Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk XXI Spoorzoeken

Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk XXI Spoorzoeken

Hoofdstuk XXI     Spoorzoeken

 

Geschrokken zagen ze het zuurstofgehalte op hun oximeters snel dalen en ze begonnen te lachen. In hun jolijt trokken ze hun pakken uit en begonnen te dansen van plezier in de mist, die nu beetje bij beetje werd weggeblazen door een opgestoken ochtendbries. Pas tegen koffietijd was de lucht eindelijk geklaard en huppelden de mannen, nog immer uitbundig lachend, naar het kerkplein. Daar zagen ze Sjaak behandeld worden met zuurstof, die hen wenkte.
“Sjakie!”
Sjaak gebaarde zijn medisch personeel om de mannen ook van pure zuurstof te voorzien en lachend lieten ze toe; dat een broeder hen het masker voor- en de tank op hun rug bond. Het gewicht van de ijzeren long deed hen onbewust plaats nemen op het bankje, alwaar ze door een korte en hevige periode van ontwenning gingen. Sjaak kwam hersteld naast ze zitten en zei, dat de laatste slachtoffers naar de tent in Serooskerke werden vervoerd. Hollestelle was als eerste hersteld en vroeg; “Lonnie? Molly? Farkan?”
“Ik heb in de chaos mijn best gedaan Camiel. Maar ik heb ze er niet tussen gezien.”
“Verdulleme!”, rukte nu Rinus het masker van zijn gezicht. “Is dan al dit voor niks geweest?”
“Kom kom Rinus”, was de Raaf inmiddels ook weer bij de pinken. “Volgens mij hebben we zojuist een heel dorp bevrijd.”
“Je hebt gelijk, maar toch.”
Hollestelle hees zich van de fles af en stond op. Hij wilde net de volgende stap voorstellen, toen het kerkplein door zware pantservoertuigen omsingeld werd. Een veel sterren generaal kwam met een machtsvertoon van heel veel getrokken geweren in legergroen op hen aflopen.
“Ik ben generaal van heel veel sterren. In Oudelande en heel Walcheren met heel Zeeland er ook nog bij is vanaf nu de staat van beleg afgekondigd!”
“Wat?!”

In de loods trok Farkan de theedoek van zijn gezicht en kon weer vrijuit ademen. En dat niet alleen. Hij mende de merrie de loods uit en de spoorbaan op. De hoeven van de oude merrie klikten ritmisch op biels en grind, dat Farkan uitgeput op de bok in slaap deed vallen. Aan het einde van de spoorbaan trok de merrie de kar het vers geploegde weiland in. Zonder geleid te worden, liep ze waar ze altijd naar toe liep. Vermoeid door het trekken van die zware kar door de klei, klepperde de merrie langzaam het erf op en de schuur in. Daar vond ze wat stro en water en stond daarna als een blok in slaap.

Molly werd wakker van de kou en de zilte smaak in haar mond. Hoewel nog immer behoorlijk onder de invloed, wist ze zich los te trekken van Lonnie; die haar al die tijd aan haar haren door de branding had gesleept.
“Lonnie! Wat doe je nou?! Dat doet pijn hoor.”
“Ik dacht dat ik je voorgoed kwijt was. Het spijt me, maar je wilde terug naar het dorp, dat …”
“Dat wat Lon?!”
“Het dorp is nu vergeven van de politie!”
Hij vertelde wat hij had gedaan om tot hier te geraken. En even later zaten ze in een lichte sneeuwval op het strand naar zee te staren.
Door werveling was de pure Kook verdunt en dat wat niet verdund kon worden, dwarrelde in vaste ongevaarlijke vorm neer op het strand, daar waar de mistgrens had gelegen. Ze hadden zelfs niet de notie dat het Kook was en dachten aan zeeschuim. Ze stonden op en begonnen verder te lopen en keken bij de volgende golfbreker wel heel gek op, toen ze een jutter lachend dat zeeschuim zagen opsnuiven.


De mannen zaten tegenover de generaal met heel veel sterren hun verhaal te doen in een groene legertent aan de rand van het dorp.
“Ik hoop dat u deze staat van beleg onmiddellijk opheft”, sprak Hollestelle. “Met iedere minuut, dat wij langer hier ons verhaal moeten doen, stijgt de kans dat de echte criminelen ontvluchten.”
“Sjaak vulde aan; “dan zou het zomaar kunnen zijn; dat U binnenkort elders het leger moet inzetten en dan terecht. Want met de quarantaine heeft de Hoofdcommissaris er wel voor gezorgd, dat we het probleem hier konden tackelen. Noemt U mij nog zo’n agent, die dat zou kunnen? En geloof me, zolang die criminelen hier vrij rondlopen; gaat dat zeker gebeuren.”
De generaal van heel veel sterren belde naar de koning en zei dat de staat van beleg opgeheven werd. Hij zei ook dat Polman hen verkeerd had geïnformeerd en dat de situatie nu beheersbaar was geworden.
“Excuses heren. Ik heb moeten handelen op basis van verkeerde informatie. Ik zal het kampement opheffen en ik hoop dat U snel de daders te pakken zult krijgen.”
Na elkaar de hand geschud hebbende, stonden even later de mannen buiten de groene tent en liepen naar de witte bij de rotonde.
“Hij had het gelukkig snel door Chef.”
“Is niet voor niets een generaal met veel sterren Rinus.”
In de tent werden ze bijgepraat door de leider van peloton Rotonde.
“De gewapende eenheden heb ik met verlof gestuurd. Ze hebben die tijd meer dan nodig. Alle bewoners van Oudelande liggen inmiddels op vers linnen in de grote zuurstoftent van Serooskerke. Het verplegend personeel is bewapend met de resterende rubberen kogels, voor het geval dat. Tot zover de laatste ontwikkelingen commandant.
“Dank je wel. Breek deze tent op en ga ook lekker naar huis. Je hebt het verdiend. Ik zal nog een tijdje in Serooskerke blijven, om toe te zien op de detox-procedure. Ik bel je zodra  …”
“Nee Sjaak”, zei Hollestelle zonder een tegenwoord toe te staan. “Jij gaat ook lekker naar huis Sjaak. Je hebt zo ontzettend veel voor ons en Oudelande gedaan, dat ook jij je rust moet nemen. Bovendien, heb ik je nog nodig als telefonische liaison. En zeg niet, dat jij alles vanuit Serooskerke kunt doen.”
Sjaak moest toegeven, dat de commissaris gelijk had. Het hoofdkwartier van de Drugsdivisie van het Havengebied was veel beter geoutilleerd met de laatste snufjes, dat hij vanuit daar de agenten veel beter van dienst kon zijn. In plaats van een hand te geven, omarmde Sjaak spontaan de commissaris; die daar erg ongemakkelijk van werd.
“Jaja, dank je Sjaak.” Hollestelle was niet zo van die ongedwongen gekkigheid.
Rinus stak zijn hand uit ter bescherming alsook de Raaf. Ze bleven hoe dan ook stugge eilandbewoners. Even later stonden de mannen weer alleen op de verlaten rotonde van Oudelande. Een zeemeeuw klonk boven hen, toen ze zich omdraaiden en de provinciale weg opliepen, naar Serooskerke.

Toen ze in de middag de Zeedijk afliepen, Serooskerke binnen; werden ze uitbundig onthaald door de menigte die voor het bureau op hen had staan wachten.
“Hou op met die gekkigheid”, zei Hollestelle en liep het bureau binnen. Rinus en de Raaf namen alle loftuitingen in ontvangst, waarna de dorpsbewoners weer hun dagelijkse dingen op gingen pikken. Trots kwamen ze het bureau binnen waar Hollestelle bij uitzondering al verse bekertjes koffie uit de automaat voor ze had klaar gezet.
“En nou is het gedaan heren met die gekkigheid. We hebben nog immer drie zware criminelen loslopen hier. Dus kom maar op met ideeën. Nu is de tijd rijp voor wat ouderwets en bovenal degelijk politiewerk!”
De mannen voelden zich, ondanks hun vermoeidheid, weer als een vis in het water. Ze voelden zich intens tevreden met de genormaliseerde toestand. Het enige dat hen nog herinnerde aan de drugs van Oudelande, was die enorme zuurstoftent achter op het land.


Rinus tekende na de koffie de plattegrond van Oudelande met wit krijt op het schoolbord. Met een rood krijtje begon hij vervolgens het gebied in te kleuren, dat de vier pelotons bestreken hadden. Met geel kleurde hij vervolgens het gezichtsveld ter plaatse in. En met groen de afzonderlijk plaatsgevonden handgevechten. De Raaf was het nu, die drie verse bekertjes koffie uit de automaat haalde. Toen hij de bekertjes op het bureau zette, was Rinus klaar met kleuren en gingen ze alle drie in hun bekertje zitten roeren, onderwijl naar het bord starend.
“Vanaf de provinciale weg is vrijwel alles tot aan de bebouwde kom rood”, merkte Hollestelle op.
“Rinus heeft vrijwel alles ingekleurd. Behalve daar en dat kleine stippie naast de spoorbaan!”, zette de Raaf zijn bekertje plotseling zo hard op het bureau, dat de koffie erover gutste. En toen zagen ook Hollestelle en Rinus het. Een smalle strook lag er in mat zwart ongekleurd bij en Rinus brieste: “het strand Chef, via het strand zijn ze kunnen ontkomen!”
“Potverdikkie! Ja, dat is het! Zo moeten ze zijn ontkomen!”
“Dan moeten ze vroeg zijn vertrokken, ruim voor de mist. En wie heeft dan die baal met pure Kook van de torenspits geworpen?”
“De Raaf heeft daar een punt Chef. De paddenstoel van Kook steeg pas op, nadat de dijk onder controle was. Dus ze moeten voor die tijd al de duinen hebben bereikt.”
“Dus was het Farkan, die de baal heeft geworpen. Dat kan niet anders! Maar wat is dan toch dat kleine zwarte stipje? Net als de kust moet dat wel een blindspot zijn, alleen een hele kleine.”
Het werd de mannen langzaam aan duidelijk, hoe de vluchtlijnen liepen. Maar tegelijk ook kwam daar de enorme teleurstelling van de ontsnapping. Ze waren nu vele uren verder, dus de criminelen konden overal en nergens zijn.
“Schrale troost blijft het mannen”, sprak de Raaf die opstond. “Ik ga naar m’n nest. Want ik ben kapot en criminelen zullen er altijd wel blijven.”
“Welterusten de Raaf. En nog enorm bedankt.”
“Oh ja, voordat ik het vergeet. Zouden jullie morgen aan Sjaak willen vragen; wie mijn nagelschaartje heeft meegenomen?”
Hollestelle en Rinus beloofden dit en bleven achter met de moeite dit te accepteren. Ja, criminelen zouden er altijd zijn. Maar niet toch deze? En al helemaal niet op hun eiland!
Ook Hollestelle wilde voorstellen om eerst eens een goede nachtrust te gaan nemen, toen er op de deur werd geklopt.
“Binnen!”
“Goedenavond heren, ik ben broeder Floris. Ene Jannie van de Spar wil jullie spreken.”


In de tent lag Jannie van de Spar rechts halverwege het midden. De commissaris en Rinus namen plaats op een klein krukje naast het bed van Jannie. Hoewel nog duidelijk niet de oude, keek Jannie desondanks helderder uit haar ogen dan de rest van de bedlederige Oudelanders. Ze vroeg de mannen dichterbij te komen en fluisterde zachtjes: “ik heb een geheim.”
Direct waren de agenten weer volledig alert. Het was nog niet eerder voorgekomen, dat Jannie zo maar op het punt stond een geheim
te onthullen. De situatie was dan ook zelfs voor Jannie van de Spar een zeer ongewone en uitzonderlijke. Ze was de agenten enorm dankbaar, dat ze zich zo veel moeite hadden gesteld; haar Oudelande met alle bewoners te bevrijden van de drugs en ze fluisterde zachtjes.
“Drugs. Het gaat om die verschrikkelijke drugs”, en Jannie ging steeds sneller fluisteren. Over hoe Jan zich aan haar had vergrepen. En hoe Adri uit liefde voor haar per ongeluk met de meest verkeerde figuren in zee was gegaan. En hoe ze zo, door de situatie gedwongen waren te moeten leven aan de onbreekbare ketting van de criminaliteit.
“Ik kon naar niemand toe met mijn verhaal Hollestelle”, en een traan viel op het witte kussen. “Ik was bang dat ze mijn Adri wat aan zouden doen. Maar nu, achteraf, besef ik pas dat ik meteen naar de politie had moeten stappen.”
“Beter laat dan nooit Jannie”, depte Rinus voorzichtig  haar tranen van haar wangen met een smetteloos wit doekje van badstof.
“Die mannen in dat busje? Die zijn vermoord door Lonnie.”
“Ik wist het”, balde Rinus het doekje in zijn vuist en wrong deze onbewust uit.
“En Farkan? Wat was zijn rol Jannie?”
Vermoeid fluisterde Jannie verder. Over de enorme lading met cocaïne en hoe, door de omstandigheden, hij deze via de appeltaarten van Molly aan de man was gaan brengen. Alles fluisterde Jannie van zich af. En voorzichtig kwam broeder Floris de mannen vragen, Jannie haar rust te gunnen. De agenten schoven hun krukjes onder het bed en zagen dat Jannie weer de ogen gesloten had.
Ze liepen dit alles verwerkende de tent uit naar het bureau.
“Dus Farkan was baas boven baas Chef?”
“Ja Rinus. Lonnie mag dan wel de moordenaar van die drie Hongaren zijn, maar Farkan is de meest kwade genius achter al deze ellende.”
Hoewel de agenten zich ook uitgeput voelden van de afgelopen gebeurtenissen en ze hun slaap meer dan nodig hadden, was het Hollestelle die zei: “voordat we gaan slapen Rinus, moeten we toch nog even naar Oudelande gaan. Als het waar is, dat wat Jannie allemaal fluisterde, dan waar is haar paard en wagen?”
“Verdorie Chef, ik heb die inderdaad niet gezien. Maar voordat we bij het straatje van het ouderlijk huis van Jannie konden komen, werden we overvallen door die mist. Het zou toch niet? En weet U het zeker?”
De hoofdcommissaris zei niets en ging voor het eerst van zijn leven op de bagagedrager zitten van de fiets van Rinus.  Alles voor een volgend bruikbaar spoor, kon hij niet anders dan dat.
Rinus fietste rustig de straat uit en fietste de Zeedijk op. Bij de provinciale weg aangekomen, zei hij dat Hollestelle zich aan hem vast moest houden, want hij ging nu echt fietsen. Hollestelle klemde zich om het middel van zijn adjudant en ze vlogen de weg op.

Hollestelle had nauwelijks het besef van tijd meer, toen Rinus in no time de remblokjes inkneep en ze rokend voor het ouderlijk huisje van Jannie tot stilstand kwamen.
“Ongelooflijk”, stapte de commissaris verbouwereerd van de bagagedrager, “wat ging dat snel.”
“Nieuwe bandjes Chef”, zette Rinus zijn fiets op de standaard en ze keken in een verlaten straatje. Ze zagen veel vuil op straat en alle deuren van de huisjes stonden open en luikjes klapperden. Diep ademde Hollestelle de zeewind in en probeerde de verlatenheid van het dorp te negeren. Ze liepen het ouderlijk huisje van Jannie binnen, waar het zwaar stonk naar vuil zweet en zweterig vuil. De oven zag er niet uit en de achtertuin lag er net zo verlaten bij als de rest van het dorp.
“Geen paard en wagen Chef!”
“Nee Rinus”, keek Hollestelle om zich heen en stapte opeens de keukendeur uit, “maar zie jij ook die sporen in het gazon?”
Ze bukten zich op het reeds vochtig wordende gras en zagen duidelijk een karrespoor met hoefafdrukken.
“Niet meer dan een dag oud Chef!”, en Rinus begon het spoor achterom te volgen, waar ze het bijster raakten. Het kleine achteromsteegje had van die ouderwetse kinderkopjes, die zich niet als het gazon zo maar lieten indrukken.
“Links gaat het naar de straat toe Chef, maar rechts komt het uit op onverharde weg.”
“Misschien hebben we geluk Rinus, naar rechts.”
“Ja!”, in de licht van een lantaarn zagen ze nu duidelijk een nog redelijk vers karrespoor, dat hen tot aan de provinciale weg bracht. Daar konden ze maar één kant op. Links ging naar de rotonde, dus staken ze schuin naar rechts over en zagen al snel het spoor de oude spoorbaan oplopen. De hoefafdrukken op de bielsen vervaagden snel, maar de kar moest die richting op zijn gereden. Bij de oude loods zagen ze het karrespoor linksaf de loods in gaan. Ze trokken hun dienstwapens en drukten zich tegen de gevel van de loods. Even later stormde Hollestelle, onder dekking van Rinus de loods binnen en brulde: “politie!”
Zijn echo klonk frustrerend door de loods en ze staken hun revolvers weer weg.
“Het spoor loopt hier wel door Chef!”
Ze verlieten de loods via de achterdeur en liepen in de bocht van het spoor mee, de oude spoorbaan weer op. Aan het einde stonden ze aan de rand van de vers geploegde akker van Adri naar het diepe karrespoor in de klei te kijken, dat in een hemelsbrede lijn kaarsrecht naar de boerderij van Adri en Jannie liep.
“De kar moet loodzwaar zijn Chef.”
“Laat ons dan hopen, dat dit de laatste loodjes zijn Rinus!”
En de Hoofdcommissaris zette als eerste voet in een spoor en trok zijn wapen. Rinus nam het spoor ernaast en samen liepen ze, met kloppend hart in de keel en getrokken pistool vooruit voorzichtig naar de boerderij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *