Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk XI Het geheim van Jan en Jannie

Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk XI Het geheim van Jan en Jannie

Hoofdstuk XI     Het geheim van Jan en Jannie

 

De spoorlijn eindige in een donker veld, waar Farkan de motor uitzette en uitstapte. In het summiere maanlicht dat zich nog door het wolkendek heen wist te dringen, begon hij zijn weg te zoeken in vers getrokken voren. Hij vloekte, want hij wist hoever hij nog moest lopen door die vreselijk kleffe klei. De laatste keer dat hij hier gelopen had, stonden er maisplanten van wel twee meter hoog. Het was droog en zonnig en toen had ie er drie uur over gedaan. Nu was het een open akker en net zoals toen, was de openbare weg uitgesloten. Het risico dat hij nu nam, was groter zonder de veilige bescherming van de maisplanten. Om de meter werd hij door de steeds grotere kluiten onder zijn spekzolen gedwongen te stoppen en dat maakte het er zeker niet gemakkelijker op.


In huize Kievit had niemand meer oog voor het late uur. Allen waren volledig gefocust op de handigheid van Kievit, die om en om voorzichtig hamerde en nog voorzichtiger probeerde met het kleine schroevendraaiertje iets van beweging in de kleine scharniertjes te krijgen. Voor ieder tikje met het hamertje waarschuwde Kievit met een gefluisterd ‘fire in the hole’, dat zijn kunde zo mogelijk een internationale uitstraling gaf. Nee, Kievit wist precies waar ie mee bezig was, zo was de consensus.
“Ik denk dat ik ze nu open kan draaien”, fuisterde Kievit op gegeven moment nog intenser. De mannen bogen zich voorover naar het kleine kijktafeltje van de microscoop, waarop de knoop was vastgezet. Hun nieuwsgierigheid was dermate groot, dat ze het risico van ontploffing op te koop toenamen. Kievit was nu al zolang aan het tikken; dat de kans alleen maar groter was geworden, dat ze met de juiste knoop bezig waren.
“Ja!”, riep Kievit zachtjes. Met een zacht tikje sprong de achterkant van de knoop open door een ingenieus veersysteem, “de knoop is open! We hebben de goede knoop!”
“Oh God zij dank”, sprak Rinus en de Here werd door iedereen even uitbundig geprezen. Daarna was het Hollestelle, die vroeg aan Kievit; “en?”
Uit zijn etuitje koos Kievit een sonde en tezamen met het pincetje, begon hij zijn instrumentarium behoedzaam te manoeuvreren in de knoop en steeds dieper.
“Ik zie … ik zie… wat jullie niet zien. En ja! Ik zie een geheim! Het staat geschreven op een papiertje!”
“Wel potverdraaid!”, sloeg de Raaf door de te lang ingehouden spanning op de keukentafel, waardoor Kievit hard in aanraking kwam met het oculair.
“De Raaf! Verdraaid kerel hou je in! Zie je niet hoe precair Kievit te werk moet gaan?”, reageerde Hollestelle boos. En ook Rinus was niet te spreken over de impulsiviteit van de Raaf.
“Sorrie Kievit. Gaat het met je? Ik … ik … het was stom van mij.”
Maar Kievit reageerde niet. Door de klap was het geheim losgeslagen van de binnenkant van de knoop en oh zo voorzichtig begon hij er een piepklein velletje papier uit te trekken. Du moment het velletje steeds verder uit de knoop kwam, veranderde deze evenredig in grootte. De monden van de mannen vielen open bij het steeds groter wordende velletje van perkament, dat Kievit er steeds verder uit wist te krijgen. Eenmaal in zijn geheel verwijderd, brak de bek van het pincetje af onder het gewicht van het nu duidelijk met het blote oog waarneembare papier, dat zachtjes opgevouwen op het plastic keukenkleed viel.
“Ohhhh, kijk nu toch eens?”, kon de Raaf als eerste zijn verbazing niet onder de keukenstoelen dan wel banken houden.
“Onmogelijk!”, zei Rinus en ook Hollestelle wist even niet meer hoe zijn mond te sluiten. Kievit stond op en borg de microscoop terug op in het keukenkastje en stak zijn instrumentjes terug in het etuitje in zijn borstzak.
“Dit gaat me zeker een paar dagen kosten”, zei hij, doelend op de reparatie van zijn pincetje. “Maar het is het me wel waard. Ik zei toch dat er een geheim in moest zitten?”
Hollestelle herstelde zijn gapende expressie met een volmondig ja.
Toen pas merkten de mannen, dat het al diep in de nacht was en opeens voelden ze zich erg moe. Rinus begon als eerste echt te gapen en Kievit zei, dat ie naar bed wilde. Hij had gedaan wat van hem verlangd werd en hij was niet van plan om nog het papier te gaan ontvouwen om het geheim te lezen.
“Neem dit papiertje mee en hier, heb je de knoop weer terug. Dit geheim is een persoonlijke en ik wil niet weten wat. Ik vertrouw erop, dat jullie hier integer mee omgaan, want zoals gezegd de schaamte. Die enorme schaamte kan generaties overleven, dus houdt daar ernstig rekening mee. Mag ik nou eindelijk naar bed?”
Rinus pakte het papiertje en borg het veilig op tussen de bladen van zijn aantekenblokje uit zijn binnenzak. Ze dankten Kievit voor zijn gastvrijheid en hulp met deze extra grote stap in het onderzoek.
Buiten viel het rolluik achter hen weer hard naar beneden en ze besloten pas de volgende dag, goed uitgerust, op het bureau het geheim te gaan ontvouwen. De Raaf was zo thuis en Rinus en Hollestelle liepen zwijgend onder de indruk en de slaap langzaam over het Kerkplein.

Door het voorzichtige zonlicht in de ochtendmist zag Farkan dat hij er bijna was. Hij begon zo goed en zo kwaad mogelijk met die uiterst vervelende kluiten te rennen. Want als hij het al kon zien, dan was hij zeker vanaf de openbare weg zichtbaar. En dat wilde hij nou juist voorkomen. Buiten adem viel hij tegen de oude gevel van de stal van Adri aan en drukte zich gespannen tegen de gevel. Daar begon hij, met zijn rug stevig tegen de steentjes aan gedrukt, naar het erf te schuifelen. Zo hard mogelijk rende hij, zo gehurkt als ie maar kon, het open erf over en viel met alles wat ie had met de achterdeur in huis. Jannie liet van schrik het fluitketeltje vallen, toen Farkan met getrokken pistool het boerenkeukentje betrad. Adri verslikte zich bijna in zijn eitje, toen hij hoorde: “waar is de cocaïne?”

Molly stond uitzonderlijk vrolijk op, tenminste zover haar heup dat toeliet. Molly had een uitstekende nachtrust gehad. Zowat de beste in tijden. Vrolijk liep ze de trap af en keek naar de balen in de gang en keuken. Het zonnetje probeerde buiten, waardoor Molly er nog meer zin an kreeg dan dat ze al had. Het werd tijd dat Molly eens aan zichzelf ging denken, bedacht ze zich.
Uitzonderlijk vrolijk waggelde ze het huisje uit, om te voet en te heup boodschappen te gaan doen. Het stond haar zo helder voor ogen, dat ze haar onwillige heup vergat en steeds sneller begon te lopen. Bij de Spar aangekomen zag ze een behoorlijke rij staan, waar ze netjes achteraan sloot. De rij bleek al snel te bestaan uit zeer bezorgde dorpsbewoners, want de Spar was op deze zaterdag nog gesloten? Na een tijdje besloten de dorpelingen na rijp beraad; dat ze zich dan maar zelf moesten gaan helpen. Ordelijk begon men alzo zijn en haar boodschapjes te doen. Bij de kassa liet een ieder keurig een briefje voor Jannie achter, waarop gekrabbeld werd; wat ze in hun karretje hadden geladen. Zo ook Molly, die met twee overvolle winkelwagentjes, volgeladen met grote zakken vers gemalen boerentarwemeel, hard ratelend over de keitjes terug liep naar het ouderlijke huisje van Jannie. Fluitend werden de winkelwagens uitgeladen en daarna bracht ze de wagentjes weer netjes terug naar de Spar. En huppelend bijna liep ze weer vrolijk terug.

Uitgeslapen en verlaat opende Rinus deze zaterdag het bureau. Na een paar minuten kwam ook Hollestelle binnen. En het was toch al bijna half negen eer ze aan de koffie zaten, toen de Raaf zo niet uitgeslapen binnen kwam wandelen.
“Hemeltje de Raaf, wat zie er uit”, kon Hollestelle zich niet verbijten. Maar de wallen onder de ogen van de Raaf waren dan ook niet te missen.
“Heb jij überhaupt wel geslapen?”, informeerde Rinus zorgelijk en zette een vers bekertje koffie voor de Raaf op het bureau.
“Nee, ik heb de hele nacht mijn coupes bestudeerd. Ik heb namelijk ook een microscoop.”
“De Raaf? Je bent toch niet jaloers op Kievit?”
Verongelijkt slurpte de Raaf even aan zijn bekertje koffie en zei daarna: “nee, want ook ik heb nieuws!”
“Vertel!”
“Wel, ik heb twee conclusies kunnen trekken aangaande de fysiologie van Jan de Jonghe ten tijde van zijn overlijden. En niet alleen dat, want daarmee heb ik gelijktijdig ook de oorzaak van zijn overlijden wetenschappelijk vast kunnen stellen. En die was, zo weet ik nu, inderdaad helemaal niet zo onschuldig. Je instinct had het goed commissaris.”
“Ik wist het! Vertel!”
“In de genomen coupes is, onomstotelijk zeg ik jullie, een overdosis aan cocaïne gebleken!”
“Wat? Jan de Jonghe is overleden aan, … aan een overdosis drugs?”
“Je weet zeker, dat je het over Jan de Jonghe hebt toch?”
“Honderd procent onomstotelijk staat het voor mij vast. De reden dat ik er zo uitzie en de hele nacht heb kunnen door kijken, is dat de concentratie aan pure cocaïne in de weefsels van Jan, na al die jaren, nog steeds zo absurd hoog is. Zo absurd hoog, dat mijn definitieve conclusie een onvermijdelijke is. Jan is overleden aan een overdosis cocaïne, die moedwillig is toegediend geworden!”
“Wat zeg je me daar?!”
“Wat ik jullie zonet zei. Het is onmogelijk zo’n enorme hoeveelheid cocaïne bewust toe te dienen in één keer. Gezien de mate van doordringing in de dieper gelegen weefsels moet arme Jan minimaal maandenlang aan dat spul zijn blootgesteld. Dat en de verscheurde celstructuren in de monsters die ik uit de halsstreek heb verkregen. En die duiden maar op één ding en dat is dat iets of iemand met uitzonderlijke kracht de hals van Jan zo hard heeft samengeknepen, dat alle cellen verscheurden. Daarmee mijn tweede en laatste conclusie onthullend.”
“Jan de Jonghe is niet alleen overleden aan een o.d.? Maar ook nog eens gewurgd?”
“Dat zeg ik ja.”
“Wel potverdikkie”, zei Rinus en begon de spons heel hard samen te knijpen, waarmee hij met lange halen het schoolbord begon schoon te wrijven Zo hard dat hij niet merkte, dat het water onder zijn mouw naar zijn oksel liep.

“Rinus! Niet nu!”, maande de Hoofdcommissaris zijn adjudant tot orde. Geef ons eerst eens verse koffie en dan gaan we samen het geheim van Jan lezen. Ik heb zomaar het idee, dat we nu iets echt te pakken hebben!”
Dankzij de koffie had nu ook de Raaf het idee; dat ie weer net wakker was geworden. Rinus trok het gevouwen papiertje uit de knoop weifelend naar zich toe. Hollestelle had de eer aan hem gelaten, om het geheim voor te lezen en ze gingen er dan ook allemaal even goed voor zitten. Rinus ontvouwde met lichte tremor het briefje en kuchte even een paar keer voor hij begon voor te lezen.

Geachte Knoop,

Ik, Jan de Jonghe, high van lijf en leden, moet het volgende geheim bekennen, opdat ik deze voor altijd met mij mee zal dragen. Tot in den dood zal ik moeten leven met dat wat ik heb gedaan en dat is in het geheel niet fraai. Ik beken dit met het schaamrood op de kaken en kan alleen nog maar bidden, dat de Heer mij ooit kan of wil vergeven.
Mijn gehele leven lang ben ik een deugdzame inwoner van Oudelande geweest. Zo deugdzaam, dat ik nimmer een vrouw heb mogen hebben. De gedachte aan vleselijke zonde alleen al boezemde mij zoveel angst in; dat de enige lust die ik mij veroorloofde die der melk was. Volle melk welteverstaan en dan vooral verse van de koeien van Adri. Iedere ochtend kocht ik zo een halve liter verse volle melk bij Jannie van de Spar en mijn leven was goed zo. Tot die vreselijke dag ergens in mei.  

Rinus legde even het papiertje neer om een slokje koffie te nemen, waar hij beide handen voor nodig had. Hij trilde zo van de heersende spanning, dat deze ingelaste pauze ook voor Hollestelle en de Raaf een welkome was. De realisatie dat ze het diepste geheim van Jan te horen zouden krijgen was een surrealistische, doch gelijk ook een harde rauwe. Ze voelden zowaar zelf schaamte, door deze intieme inkijk, opkomen en konden alleen maar gissen naar hoe diep Jan zich moet hebben geschaamd.

Het was na een hele lange koude winter die zowat tot ver in april had geduurd. Het was de eerste lentedag van het jaar en in een heerlijk zonnetje liep ik in het gouden ochtenduur door ons dorp naar de Spar. Het was nog vroeg en maagdelijk stil op straat. De enige die al op waren, waren de zangvogeltjes en Jannie natuurlijk. Ik liep zoals iedere ochtend, nu alleen met meer leven in me dan anders, de Spar binnen en zag Jannie niet achter haar kassa zitten. Ze bleek in het gangpad te staan met verse zuivelproducten. Ze was de onderste schappen aan het bijvullen met verse producten en had mij niet horen binnenkomen. Of het de zon was die zo mooi scheen, of het perfecte achterwerk van Jannie in dat licht? Ik voelde mij gewoon duizelig worden van lust en het overkwam mij gewoon. Daar in het gangpad tussen de kakelverse eieren en gekoelde volle mek, heb ik haar besprongen …
Hoezeer ik ook probeer te achterhalen wat er daarna is gebeurd, mijn geheugen heeft het al verdrongen. Ik schrijf dit geheim op om mijn zonde aan U te bekennen, want het is zonet gebeurd. Ik vind het van groot belang, dat ik deze zonde opbiecht, hoezeer ik deze ook na het sluiten van de knoop vergeten zal, spreek ik de diepe wens uit, dit geheim met mij mee in het graf te nemen.

Vriendelijke groet,
Jan de Jonghe.

De mannen zaten naar het papiertje van Jan te staren, die Rinus uit zijn handen had laten vallen uit pure schok. Niemand wist wat te zeggen. Het was zoals te doen gebruikelijk de Raaf, die als eerste wat kon zeggen.
“Wat moet Jannie zich opgelaten hebben gevoeld.”
Hollestelle zei even daarna; dat ie vanaf nu heel anders naar knopen ging kijken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *