Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk XXIII Bidden met klei

Nieuwe moord in Oudelande Hoofdstuk XXIII Bidden met klei

Hoofdstuk XXIII     Bidden met klei

Wild stuiterde the Raven over de oude spoorbielzen van de spoorbaan. Normaal zou de Raaf nooit zijn geliefde camper zo afraggen. Maar de Raaf was erg overstuur. Harder dan dit kon hij het gaspedaal niet ingedrukt houden. En de oude camper vloog even volledig airborn de bosjes uit, die aan de rand van de akker van Adri stonden. Daar begon de camper met slippende koppelingsplaten zich door de klei te werken. Tijd om helemaal over de Zeedijk om te rijden had hij niet meer en zonder zich te bedenken had ie besloten om dwars door het veld te gaan.

Onder een boom stopte Farkan de wagen en greep naar zijn schouder. Hij was geraakt in zijn linkerschouder en bloedde flink. Hij keek onder de klep van de bok, maar kon niks vinden om zijn bloeding mee te stelpen. Hij voelde zich zwakker worden en had geen tijd te verliezen. Na van de bok te zijn gesprongen, pakte hij een kluit vette klei van de grond en duwde dat onder een gil hard en diep in het gat van zijn schouder. Een tweede klont begon hij gillend van de pijn in het kogelgat te duwen, totdat hij een soort van bloedend mergpijpje in zijn linker ooghoek net boven zijn sleutelbeen naar buiten zag komen. Even leunde hij voorover tegen de wagen aan, om zich te herpakken. Voor nu moest dit maar even voldoen. Doch om zo met die kurk van klei helemaal naar Hongarije te rijden, was onmogelijk. Hij tikte zijn telefoon aan en keek naar de kaart op het scherm. Het was slechts een kleine wirwar dat hij zag, toen de verbinding weg viel. Maar hij kon toch zweren; dat de kaart daar even een wirwar liet zien. Hij klom op de bok. Langzaam reed hij op het gebied af, waar hij die wirwar had gemeend te zien. Misschien was het wel helemaal niks. Maar hij had een schuilplaats nodig om te helen. En dat gebied leek het enige met die potentie, dat hij zo snel kon ontdekken.

Ze droegen Snuif de Jutter de minicamping op en Molly was al meteen verkocht. Ze werden begroet, nou ja; argwanend bekeken, toen ze Snuif op de grond legden.
“Hij lag onder de vloedlijn. We hebben ‘m gered en naar hier gebracht. Ik zag dat ie op deze minicamping woonde. Dat klopt toch?”
Zonder wat te zeggen, werd het bewusteloze lichaam van Snuif de kleine caravan ingetrokken en na een paar vuile blikken ging iedereen naar binnen met de knip erop.
Molly weest OostIndisch ongevoelig voor de welkomst naar het struikgewas en zei vragend; “Lonnie? Is dat toevallig een verlaten caravan?”
Ze liepen erop af en verdomd zeg, een verlaten caravan. Ze forceerden het deurtje en rommelden in wat kastjes. Trots hief Molly even later een vol blik knakworstjes omhoog. Ze hadden zo een honger, dat ze de zwaar verlopen datum geeneens checkten. Na de worstjes ploften ze op het grote muffe bed achterin de oude caravan neer en waren vertrokken voordat ze het wisten.

The Raven kwam heel veel kiezeltjes voor zich werpend in de voortuin van de boerderij met een slip tot stilstand en daar zag hij het witte overhemd van Hollestelle links van hem. Dat beeld deed hem intens verdriet en met een brok in zijn keel liep hij op de Hoofdcommissaris af, die helemaal de weg kwijt leek te zijn. Hij klemde zich helemaal aan Rinus vast en durfde het niet aan zijn adjudant los te laten.
“Toe Camiel”, snikte de Raaf, “laat me hem tenminste onderzoeken.”
“Rinus. Mijn Rinus, oh verdomme Heer toch!”, zat hij maar te snikken en de Raaf had het liefst keihard mee willen snikken. Maar de patholoog anatoom zonder papieren in hem dwong hem zijn emoties niet zo te laten gaan. En dat was één van de moeilijkste dingen die de Raaf ooit in zijn leven had moeten doen. Dat beeld van de commissaris in hemdsmouwen met een slappe Rinus in z’n armen… Hij zou dat nooit vergeten.
“Stop!”, schreeuwde de Raaf door zijn eigen tranen. “Stop daarmee Camiel!”
Maar de commissaris was ontroostbaar.
De Raaf voelde aan de pols van Rinus en voelde niks. Hij probeerde zijn hoofd op zijn borst te leggen, maar de commissaris weigerde zijn armen weg te halen.
“Verdorie Camiel”, schoot de Raaf toch ook helemaal vol. Maar niet voordat hij de commissaris een hele harde klap in zijn gezicht gaf. En even later nog één, en weer één. De Raaf bleef maar slaan en huilde hard; “je had hem moeten beschermen Camiel! Jij, uitgerekend jij had moeten weten, dat Rinus nog niet heel goed zijn momenten kan kiezen! Jij had als hoofdcommissaris Rinus met al je ervaring moeten beschermen!”
“Ik weet het, oh ik weet het!”, liet de commissaris zich achterovervallen en ging in de foetushouding verder liggen huilen.
Emotioneel nog zeker, maar nu iets meer professioneel; legde de Raaf zijn hoofd op de bewegingloze borst van Rinus. En ook daar hoorde hij niks. Hij opende de oogleden en zag wijde pupillen; bijna levensloos, bijna. Want ze waren nog vochtig.
“Ze zijn nog vochtig!”, sprong de Raaf op en rende naar te Raven, waar hij van binnenuit de motorkap opende. Snel klemde hij de  startkabels op de grote accu’s van the Raven en vloog het grind weer over, terug naar het slappe lichaam van Rinus. Hij nam geeneens de tijd meer om “Clear!”, te roepen. Nadat hij de zwarte klem op de neus van Rinus had geklemd, duwde hij krachtig de rode in de slappe buik van Rinus, die daarvan hevig begon te schokken. Hij haalde de rode klem uit de buik en legde zijn hoofd weer op de borst. Niks!
Hij blies een paar stevige ademstoten in de ingeklapte longen van Rinus en stak meteen weer de rode klem in de buik van de adjudant.
Weer niks!
Daarna rende hij naar the Raven en kwam terug gerend met een naald, die hij rechtstreeks in het levenloze hart van Rinus stak. Na de ampul helemaal leeg te hebben gedrukt, gooide hij de naald weg en stak de rode pool weer diep in de buik van Rinus. Dit hield de Raaf zo een heel kwartier vol en toen waren de accu’s leeg.
Verloren bleef hij maar die rode pool duwen die niks meer deed. Bleef hij mond op mond geven en tenslotte balde hij beide vuisten en sloeg zo hard op het borstbeen, dat het iet niet brak en liet zich toe ter aarde storten en begon ongedwongen hard te huilen.
“Ik zou ook wel willen huilen, ben alleen te moe”, hoorde de Raaf tot zijn waanzinnige vreugde.
“Rinus! Rinus kerel, je bent er nog! Camiel! Hoor toch eens hoe moe ons Rinus is!”
“Rinus?”
“Ja Chef”, klonk het zwak. En toen stroomden de tranen van geluk en Hollestelle schaamde zich er geenszins voor. Net zo min als de Raaf. Alleen Rinus vond het wel een beetje gek.

Even later lag Rinus op de mobiele snijtafel van the Raven en stak Hollestelle het verlengsnoer in de huiskamer van de boerderij. De binnenverlichting sprong aan en Rinus zei dat het wel heel fel was.
De Raaf mocht dan wel het hart weer op gang hebben gebracht; het was duidelijk dat Rinus aan een ernstige inwendige bloeding leed. Zonder acuut in te grijpen, zou hij geen tweede keer meer het hart op gang krijgen. Na een kort overleg met de commissaris, hadden ze besloten; dat ze Rinus in the Raven open moesten maken. Tijd voor een ziekenhuis was er niet meer en zelfs de traumaheli zou het nooit op tijd kunnen redden. Terwijl Hollestelle buiten door het grind ijsbeerde, gaf de Raaf Rinus een volle dosis van het paardenmiddel. Hij had stiekem uit het schuurtje van Pierke een volle weckfles meegesmokkeld en had zich daar erg schuldig over gevoeld. Nu was hij daar wat blij mee.
Toen Rinus goed weg was, zette hij een forse incisie ter hoogte van de lever en het bloed gutste eruit. Hij had wel vier dozen gaasjes van 15 bij 15 nodig, eer hij iets van beter zicht kreeg; waar die bloeding vandaan kwam. De kogel had zich diep in de lever geboord onder zo een ongunstige hoek, dat het orgaan grotendeels aan flarden was gereten. Nu wist de Raaf dat de lever een hoog herstellend vermogen had. Maar hij twijfelde ernstig of dat ook voor dit trauma gold. Met een pincet begon hij de losse stukjes lever voorzichtig uit de buikholte te verwijderen. Daarna begon hij met zijn scalpel de rafelige randen weer enigszins ordentelijk te boetseren, tot een meer natuurgetrouwe ronding. Met een tang wist hi,j zonder net niet de poortader te beschadigen, de kogel eruit te trekken. Weer veel gaasjes waren benodigd om genoeg compressie uit te oefenen eer die bloeding stopte. Bezweet keek hij naar de lever van Rinus en besefte dat Rinus zo geen schijn van kans meer had. Er was simpelweg te veel van de lever kapot geschoten.
“Hoe staat het?”, vroeg Hollestelle buiten de camper. “Ik vroeg, hoe gaat het?”
“Eh ja”, gebruikte de Raaf een nieuw gaasje om zijn bezwete voorhoofd mee af te vegen. “Ik heb gedaan wat ik kon… en dat is vrees ik niet genoeg.”
“Hoezo niet genoeg?”
“Het is z’n lever Camiel. Die is vrijwel voor negentig procent verloren. Wat er nog in zit, is al geboetseerd en eigenlijk eenvoudigweg veel te weinig om nog hoop te kunnen hebben op herstel. Hij heeft een wonder nodig. Zonder wonder, gaat ie nooit meer wakker worden.”
Hollestelle weigerde het slecht nieuws gesprek te accepteren en zei: “Rinus is een gezonde kerel de Raaf en een Zeeuw bovendien. Hier groot geworden op de Zeeuwsche klei, die kan toch zo maar niet…”
“Klei!”, gooide de Raaf het zijraampje open en zei: “je moet me helpen!”
Hollestelle liep naar binnen en schrok van de wond en de open buikholte van Rinus.
“Allemachtig oh Heer, komt dat ooit nog goed de Raaf?”
“Pak z’n voeten, dan pak ik ‘m bij de schouders.”
“Waar gaan we naar toe?”
“Naar buiten.”
“Maar zou je niet eerst die gapende wond sluiten?”
“Nee”, en ze begonnen Rinus naar buiten te dragen.
“Daar”, wees de Raaf met zijn hoofd, “naar de akker.”
Toen ze op de vers geploegde akker van Adri stonden, zei de Raaf; “en nou op z’n buik.”
“Wat? Met die open wond?”
“Dat is juist zijn enige redding Camiel, heb vertrouwen. Als ik anders kon”, begon de Raaf arme Rinus diep in de klei te drukken, “had ik anders gedaan.” Daarna begon hij Rinus verder in de vette klei te begraven en stond daarna hijgend op.
“En nu?”
“Nu kunnen we alleen nog bidden”, sprak de Raaf en hij belde het nummer van meneer Pastoor. Hij legde de noodsituatie uit en vroeg om hulp.
“Wat zeg je me daar de Raaf? In de klei? Met open buikwond?!”
“Ja meneer Pastoor, helemaal tot aan zijn nek aan toe. Hij ligt helemaal vastgeklonken in de klei.”
“Dan moeten we bidden de Raaf.”
“Daar zijn Hollestelle en ik al druk mee bezig meneer Pastoor. Maar zou dat wel genoeg zijn?”
“We hebben een wonder nodig de Raaf. Blijf bidden, ik ga de klokken luiden.”
De Raaf ging daarna naast de commissaris tegen de stalmuur aanzitten en ze hoorden hoe in de verte de klokken van Serooskerke door de nacht begonnen te beieren.
“Meneer Pastoor roept het dorp bijeen om te bidden voor Rinus Camiel.”
Maar Hollestelle luisterde niet meer en zat mijn zijn handen devoot gevouwen en ogen gesloten intens te bidden.
Nu was de Raaf nooit echt helemaal van de kerk. Hij had zijn reserveringen aangaande vele geloofszaken. Maar nu hij zo tegen de hoop klei aankeek en samen met Hollestelle in deze verlaten polder zat, sloot ook hij zijn handen ineen en begon te bidden.
Ze zouden de hele nacht door moeten bidden en pas bij zonsopgang zouden ze weten, of Rinus het gered had.

Farkan stuurde de merrie de zak van Zuid-Beveland binnen. De zak van Zuid-Beveland is een kleinschalig landschap dat gekenmerkt wordt door kleine polders en talloze binnendijken. Het gebied is ontstaan door ontelbare kleine inpolderingen, waarmee gestart werd in de twaalfde eeuw door de monniken van Sint Bavo uit Gent, vandaar Beveland. Het is een prachtig gebied met waardevolle natuur- en landschapselemenenten als welen, grenslinden, kreken, vliedbergen en kleine dorpen. De overheid heeft daarom in 1994 de Zak van Zuid-Beveland aangewezen als Waardevol Cultuurlandschap en vervolgens in 2005 als onderdeel van Nationaal Landschap Zuidwest-Zeeland. Zo las Farkan tenminste op Wikipedia. Hier zou hij zich best wel even kunnen schuilhouden. Nergens verkeer en nog minder mensen. Optimistisch mende hij de oude merrie met kar een dijkje op en één van die vele ontelbare poldertjes in.


Deze zaterdagochtend was het ongewoon stil op straat. Oudelande mocht dan nog wel nog niet bewoond zijn, maar ook in Serooskerke kon een kanon worden afgeschoten. De kerk daarentegen zat propvol. De hele nacht had de kleine gemeenschap gebeden voor Rinus. Nu vielen hier en daar gelovigen in slaap in de bankjes. De Raaf had ook de gehele nacht tussen geloof, hoop en hazenslaapjes gezweefd. Maar niet Hollestelle, die was nog immer intens aan het bidden en opende nu pas langzaam voor het eerst zijn ogen.
De zon wilde doorbreken en hij zei zachtjes tegen de Raaf: “het eerste daglicht. Zouden we genoeg gebeden hebben de Raaf?”
“Dat gaan we dus nu uitvinden Camiel”, en licht steunend stonden de mannen op. Ze voelden zich stijf, hadden het koud, hadden honger en waren heel erg moe. Maar niets van dat al hinderde hen, toen ze naar de berg klei liepen; waar ze Rinus in hadden begraven. Het ging nu maar om één ding en dat was hun Rinus.
De Raaf keek Hollestelle twijfelend aan, toen ze naast de hoop klei stonden.
“Ik heb dit nog nooit gedaan”, zei de Raaf.
“Ik heb zelfs geen idee, wat je wil gaan doen”, wist de commissaris het evenmin.
“Nou dit”, zei de Raaf. En hij stak zijn hand in de kluit en duwde zijn arm er vrijwel tot aan zijn oksel in.
“Zoals je daar nou staat de Raaf? Ik zie Pierke nog staan, toen ie dat onwillige kalf uit die koe moest trekken.”
“De Raaf keek serieus en zei, toen hij wat te pakken kreeg; “dan weet je dat je me moet helpen. Nu moet het gaan gebeuren”, en de Raaf begon te trekken en te trekken. Zo hard en met zoveel inspanning dat Hollestelle hem mee begon te helpen. Heel langzaam kreeg de Raaf iets van beweging in de kluit en zei: “hij komt. Langzaam. Maar er zit beweging in!”
De Raaf stak nu zijn tweede arm in de kluit en begon met twee handen te trekken. De commissaris ging achter de Raaf staan. Hij omarmde hem als het ware van achter om zijn middel, om zo ook alle kracht uit te kunnen oefenen om Rinus er maar uit te krijgen.
“Zeg de Raaf?’, pufte Hollestelle op gegeven ogenblik, “kunnen we niet gemakkelijker eerst wat aarde van ‘m afhalen?”
“Dan werkt het niet. En trek!”
Net op het moment dat de eerste zonnestraal in de polder viel, kwam het lichaam van Rinus naar boven. Snel werd hij op zijn rug gelegd en de Raaf begon nu alle resten klei van de adjudant te verwijderen.
“Maar”, stotterde Hollestelle nu, “dit is onmogelijk.”
“Ik weet het Camiel, ik weet het.”
Ze keken naar de buikholte van Rinus, die op miraculeuze wijze dicht was gaan zitten. Het mobieltje van de Raaf ging en meneer Pastoor informeerde hoe ver ze waren.
“Hij ligt op z’n rug meneer Pastoor. De buik lijkt dicht te zitten, alleen hij ademt niet meer.”
“Dan is het tijd om het gebed tot een einde te brengen de Raaf.”
“Ja, meneer Pastoor”, en de Raaf zette zijn telefoon op speaker, die hij naast Rinus legde.
“O Heer”, klonk het uit het telefoontje helder in het nu evenzo heldere zonlicht. “Heel Serooskerke heeft de nacht doorgebeden Heer. Ook de commissaris, onze slager zelfs, heeft de hele nacht gebeden voor Uw wonder. Niet omdat we een wonder willen Heer. Neen. Maar omdat Serooskerke, Zeeland, de kerk en iedereen op het eiland Rinus nog niet kan missen. Wij bidden voor Rinus oh Heer en nu bij het eerste zonlicht, zeggen wij pas amen. Amen! Oh Heer!”
“Was dat het?”
“Ja de Raaf. Eens moet er toch een eind aan het gebed komen? En? Zie je al wat gebeuren?”
Na het ‘amen’ van meneer Pastoor was het de commissaris, die als eerste een verandering ging zien.
“Kleur. Hij krijgt weer kleur.”
“Dat is goed, oh Heer. Laat het waar zijn.”
“Hij … hij ademt weer! Ik kan het niet… Maar hij ademt weer.”
“Z’n ogen de Raaf, heeft ie z’n ogen al open?”, en de hele kerk zat gespannen het gesprek van het wonder in wording te volgen.
“Nee, maar wel z’n mond!”
“Rinus begon te hoesten en te kuchen, dat op zich al een wonder was. Of geen gezien de hoeveelheid klei die hij uithoestte. Maar toen opende ie zijn ogen en barstte een gejuich los in de kerk. Ook de Raaf en Hollestelle sloegen hun handen op hun knieën, voor hun ogen in ongeloof en gewoon in de lucht in geloof. Want ze zagen het met hun eigen ogen, Rinus ging zitten en zei: “zo, volgens mij heb ik mij verslapen.”
“Hij is er weer!”, gilden de Raaf en Hollestelle nu euforisch. “Het is een Gods wonder! Nog nooit zoiets gezien!”
“En dat”, besloot meneer Pastoor plechtig, “kan er dus gebeuren wanneer je een Zeeuw uit de klei trekt.”
“Is dat het?”, vroeg Hollestelle.
“Ja Camiel”, zei de Raaf, “ik wist dat Rinus een echte Zeeuw was, eentje die uit deze klei was getrokken. Het was dus eigenlijk niet meer dan logisch; om hem weer terug in de klei te duwen.”
“Chef”, probeerde Rinus nu op te staan en hij moest nog wel ondersteund worden, “kunnen we terug naar het bureau nu?”
“Rinus, je moet langzaam aan doen. Heb je wel enig idee wat er allemaal gebeurd is?”
“Je bent neergeschoten Rinus, tot de dood aan toe kerel.”
“Dat mag dan wel allemaal wezen, maar ik heb gewoon zo een enorme zin in een lekker bekertje koffie.”
Op de radio van the Raven klonk ‘Kleine jongen’ en de Raaf kon het niet laten om heel hard mee te gaan zingen. Op de rotonde vroeg hij aan de mannen: “horen jullie dat? Meneer Hazes zong het al; klei-ne jongen. Hij heeft het over jou Rinus; onze klei-ne jongen!”, zat de Raaf met een brede grijns achter het stuur
En Hollestelle mompelde in zichzelf; “uit de klei getrokken, ongelooflijk.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.