Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk XV Lonnie in de hemel

Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk XV Lonnie in de hemel

Hoofdstuk XV     Lonnie in de hemel

 

Molly schrok met een schok wakker.
“Bakken! Ik moet appeltaart bakken! Bakken, bakken, bakken!”, en ze rende de trap af.
Zonder ontbijt schepte ze een volle schep van het witte poeder en begon droog te mixen. Dit had ze nodig vond ze. En ze voelde ze zich weer helemaal ‘in the moment’ geraken. Zelf had Molly er geen flauw vermoeden van; dat ze langzaam verslaafd aan het spul begon te raken. En hoe meer taarten ze bakte, des te meer verslaafd ze raakte.
Maar wie ook verslaafd raakten? Dat waren de inwoners van Oudelande. Alle ruim 700 van ze!
Op het kerkplein begon de ineen gestrengelde mensenmassa langzaam te ontwaken. Met tongen van leer en overal helse pijnen vroegen de dorpelingen zich af; hoe ze in al die buitengewoon compromitterende standjes wakker waren geworden. Maar de fysieke behoefte bleek groter dan het geestelijke welzijn. Desondanks deed meneer de Dominee een serieuze poging, toen hij het kansel naar buiten sleepte. Hij beklom het spreekgestoelte in de buitenlucht en zei: “laten wij zingen!”
Meneer de Dominee draaide puur op zijn routine en heel even kregen de dorpelingen het vrome zondag-gevoel. Meneer de Dominee zette uit volle borst een psalm in; dat ze toch allen kinderen van God waren en Hij zo groot en met ondoorgrondelijke wegen en zo. Maar al snel begon er eentje rebels om appeltaart te roepen. De roep om appeltaart werd breed overgenomen en bleek te sterk voor de mis, die meneer de Dominee deze zondag in gedachten had. Zelfs meneer de Dominee realiseerde zich, dat het pas na die appeltaart was; dat Oudelande plotsklaps van saai ingeslapen gehuchtje tot een bruisende gemeente van meer dan internationale allure was verworden. Zo intens waren ze gisterenavond begonnen met leven, dat het naar meer smaakte. Nooit eerder hadden ze zich zo voelen leven, waarmee geleerden later het buitengewoon verslavende effect van de appeltaarten van Molly deels mee konden verklaren. Het andere deel is natuurlijk de fysieke verslaving van opiaten op zich.
De roep om appeltaart begon steeds luider door het dorp te klinken. Meneer de Dominee gilde zowat om het hardst.

Farkan startte zijn dikke Mercedes en begon over de spoorbaan terug te rijden naar de weg. Hij verwonderde zich niet over de ravage op het asfalt. Thuis was het vaak niet anders en hij drukte het gaspedaal in. De dikke Mercedes stoof op de rotonde af. Hij had besloten zich eerst op te gaan frissen in een vijf sterren hotel. Daarna zou hij zijn mannen gaan inschakelen. Hij was vast van plan heel Oudelande uit te gaan kammen. In dat vijf sterren hotel zou hij dan de zaak op meer veilige afstand kunnen delegeren. Farkan voelde, dat hij nu lang genoeg in de openbare ruimte was geweest. Hij wist waar de drugs waren. Hij moest ze nou alleen nog zien te vinden. Dat het slechts een kwestie van tijd was, dat hij zijn cocaïne zou vinden, deed zijn bochtenwerk echter geenszins vermoeden. Farkan rook bloed en gaf op de rotonde nog meer gas en de dikke Mercedes helde vervaarlijk over. Na de rotonde driekwart te hebben gerond, gooide hij met één hand koeltjes het stuur om en gaf gelijktijdig weer vol gas. Vanaf hier was het één lang stuk asfalt naar Vlissingen en toen knalde hij keihard zijn dikke Mercedes total loss tegen de afgezette perimeter van de quarantaine. Hij vloog door de voorruit en alsof dat al niet pijnlijk genoeg was, knalde hij na deze korte vlucht vervolgens ook zelf tegen de afzetting aan en viel op wat er nog van de motorkap over was, waar hij één met de kreukels werd. Zijn vijf sterren plan zou er weldra eentje van één ster gaan worden.

“Appeltaart! Appeltaart!”, klonk het op het kerkplein voor de kansel, waarna de deinende menigte, ‘Appeltaart!’ scanderend, langzaam begon te bewegen naar het ouderlijk huisje van Jannie van de Spar. Het was Aagje, de ex-buurvrouw van Jannie, geweest; die had gegild, dat zij wel wist waar die appeltaarten gebakken werden. De menigte rook al aan het begin van het straatje de verse geur van appeltaarten, die Molly steeds verwoeder aan het bakken was. Steeds sneller werd “Appeltaart! Appeltaart!” gegild en voor het betreffende huisje splitste de menigte zich spontaan in twee groepen. De ene groep ging zich staan verdringen voor de deur van Molly. En de andere op de stoep aan de overkant. Daar begon de groep aan de overkant te gillen naar de groep op de stoep van Molly.
“Waar wordt appeltaart gebakken in Ouweland?”, gilde de meute als een groep doorgesnoven voetbalhooligans tegen de andere groep.
Die dan weer als één man terug brulde; “ken je dat niet zien dan!”, en ze wezen en masse met uitgestrekte arm dan naar het huisje van Molly. Dat ging zo een tijdje over en weer, totdat de meute in een springende gekte de stoeptegels er bekant uit leek te trillen. En daarna begon het hele tafereel weer opnieuw en steeds harder begonnen de dorpsbewoners tegen elkaar te gillen. Zo hard, dat Molly nieuwsgiering de vitrage van de voorkamer opzij schoof om te zien, wie daar toch zo hard om appeltaart aan het gillen was.


Bij het zien van de bewegende vitrage rende de groep van de overkant als een dolle de straat op, tegen de andere groep en er werd gegild: “hiha Appeltaart! Hiha Appeltaart!” De achterste rij kwam door deze actie ernstig in verdringing tegen de onberispelijke tuinhekjes. Hier en daar viel zelfs een dorpeling in een strak onderhouden tuintje. Molly schrok enorm van de hectiek van de situatie en wist dat ze iets moest doen. Dit ging anders uit de hand lopen. Ze rende naar de voordeur en begon op het tuinpad spontaan met uitdelen van vers gebakken appeltaartpunten voor een kwartje per punt. De punten werden tot de laatste punt aan toe zonder kruimels verorberd, waarna de massa in steeds kleinere groepjes uiteen begon te druppelen. Er werd weer gelachen en vrolijk ging men elkaar weer achterna zitten, waarvan de uitkomst inmiddels wel duidelijk is geworden.
Molly sloot de deur en balde haar vuistje. Ze had goud in handen! De gedachte aan hoe weinig de gemiddelde dorpsbewoner nodig had, om van God los te raken, deed haar duizelen.
“Het is teveel! Ik heb er gewoon te veel ingedaan”, zei ze in de gang, naast een berg kwartjes en besloot de volgende partij met nog meer bloem te gaan versnijden. “Nog meer geld!”


De zwarte zondagse wagen werd uit de stal gereden en toen pas zag Adri, dat Lonnie ontsnapt was. Adri haalde er zijn schouders over op. Hij had toch niet geweten, wat hij nog met die vent aan moest. Jannie kwam in zwarte sluier gehuld naar buiten en nam plaats op de bok. Adri pakte de teugels en de hoeven klikten ritmisch, toen hij de kar naar rechts mende richting het dorp. Ze waren ruim op tijd voor de mis en Jannie zei dat het een mooie dag van de Heer ging worden.
Na de lange flauwe bocht, waar de weg met de Zeedijk meedraaide, kwamen de eerste huisjes van het dorp in het zicht en de merrie wist vandaar zelf de weg. Hoewel het paard al vanaf het erf alleen heen en weer zonder teugels zou kunnen rijden. Maar Adri, alsook Jannie trouwens, vond het nog immer een machtig gevoel; om de teugels zelf in handen te hebben. Maar die vielen uit zijn handen toen hij het eerste copulerende stelletje in zomaar een voortuintje zag.
“Adri?”, trok Jannie haar sluier omhoog, want ze geloofde haar gesluierd zichtveld voor geen sikkepit.
Adri moest een paar keer stevig slikken en maande de merrie tot draf. Doch de onkuisheid werd almaar groter, hoe dichter ze bij de kerk kwamen. Hoewel beiden diep gelovig, aanschouwden Adri en Jannie dit alles in puur ongeloof. Het werd hen duidelijk, dat er deze zondag geen mis plaats kon hebben. Want meneer de Dominee liep daar heel ondeugend te rennen achter Mathilde aan, die schel kraaide van plezier?
Adri vermande zich en vroeg aan Gijs, een loonwerker, wat er in de mensen geschoten was.
“Appeltaart!”, gilde Gijs hysterisch en met rollende ogen die in zijn kassen leken te verdwijnen, begon hij dat hele foute liedje te zingen; waarop Jannie snel haar handen tegen haar oren aan drukte.
“Naar mijn ouderlijk huis Adri. Nu!”
Adri gebruikte zelfs de zweep; die gewoonlijk voor de sier in de smeedijzeren houder links van hem stond. De merrie werd even later aan het tuinhekje gebonden en ze zeiden: “goedemorgen”, tegen Molly; die in het voortuintje aan het campingtafeltje een nieuwe partij Kook zat te versnijden.
“Drugs Molly? Werkelijk?”, snauwde Jannie en de Spar had nog nooit zoveel spijt gehad van een overeenkomst.
“Je hebt het geraden”, zei Molly zonder op te kijken; want ze was te geconcentreerd doende. Met een plamuurmes schoof ze het versneden spul een emmer in. Stoïcijns en super gefocust sneed ze een hele zak tarwebloem overlangs open, waar ze een handje pure Kook over gooide en als een geroutineerde meester-kok chopte ze heel snel haar plamuurmes als een menselijke mixer op en neer, waardoor het poeder omhoog begon te stuiven. Zo zeer dat Jannie, noch Adri, aan het spul konden ontkomen en de witte wolk veranderde allengs in een hele grote roze, waar ze zelf bij- doch vooral instonden. Gevoelens zonder rem voelden ze in zich opkomen en ze begonnen onstuimig te lachen.

De enige twee, die in de strikt gespannen cirkel van de quarantaine om Oudelande, nog niet door de Kook waren bevangen; waren Farkan en Lonnie. Farkan lag out in de kreukels en Lonnie kwam net bij onder het geklapper van het roodwitte afzetlint in lichte zeebries.
Na zich weer wat georiënteerd te hebben, liep hij op het lint af. Hij tilde het op en wilde er onder door kruipen. Maar dat ging niet? Dan zou ie er wel overheen stappen. Maar ook dat mislukte. Het lint bleek een onzichtbare muur te zijn van, ja; van wat eigenlijk? Lonnie liep de dijk op langs het lint, dat hij helemaal zag uitstrekken de polder in. In de verte maakte het lint een bocht, waar ergens de provinciale weg moest lopen. Na een meter of vijftig op de tast te hebben geprobeerd, krabde hij zich achter de oren. Het lint bleek een niet te slechten hindernis en hij klauterde weer de dijk op. Vanaf de dijk liep het lint een behoorlijk end loodrecht de zee in, waarna het evenwijdig aan de kust naar rechts ging lopen. Zwemmen was geen optie, daarvoor liep het lint te ver de zee in. Dus besloot Lonnie over het strand terug te gaan lopen. Hij mocht niet gezien worden en misschien dat het lint niet helemaal tot aan de andere kant van het dorp door zou lopen. Hij hoopte het maar en zette er stevig de pas in. Hij herkende de trap door de duinen als die, die in het dorp uitkwam en begon naar boven te lopen. Net onder de top van de Zeedijk sprong hij de trap af en kroop op zijn buik in tijgersluipgang het laatste stukje naar boven. Voorzichtig stak hij zijn hoofd boven de dijk uit en wierp een blik op het dorp. Wat hij daar zag, overtrof zijn stoutste verwachtingen en hij begon enthousiast de dijk af te rennen. Met een brede grijns van oor tot oor liep hij door copulerend Oudelande en hij kneep zichzelf heel hard in z’n arm.
“Auw! Hahahaha! Het is geen droom! Ben ik in de hemel?! Hahaha, het moet wel! Jippiedepippieee!!!”
En hij liep even later de Spar binnen.

Kreunend en steunend liet Farkan zich van de finaal aan gort geplette kreukelzone glijden. Op het asfalt haalde hij zeker zeven glassplinters uit z’n gezicht en hij proefde warm bloed. Toen hij de laatste en tevens grootste splinter uit zijn neus rukte, gutste het bloed eruit en keek hij verbaasd naar het bebloede chroom van die ster in zijn hand. Het bloed gutste uit die jaap en hij strompelde naar de kofferbak. Hoewel de bak open was geslagen door de klap, was het nog steeds het enige deel van zijn dikke Mercedes dat hoegenaamd nog in tact was. In het zijvakje, naast de reservelampjes, pakte hij de ehbo-kit voor op reis en begon in een stukje verbrijzeld zijspiegel zijn wonden te verzorgen. De handige weefsellijm kwam goed van pas. Maar die was al voor de helft op, eer hij aan die jaap toekwam. De rest van het flesje kneep hij leeg in zijn jaap. Maar het spoelde er vrijwel meteen weer uit. De wond was te diep en hij rommelde verder in de kofferbak. Hij vond een nog hele fles Palinka.
Palinka is de nationale drank in Hongarije en is een legaal alsook illegaal gestookt goedje van vruchten waar je goed dronken van kan worden.
Hij las op het etiket, waar met viltstift de ingrediënten in kinderlijk handschrift op geschreven waren. Hij las; appels, pruimen, peren, abrikozen en welke andere vruchten dan ook. Hij was bij, dat hij de illegale versie van Palinka mee had genomen en kieperde een flinke scheut van de appel-, pruimen-, peren-, abrikozen-, en welke-andere-vruchten-dan-ook-likeur in zijn jaap en gilde terwijl hij met zijn vuist de gevarendriehoek in tweeën sloeg, die aan de binnenzijde van de kofferklep hing. Snuivend van die adrenalinestoot rommelde hij verder in de bak en haalde er een klein attachékoffertje uit, waar hij een nietmachine in vond.
Het waren de drie langste nietjes ooit.
Zijn ogen traanden nog na van de pijnscheuten, toen hij in het stukje spiegel de nieten in zijn neus zag zitten. Het was geen fraai gezicht, maar ijdelheid was nooit een issue geweest bij Farkan. Hij lachte, want hij had de bloeding weten te stelpen.  Hij keek naar de fles en zei: “egészségére!”, dat zoveel als ‘proost’ in het Hongaars betekent. In Hongarije drinkt men alleen daarom al gewoonlijk de gehele fles in één keer leeg. Na een paar rondjes Palinka is namelijk vrijwel niemand meer in staat om ‘egészségére‘ nog goed uit te spreken.
Hij zette de fles Palinka aan zijn mond en begon deze volgens nationaal gebruik met grote teugen in één keer leeg te klokken.  “Aaaaah!”, slaakte hij een walm aan alcohol en gooide de lege fles zo ver mogelijk de polder in. Hij begon heel hard te gillen: “bosszú!, bosszú!, bosszú!”, dat zoveel als ‘wraak! wraak! wraak!’ betekent. Wild keek Farkan nu uit zijn ogen en om zich heen op de verlaten rotonde van Oudelande. Hij begon er toen pas achter te komen; dat hij dit onmogelijk meer kon delegeren. Langs het roodwitte afzetlint liep hij de polder in, richting het dorp.

In de gangpaden lagen dorpelingen te stoeien en zelfs een stel deed de kassa rinkelen. Hij liep naar de elektronica-afdeling en pakte een spotgoedkoop wegwerpcameraatje van het rek. Zonder te betalen liep hij weer naar buiten en het kwijl liep uit z’n mond; toen hij de meest geweldige kiekjes ooit begon te schieten. Hij was het kerkplein nog niet af, of de camera was al volgeschoten. Snel rende hij de Spar weer binnen en pakte nu brutaal alle cameraatjes die in het rek lagen. Evenzo brutaal greep hij een grote plastic linnen boodschappenzak, waar hij alle cameraatjes in deed. En weer zonder te betalen, liep hij met een verse camera in de aanslag de Spar uit. Lonnie had ‘de’ tijd van zijn leven, toen hij veel later met een volgeschoten zak foto’s uit zat te rusten op het bankje naast de grote kerk. “Joehoe!” Hij was zo blij en verheugde zich nou al op de maanden, jaren wellicht, napret die het geschoten beeldmateriaal ongetwijfeld op zouden leveren.
“Joehoe!”, hoorde hij weer. En toen pas keek Lonnie op vanuit zijn tas. Al een poosje stond een echt hele oude dame naar hem te lonken. Lonnie kon het niet geloven en wees vragend en gebarend naar zichzelf.
“Ja, jij daar. Joehoe. Pak me dan als je kan!”
Dit hoefde de oude bes geen twee keer te zeggen en met datzelfde kwijl uit z’n mond sprong hij op en rende op de oude bes af.
De oude bes had geen schijn van kans natuurlijk. En na nog geen drie wankele stapjes voelde ze hoe Lonnie haar incontinentiemateriaal afscheurde en zich in het gespetter daarvan begroef.
“Oh mijn God. Dank U, dank U”, gilde niet Lonnie maar die oude bes.
En Lonnie?
Tja, die was gewoon in de hemel aangekomen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *