Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk XIX Kogels door de kerk

Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk XIX Kogels door de kerk

Hoofdstuk XIX     Kogels door de kerk

 

Het zware geronk van de dieselmotoren was door heel het dorp te horen, toen de zware vrachtwagencombinaties dreunend de dijk af kwamen rijden. Trillend, piepend en sissend kwamen de vrachtwagens achtereenvolgend tot stilstand voor het politiebureau. Het was Rinus geweest die, geschrokken door het geluid, de hoek om was gerend en Sjaak had zien uitstappen.
Nu stonden ze allemaal weer in de werkplaats van Kievit, waar Sjaak zich aan iedereen netjes voorstelde. Achter op het land bij het bureau waren ondertussen manschappen in het donker bezig bouwlampen te plaatsen. Anderen waren al met stevige tentstokken aan de weer. Het hiermee gepaarde geluid en die van harde stemmen in de nacht, wekte de meeste dorpsbewoners. Hier en daar stak er al één zijn hoofd slaperig van nieuwsgierigheid uit een dakkapelletje. Zo ook meneer Pastoor, die de kerk uitkwam en licht zag branden in de werkplaats van Kievit. Hij was er als eerste bij om verhaal te komen halen. Het duurde niet lang, of bezorgde dorpsbewoners begonnen bijeen te drommen op het Kerkplein. Hollestelle liep naar buiten om zijn mededorpsgenoten gerust te stellen. Inmiddels wist iedereen wel, dat er na de moorden iets bijna net zo verschrikkelijks in Oudelande was gebeurd. De angst was dan ook groeiende in de omliggende dorpen op het eiland.
“Ik begrijp dat jullie zorgen hebben. Maar geef ons even de tijd om te overleggen. Dan beloof ik jullie, dat ik zo spoedig mogelijk met alle informatie kom.”
Meneer Pastoor stelde de kerk beschikbaar en jong en oud nam zorgelijk plaats in de bankjes, in afwachting van wat Hollestelle hen zou komen vertellen. Het was dat iedereen een rotsvast vertrouwen had in de Hoofdcommissaris, want paniek lag zo maar op de loer.

“Ik heb de mannen in stelling gebracht. Zodra jullie klaar zijn, kunnen ze de quarantaine opblazen en vanuit vier verschillende richtingen de dorpskern omsingelen. Maar er is nog iets dat jullie moeten weten.” En Sjaak vertelde over die koeien, die tegen de verkeerde kant van de quarantaine aan het oplopen waren.
“De cc-per meter is boven het maximum van het quarantainelint uitgekomen!”, verwoorde de Raaf een ieders grootste angst.
“Wat dus een kwestie van dagen was, is er nu eentje van uren geworden heren”, sprak Hollestelle, vanuit zijn natuurlijk leiderschap. “Sjaak, heb jij toevallig rubberen kogels bij je?”
“Ik heb tenten, pakken met zuurstofmaskers, pakken zonder maskers, een duizendtal veldbedden met schoon linnen en vier pelotons met ondersteunend personeel. Maar helaas geen rubberen kogels. Alleen maar echte. Waarom eigenlijk?”
Tijd voor uitleg was er niet, toen Kievit zijn handen uit zijn stofjas haalde en aan Sjaak vroeg, of hij een echte kogel kon zien. Even later zat Kievit samen met Pierke aan de werktafel onder het felle puntlicht en de anderen stonden daar zo dicht mogelijk omheen.
Kievit aanschouwde het koper van de kogel aandachtig onder optische vergroting en dacht ondertussen heel hard na. Het was Pierke die vroeg; “dat hele ding is toch niet de kogel?”
“Nee”, zei Sjaak, “het achterste en tevens grootste deel is de kruitkamer. Het puntige uiteinde daar? Dat is de kogel, die met een koudlas in de kamer geklemd zit. De ontploffing van het kruit doet de las verbreken en de kogel wordt afgevuurd.”
“Dus die kogel kan hoe dan ook vervangen worden Kievit”, sprak Pierke. “Kan jij die koudlas verbreken en dan eventueel de kogel vervangen met een rubberen?”
“Dat lijkt mij geen enkel probleem”, begon Kievit de kogel voorzichtig uit de huls te wringen.
“Kan jij überhaupt rubberen kogels maken Kievit?”, vroeg de Raaf.
“Het repareren van fietsbanden is ingewikkelder buurman. Zo’n kogel van rubber is het minste dan.”
“Maar hoe gaan we dan dat paardenmiddel van Pierke er in verwerken?”, vroeg Rinus zich af en hij had een punt.
“Tja”, sprak de Raaf, “Rinus zegt wat wij allemaal denken. Hoe krijgen we dan het paardenmiddel erin verwerkt?”
“Dus hoe willen jullie eigenlijk dat het paardenmiddel met die rubberen kogel wordt afgeschoten?”, vroeg Kievit, de kogel eruit wippend. En hij keek vragend om zich heen. Maar niemand durfde te antwoorden. De Raaf keek naar het plafond, Hollestelle en Sjaak schudden hun hoofd en Rinus keek hem min of meer wanhopig aan. Pierke had wat uit zijn neus gehaald en zat daarmee, zwaar denkend voor zich uit te staren, onderwijl een balletje van te draaien.
“Ik denk, dat ik dankzij Pierke wel een ideetje heb”, en Kievit liep naar de metalen voorraadkast, waar hij een pot uit pakte. “Rinus, in de keuken liggen in de linker la plastic rietjes. Zou jij die even kunnen gaan halen?”
“Pierke?”, vroeg Kievit om de aandacht van Pierke. “Zou jij hier precies zo’n balletje van kunnen draaien, als die daar; die je net uit je neus haalde?”
En Kievit begon het goedje in die pot te mengen met wat vloeistof tot een egale massa. Daarna pakte hij er met een klein lepeltje een beetje van de inmiddels vloeibare latex uit en legde dat voor de neus van Pierke. Pierke nam de kleverige latex tussen duim en wijsvinger en begon gedachteloos hiervan een balletje te draaien. Na een paar minuten werd het balletje harder en toen zei Kievit: “stop, dat is genoeg Pierke. Dank je wel en leg nou het balletje maar op de werkbank neer.”
Van Rinus pakte Kievit een rietje en vulde deze met wat wit nog ongemengd poeder en stak het rietje precies in het midden van het balletje.
“Kan jij de kruitkamer voor me vasthouden? Op deze hoogte ongeveer”, vroeg Kievit aan Pierke, die de huls oppakte en deze op de gevraagde hoogte hield. Kievit ging staan en stak het rietje met het balletje aan het uiteinde de huls in. Met twee handen het rietje stabiliserend begon hij zachtjes door het rietje te blazen. Het poeder blies hij zo heel voorzichtig het balletje binnen, dat opzwelde. Nadat het rubberen balletje goed klem was geblazen in de huls, haalde Kievit er voorzichtig zijn rietje weer uit en overhandigde de nieuwe kogel aan Sjaak en zei: “schiet deze eens af. Je kan het tegen die muur doen.”
Iedereen stond ademloos toe te kijken, hoe Sjaak het geweer door begon te laden met de custom made rubberen kogel van Kievit. Sjaak legde aan en haalde de trekker over. Een enorme droge knal klonk door de werkplaats en het rubberen kogeltje knalde tegen de muur aan, waar het uiteen knalde zonder schade aan de stenen te berokkenen. En de mannen zagen dat het wolkje poeder zich ruim rondom het punt van inslag had verspreid.
“Geniaal”, sprak Hollestelle als eerste. “Ge-ni-aal Kievit!”
“En dat heren”, duwde Kievit weer zijn handen in zijn eeuwig grijze stofjas, “is wat ik een menselijke hollow-point zou willen noemen.”


De knal had de dorpsbewoners geschrokken weer naar de fietsenwinkel doen rennen en ze begonnen nu toch wel eisen te stellen. En eerlijk is eerlijk, om zomaar in de nacht een kogel af te schieten? Dat was in Serooskerke not done, om niet te zeggen nooit.
“Beste dorpsgenoten”, begon Hollestelle. “Ik besef, dat het midden in de nacht is. Maar de deadline van de quarantaine is zojuist overschreden!”
Welgemeend geschrokken kreetjes van paniek kreeg hij als reactie.
“Maar weest gerust mijn mede-Serooskerkelingen. Wij hebben heel hard gewerkt aan een oplossing!”
Hollestelle vertelde alles, wat ze hadden gezien in Oudelande; waarop nu kreten van afschuw klonken met vooral heel veel medelijden.
“Laten wij bidden!”, gilde meneer Pastoor. Doch die werd door Rinus vriendelijk doch dwingend aan de kant geschoven.
“Zojuist”, sprak Rinus nu, “hebben wij het definitieve plan de campagne uitgewerkt. Ik weet dat jullie erg geschrokken zijn van die vrachtwagens en van die knal. Maar geloof mij als ik zeg; dat wij de meest humane wijze hebben gevonden; om het verschrikkelijke probleem, dat zich nu langzaam vanuit Oudelande aan het uitbreiden is, adequaat het hoofd te kunnen bieden!”
Een zacht optimistisch gejuich steeg op. Als de politie het zei; moest het wel waar zijn. En bovendien, de politie had hen al eerder van rampspoed behoed en iemand vroeg: “kunnen wij helpen?”
“Goed dat jullie dat vragen”, liep nu de Raaf naar buiten. “Ik heb zojuist geklokt, hoe lang het duurt om een hollow-point te blazen. En tegen de tijd dat Kievit er duizend heeft geblazen, zijn we zeker tien dagen verder!”
“Dan”, liep meneer Pastoor stiekem vanachter de rug van Rinus vandaan, “gaan wij meeblazen!”
En inderdaad bedacht Hollestelle zich, Serooskerkers waren van oudsher zeer goed bekend met het gecontroleerd blazen op koperwerk. Dit jaar nog had de blaaskapel ‘De koperen Seroos’ hele hoge ogen gegooid bij de provinciale jamboree. Hoopvol keek hij om naar Kievit, die zei; “dat zou waarachtig best eens kunnen gaan werken Camiel.”

Rinus met ‘boorkolom maar dan anders’ van Kievit

De dorpsbewoners werden in vier gelijke delen verdeeld.
Zo ging Rinus met zijn toegewezen deel in het zaaltje van het Oranjeboomcafé alle munitiekisten uitpakken. Vervolgens was het aan Rinus zelf, om al die kogels uit hun hulzen te gaan wrikken.
Kievit had daarvoor in de gauwigheid een ingenieus apparaatje in mekaar verzonnen; een soort van boorkolom maar dan anders. Met dit statief kon een ieder, zonder kennis van enige explosieve zaken, redelijk veilig en uniform gemakkelijk met de ingenieuze   hefboomwerking de kogels uit hun hulzen krijgen. Iedereen droeg zijn steentje bij. Rinus kreeg als eerste zelfs een glas gratis bier en een stel lekkere bruine boterhammen met kaas, nadat de keuken en bar van het Oranjeboomcafé was opengegooid. Vanuit het Oranjeboomcafé vormde zich gestaag een menselijke keten naar de kerk. Waar de gesepareerde kogels en hulzen van hand tot hand gingen.
De Raaf bekommerde zich met zijn deel van de dorpsbewoners om alle rietjes, die er verspreid door Serooskerke in o.a. keukenlades lagen, te verzamelen. Met zo’n rietje zoog hij dan uit de bus een volle dosis van het paardenmiddel in een rietje. En via een tweede menselijke keten, die begon al in het schuurtje van Pierke, werden de rietjes met volle dosis horizontaal gehouden naar de kerk gebracht.
Pierke en Hollestelle hielden toezicht over hun derde deel en niet alleen dat. Ook zij draaiden zelf de nodige balletjes latex, die dan net voor volledige uitharding via de derde en laatste keten naar de kerk werden vervoerd.
In de kerk zelf gaf Kievit instructie; hoe de hollow-points te assembleren en blies de nodige balletjes eerst even voor. Toen het vierde deel van de dorpsbewoners zag, hoe simpel het eigenlijk was; begon de assemblage op de bankjes van de kerk pas echt goed te lopen. Meneer Pastoor zong de ene na de andere psalm en de ene na de andere hollow-point werd op de gestaag groeiende stapel met andere hollow-points geworpen, waar Kievit deze met een vergrootglas zat te controleren op mogelijke fabricagefouten. Pas na zijn goedkeuring mocht de kogel terug in de munitiekist.

Sjaak was polshoogte gaan nemen op het veld achter het politiebureau. Tot zijn genoegen zag hij een gigantische hospitaaltent staan, met vele rijen bedden die zijn manschappen net aan het opmaken waren. Uit de eerste vrachtwagen pakte hij een walkie talkie en zei:
“Dit is de commandant, over.”
“Met peloton rotonde, zeg het maar commandant, over.”
“Stuur bericht naar alle pelotons. Situatie kritiek en besmetting mogelijk, over.”
“Akkoord. Verder nog iets commandant? Over.”
“Gevechtstenue uit en veiligheidspakken aan. Magazijnen leegmaken en wacht op nieuwe munitie. Over.”
“Maar commandant, zonder kogels? Dan zijn de mannen machteloos. Over?”
“Wacht op nieuwe munitie, dat moet ons leger ook, over en uit.”
Daarna liep hij weer naar het kerkplein met wat manschappen en die begonnen de eerste volle kisten met hollow-points in een vrachtwagen te laden. Sjaak was enorm onder de indruk van Serooskerke. Hij kon eigenlijk niet bevatten; hoe dit slaperige dorpje na slechts een kleine speech van de agenten, in een oogopslag was veranderd in een uitzonderlijk efficiënte munitiefabriek. Alsof er een enorme machine geolied bezig was, werden de volgende kisten met hollow-points buiten de kerkdeur gezet en het ging maar door en door.
Het duurde niet lang, of er klonk vier keer achter elkaar; “tweeduizend!”
Eerst hoorde hij het uit de werkplaats van Kievit komen, daarna vrijwel gelijktijdig uit het café en het schuurtje van Pierke. Als laatste was het meneer Pastoor die “tweeduizend, dank de Heer!” riep en de kerk uit kwam gelopen met de laatste kist. Hij hief zijn hand ter ‘stop’ tegen de manschappen van Sjaak, die de laatste kist al wilden gaan inladen. Serieus kijkend begon meneer Pastoor de kist met wijwater te zegenen en na een kort schietgebedje, dat hier meer dan ooit van toepassing was, gaf meneer Pastoor de mannen toestemming om de laatste kist in te laden.
Sjaak liep naar de chauffeur en gaf hem opdracht naar peloton Rotonde te rijden en daar er op toe te zien; dat de munitie evenredig verdeeld werd over de vier pelotons.
“Leg de peloton-leiders de werking en de bedoeling van de hollow-points uit en stuur me terstond bericht als het gedaan is”, waarna de vrachtwagen ronkend de Zeedijk op begon te rijden, de nacht in.

In het Oranjeboomcafé werden alle bewoners, na enkele gratis rondjes, door Hollestelle toegesproken. Hij gaf opdracht het café over een kwartier te sluiten en daarna moesten ze gaan slapen. In de loop van de volgende dag zouden ze rustig moeten wachten op het einde van het plan de campagne. Als eerste was het, het rolluik van Kievit dat dicht werd gerold, waarna velen volgden. Het dorp verkeerde al bijna volledig in rust, toen de mannen terug naar het bureau liepen. Daar legde Sjaak uit, dat hij op het weiland een hospitaaltent had laten opzetten om de Oudelanders in op te kunnen vangen.
“Ze zullen moeten afkicken. Ik heb mijn beste personeel hiervoor meegebracht en het is aan jou Camiel, om het bevel te geven.”
“Bevel?”, vroeg Hollestelle, nog in de ban van de hollow-point-operatie.
“Ja, het bevel tot aanvallen. Ik denk trouwens dat we beter kunnen spreken van invallen, aanvallen klinkt zo… Hoe dan ook, er staan dadelijk vier pelotons klaar, allen gewapend met de hollow-points, om de Oudelanders stuk voor stuk menswaardig uit te schakelen.”
“Eerst koffie Sjaak, Rinus?”
“Meteen Chef!”, en niet veel later zaten de vier mannen rondom het bureau te genieten van een lekker bekertje koffie uit de automaat.

Farkan schrok in zijn zetel in de gang wakker en zijn adrenaline begon direct te werken, toen hij doorkreeg; dat hij niet door zijn alarm gewekt was. Hij keek op zijn horloge en concludeerde, dat hij nog geen twee uren had geslapen. In de verte hoorde hij een zware vrachtwagen rijden en meteen sprong hij op. Daar was hij dus wakker van geworden!
Hij rende door de keuken en sprong op de bok van de wagen. Op dit uur zulk zwaar verkeer had zijn instinct aangewakkerd en hij maande de merrie tot een voorzichtige draf. Op de kruising van het onverharde zijweggetje met de provinciale weg, die tussen de rotonde en de dorpskern loopt, trok hij de teugels in en de kar stopte. Links in de verte hoorde hij; hoe ook de vrachtwagen tot stilstand kwam. Hij schrok van de bedrijvigheid in de verte. Voorzichtig liet hij de merrie oversteken en in de bescherming van het donker reed hij even verderop de oude spoorbaan op, die naar de oude loods leidde. In de loods bond hij de merrie aan een haak aan de muur en begon zo hard als ie kon terug te rennen naar het dorp. Buiten adem sprong hij over een licht snurkend of grommend stel de kerk in en rende naar de torentrap. Eenmaal boven keek hij zwaar ademhalend geconcentreerd om zich heen. Het was nog donker. Maar dankzij het maanlicht, dat af en toe door het wolkendek brak, had hij de situatie snel ingeschat. Vier pelotons lagen op hun buik op de grond te wachten aan de rand van het afzetlint. Zijn misdadige brein begon overuren te maken. Koel calculeerde hij het verlies van de laatste baal in, dat op zich financieel geen ramp was. Zijn eerste prioriteit was nu zijn enige; hoe hier uit te komen? Na nogmaals de situatie overzien te hebben, rende hij weer de trappen af. Eenmaal beneden rende hij op constante snelheid naar het ouderlijk huisje van Jannie van de Spar. In de deuropening bukte hij zich en begon de laatste baal met cocaïne naar buiten te slepen. Zonder uit te rusten sleepte hij met een onmenselijke inspanning die grote baal het straatje uit, de kerk in. Daar begon hij de baal trede voor trede naar boven te hijsen. Helemaal naar boven moest die baal. Hij kon slechts hopen, dat zijn plan zou werken.

“Dus we rijden dadelijk met Sjaak naar Oudelande”, sprak Hollestelle over zijn bekertje. Daar trekken we veiligheidspakken aan en volgen dan peloton Rotonde Oudelande in.”
“Ik denk dat we eerst de Spar moeten veiligstellen Chef en dan de kerk. We kunnen dan het kerkplein van Oudelande gebruiken als rallypoint.”
“Uitstekend plan Rinus”, genoot ook Sjaak van zijn bekertje koffie.
“Vinden jullie het erg, als ik op de rotonde wacht tot het sein Kook-Meester wordt gegeven?”, vroeg de Raaf en de mannen schoten in de lach door de opgelopen spanning.
“Nog een tweede en laatste bekertje voor we gaan Chef?”
“Vooruit dan maar Rinus”, antwoordde Hollestelle, die zijn onderste la opentrok. Daar haalde hij twee dienstwapens uit, die hij met echte kogels begon te laden.
“Eh Chef? We hebben toch de hollow-points?”
Op dat moment zwaaide de deur open en kwam een buiten zijn zinnen en vooral erg driftige Polman binnenstappen.
“Hollow Points? Hoor ik dat goed Hollestelle, hollow points?! Zijn jullie gek geworden! Die dingen mogen de commando’s geeneens gebruiken! Ik weiger jou nog langer de vrije hand te geven! Hollow point? Je bent gek geworden! Ik bel nu naar de Koning!”, en Polman griste de telefoon van tafel.
“Wie is dat?’, vroeg Sjaak.
“Dat is Polman, de commissaris van de Koning van Zeeland. Polman heeft die andere agenda.”
“Oh ja, die”, knipoogde Sjaak naar de Raaf, die al met een vlijmscherp nagelschaartje klaar zat. Toen ook Hollestelle knikte, knipte de Raaf onopvallend het snoer onder het bureau door.
“Hallo? Hallo! Zeg, hebben jullie een storing hier?”
“Ja”, sprak Rinus, die de bekertjes op het bureau zette, “al meer dan een week een dooie lijn.”
“Jullie hebben hier nog niet het laatste van gehoord! Of jullie zetten deze schandelijke hollowpointoperatie nu onmiddellijk stil… hollow points werkelijk?…; of ik laat jullie allemaal royeren!”
“Polman, ik ga dit doorzetten. En daar is het gat van de deur, want over mijn lijk zal je moeten gaan. Heerlijke koffie Rinus, mijn complimenten.”
Polman beende over zijn toeren van wraakgevoelens en wat al niet meer het bureau uit.
“Eer ie thuis is en contact heeft met de Koning, zitten wij al in Oudelande”, sprak de hoofdcommissaris, rustig de laatste kogels ladend. “We zien daarna wel, waar ie mee komt. Maar eerlijk gezegd interesseert me dat helemaal geen sikkepit. Ik doe het voor Oudelande.”
Hij stopte even en gaf Rinus een geladen dienstwapen.
“Maar ergens loopt die vent van de dikke Mercedes rond, alsook Molly en Lonnie. Daar zijn de echte kogels voor, als het niet anders kan.”
“Als het niet anders kan Chef”, sprak Rinus vastbesloten en stak het dienstwapen in zijn binnenzak.
“Maar ik zal zeker begrijpen”, vervolgde de Hoofdcommissaris, “als iemand van jullie hier geen deel van uit wil maken. Jullie hebben Polman gehoord. Dit kan je je baan kunnen kosten. Polman kan dan wel andere agenda hebben, hij heeft wel degelijk macht hier in de provincie. Dus ten leste male, wie wil blijven? Prima. Ik heb daar niets dan het volste begrip voor.”
“Je bent niet goed bij je hoofd Camiel”, sprak de Raaf en stond op.
“Nou? Kom op! Waar wachten we nog op?”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *