Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk I: De Mosselboer

Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk I: De Mosselboer

Hoofdstuk I     De Mosselboer

 

 

Peerke van Oester, mosselboer uit Yerseke, blies de olielamp uit in de kajuit en liep het dek op. Het regende en de zoveelste zware avond ontrolde zich op de loopplank voor hem. Peerke was zwaar depressief geworden, dat na het verlies van zijn zus alleen maar erger leek te worden. Zij was zijn laatste houvast in deze wereld geweest en nou voelde hij zich helemaal alleen. Peerke was mosselboer bij geboorte, iets anders had hij nooit gekend. Zijn hele leven had hij gewijd aan de mossel, zoals zijn vader voor hem en zijn vader weer voor hem. Als jonge hond had hij nog genoten van het leven, dat zoveel in petto voor hem leek te hebben. Een eerste wending in zijn verondersteld geluk kwam, toen hij voor het eerst kennis kreeg met een meisje. Zijn ouders waren in de wolken. Hun tweede kind, een meisje, was misvormd geboren en alle hoop op nageslacht hadden ze op hun Peerke gevestigd.  Maar Peerke was ondeugend en geheel tegen zijn protestantse opvoeding in, besloot hij stiekem zijn verkering voor het huwelijk te consumeren. Het was voorbij eer beiden er erg in hadden en enigszins teleurgesteld lag hij na te hijgen van dat stroperige gevoel waar hij zich in had voelen wegzakken. Nieuwsgierig had hij het nachtlampje van het nachtkastje gepakt en deze aangeklikt boven haar die ondanks het vluchtige ook nog aan het nahijgen was.

“Maar …”, had hij impulsief gegild, “dat is een mossel?!”
Niet veel later was zijn vader de kamer ingestormd. Het woord ‘mossel’ had altijd voor een genetische trigger gezorgd leidende tot een extreme mate van alertheid bij de Oesters. De aanblik van die lampenkap boven die mossel was de oude Oester te veel geworden en drie dagen later stonden ze aan zijn graf. Moeder van Oester had na de dood van haar man geen woord meer gerept tegen haar zoon en volgde haar man na zeven zwijgzame jaren. Peerke was nu alleen met zijn misvormde zuster die de deur niet uit dorste.

Bij de notaris bleek dat de oude Oesters behoorlijk wat schulden in hun boedel hadden opgebouwd en Peerke was genoodzaakt hun mosselbank grotendeels te verkopen. De bank was al generaties in het bezit van de Oesters geweest, maar gelukkig had hij nog iets van een soort van simpel klapstoeltje over om met een schone lei verder te kunnen. Veel hadden hij en zijn zus niet nodig. Bij iedere mossel die hij jaar in jaar uit naar boven haalde, zag hij weer dat schemerbeeld van die noodlottige avond voor zich en dat had keer op keer genadeloos zijn verdere leven getekend. Het plichtsbesef om voor zijn zus te zorgen, was het enige dat hem nog iets van een levensdoel verschafte. En nu, nou ook zij naar de eeuwige mosselbanken was verhuisd, wenste hij steeds vaker; dat die zwarte verhuiswagen ook voor hem zou komen. Maar die kwam maar niet. Vele avonden hebben de ouderlingen op Peerke ingepraat doch tevergeefs. Ook meneer de Dominee heeft alles gegeven, om hem de zin van het leven weer te doen inzien. Maar zelfs hij wist niet door het leed geraken, dat Peerke met zich mee droeg. Peerke sprak niet, dat kon hij niet meer en hij bleef in verdriet gesloten gelijk zijn achternaam. Uiteindelijk gaf meneer de Dominee hem een oud vergeeld visitekaartje en zei; “de Here neemt en de Here geeft Peerke. Ik had nooit gedacht dit ooit te moeten geven. Maar ik vind toch dat je met haar moet gaan praten. Ik reken wel op je discretie hier, want God verhoede dat de ouderlingen hiervan te weten komen.”
Deze geste was een hoogst uitzonderlijke. Niks werd namelijk ooit buiten de kerk om geregeld. En al helemaal geen zaken die de ziel betroffen. Maar meneer de Dominee was ten einde raad en zag in; dat als de Here niet zou nemen, Peerke daar zelf wel voor zou zorgen. En dat was iets dat niet geaccepteerd kon worden. Als laatste redding op iets van verlossing, had hij het kaartje op het tafelkleed achtergelaten en de deur zachtjes achter zich dichtgetrokken met een zachtjes gemompeld; “eet smakelijk Peerke.”

Peerke zat zoals iedere avond aan de eettafel met daarop en grote pan vers gekookte mossels, die hij die dag had geoogst. Hij had de tafel gedekt met twee borden, eentje voor hem en eentje voor zijn zus. Hij weigerde aan het verlies toe te geven en pakte een mossel uit de pan. Met zijn mesje wrikte hij de schelp verder open en kokhalzend slurpte hij de mossel met enige inspanning naar binnen. Zelfs het genieten van verse mossels was hem niet meer gegund na die fatale avond. Na enkele weken was hij gewoon geraakt aan die verworven kokhalsreflex, hoewel het nooit meer echt wende. Na het eten deed hij de afwas en probeerde nog wat te lezen. Hij las wel, maar het registreerde niet meer. Apathisch sloeg hij het boek weer toe en keek naar het kaartje dat meneer de Dominee voor hem had achtergelaten.

mevrouw Dalisha van Warengem
personal coach en waarzegster met eigen bol

Op de achterzijde las hij weer apathisch het adres en ging naar bed. De volgende dag voer hij voor dag en dauw zijn kottertje het haventje uit en koerste naar zijn klapstoel. Na een lange dag zwoegen, had hij een klein emmertje weten op te halen. Het was net genoeg voor het avondeten.
Na de trossen vastgesjord te hebben, liep hij de kajuit in en blies de olielamp uit. Daarna stapte hij weer de druilerige regen in. Op de loopplank ontrolde zich weer die pijnlijke sleur en op de kaai gooide hij zijn volle dagvangst boos de haven in. Voor het eerst in al die jaren rolde een traan tussen de regendruppels door van zijn wang. Hij pakte het kaartje uit zijn portemonnee en keek naar het adres waarna hij begon te lopen. Hij liep zijn eigen huisje voorbij en na een kleine tien minuten stond hij bij de bushalte aan de provinciale weg te wachten op de bus 27 naar Goes. Gelukkig was het geen zondag, want dan had ie moeten gaan lopen helemaal naar ’s Gravenpolder. Nu kon ie in Goes overstappen en in de verte zag hij de bus na een klein half uur aan komen rijden.

In Goes stapte hij over op de lijn 225, waar hij laat op de avond uitstapte te ’s Gravenpolder. Het was net gestopt met regenen en de straten oogden verlaten. Na een kleine wandeling stond hij voor een eenvoudige rijtjeswoning. Hij werd daar begroet door het kenmerkende geluid van een windgong, dat onder het afdakje van de voordeur hing. Hij keek weer even naar het kaartje en weifelde. Toen dacht hij aan de mossels, die hij boos in de haven had gegooid en stapte het tuinpad op. Ondanks zijn zware gemoed kon hij toch niet bevroeden; dat dit wel eens zijn laatste stappen zouden zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *