus. Het busje staat er pas sinds vannacht, of deze ochtend heel vroeg. Het moet hier inderhaast zijn geparkeerd als ik naar mijn schets kijk.”
“Ik denk dat U gelijk heeft Chef. Wie parkeert nu zo schuin tegen de dijk op, terwijl je ook gewoon parallel aan de rijbaan kan gaan staan?”
“Precies Rinus, dat dacht ik dus ook”, en Hollestelle liet zijn schets zien, waar hij inderdaad de meest logische parallelle positie met rood had aangegeven.
“Ik heb het afgezette gebied eens goed bekeken Chef. En volgens mij is dit busje hier inderdaad lukraak neergezet. Ik kan verder geen enkel spoor ontdekken, dat iets van licht op deze zaak zou kunnen werpen.”
“Nou, ik wel”, mompelde de Raaf zich in evenwicht houdend op de voorbumper en turend door de voorruit. We hebben hier te maken met moord. En wel drie moorden om precies te zijn.”
“Drie?! Moorden?”
“Hoe weet jij dat zo rap de Raaf?”
“Nou, eentje heeft een krik in zijn achterhoofd en bij de ander steekt een dopsleutel uit zijn voorhoofd. Vanaf hier schat ik maatje 24 mm. Maar helemaal zeker weten doe ik dat nog niet. En die daar, die heeft de rest van het setje hardhandig naar binnen gekregen. Noem mij van God los, maar dat kan echt geen toeval meer zijn. Dat en het feit dat de reserveband nog gewoon ongebruikt aan het chassis hangt en ik nergens een lekke band zie. Dus de enige pechgevallen liggen in het busje. Zoveel pech kan, nogmaals, gewoon geen toeval zijn.”
“Allemachtig, drie? Drie moorden? Mijn hemel Chef, achteraf kon ik best wel leven zonder meldingen. Wat een verschrikkelijke toestand.”
“Dat is achteraf Rinus en je weet dat we daar niks mee opschieten. Het is duidelijk, dat deze omgeving geen bruikbare sporen kan opleveren toch?”
Rinus ging nog even voor de zekerheid zijn afgevinkte lijstje na en schudde bevestigend van nee.
“Nee Chef, ik heb de omgeving nauwgezet bestudeerd. Het enige dat ik van buiten kan zien, is dat het een busje uit Hongarije is.”
“En ik kan alleen maar beamen, dat we met drie moorden van doen hebben. De rest van het onderzoek zal toch echt binnen het busje moeten gebeuren. Nou wil ik wel aan de slag gaan, maar ik zit met twee dingen commissaris.”
“En die zijn?”
“Ten eerste moet ik voor het middaguur in de slagerij staan. Die speklappen verkopen zich zo maar niet van eigens. Maar het tweede, nog misschien belangrijkere ding is; dat ik hier geen enkel instrument tot mijn beschikking heb, om tot een gedegen onderzoek te komen.”
“Wat stel je dan voor de Raaf?”
“Ik stel voor dat ik het busje naar Serooskerke rij. Zo kan ik zien hoe die op de weg ligt en vooral in de bocht. Eenmaal thuis, heb ik dan alles voor een gedegen intern onderzoek natuurlijk. Ik kan er na sluitingstijd dan meteen mee beginnen.”
“Dat vind ik een slecht idee”, sputterde Rinus tegen, die de bui al zag hangen. Van het bureau naar de slagerij was nog geen vijftig meter. Hoe zouden ze dan wel niet uitstappen na zo’n hele rit?
“Ik begrijp je protest Rinus”, zat Hollestelle even aan zijn meer dan pijnlijke neus, “maar in het kader van het onderzoek hebben we geen andere keus. Bovendien, eenmaal onderweg hoeven we minder te schakelen.”
Zo gezegd, zo gedaan. De Raaf ging ze voor. Dat kon ook niet anders, want het kleine smartje had duidelijk de grootste moeite iets van vaart te krijgen. Met grote achterstand op de Raaf reden ze schoksgewijs door het dorp en kwamen bij de rotonde aan, waarover Rinus zich al druk zat te maken hoe die te nemen. Verdere tijd kreeg hij niet, want Hollestelle trok aan de handrem en zei: “waar is de Raaf nou mee bezig?”
Toen zag ook Rinus hoe het witte bestelbusje wel tientallen malen de rotonde volledig nam. Eerst rustig en bedaard, waarna het bestelbusje steeds snellere rondjes begon te rijden. Op gegeven moment helde het busje zo gevaarlijk over, dat Rinus instinctief begon te toeteren en Hollestelle gilde door het open raampje: “de Raaf! Waar ben je mee bezig kerel? Dit is levensgevaarlijk, stop daarmee!”
Het laatste rondje werd zo snel door de Raaf genomen, dat de vonken over het asfalt vlogen. Vrijwel na driekwart rond leek het zeker, dat het busje keihard uit de bocht zou vliegen. Maar net wanneer de mannen hun ogen wilden sluiten; om het onvermijdbare maar niet te hoeven zien, gaf de Raaf een enorme ruk aan het stuur. En met een stuurmanskunst van jewelste katapulteerde het busje zich als het ware de afslag op en verdween snel aan de horizon.  Zich afvragend wat de Raaf nou bezielde, reed Rinus voorzichtig zelf de rotonde op. Na het lastige driekwart rondje ging het allengs wat beter, maar het hield niet over.
“Gekkenwerk”, sprak Hollestelle, nog niet bekomen van de capriolen van de Raaf, toen ie luisterend naar het toerental net op tijd de versnelling in zijn drie gooide. Een enorm gekraak klonk door de kleine cabine en Rinus keek verschrikt op.
“Koppeling Rinus”, zei Hollestelle slechts.
“Koppeling?”

Molly was wakker geworden van een angstaanjagend geluid. Ze zag dat Lonnie naast haar lag en stootte hem wakker.
“Lonnie! Ik zou toch zweren dat ik een sirene hoorde?!”
“Ik hoor niets.”
“Nu ik toch wakker ben”, sprong ze van het canvas en greep naar de boodschappentas, waar ze een multiband met een big-pen uit tevoorschijn haalde.
“Voor jou Lon”, zei ze lief.
“Voor mij? Wat moet ik daarmee doen dan?”
“Nou gewoon, alles van je afschrijven. Hier, als we nou van die oude planken daar een tafeltje maken? Kan jij lekker schrijven en dan kan ik”, tastte ze nog dieper in de tas, “weer lekker gezellig wenskaartjes gaan maken. Er zal hier vast ook wel een markt zijn, waar ik ze dan kan verkopen. En kijk eens wat ik hier heb?”
“Bolussen! En Cola!”, sprong nu zelfs Lonnie van het canvas en even later zaten ze beiden aan een oude schraag op halve kratten te genieten van het weinige dat zo veel op dat moment betekende.
“Oh Lonnie! Ik heb er toch zo’n zin an!”

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *