Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk III: Prothetische biecht

Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk III: Prothetische biecht

Hoofdstuk III     Prothetische biecht

 

 

Meneer de Dominee had al een kwartier staan schellen en liep nu achterom. Maar ook daar kreeg hij geen gehoor. Hij besloot naar de haven te lopen. Maar eenmaal aan de kaai zag hij dat de kleine kotter van Peerke nog gewoon aangemeerd lag en de kajuit op slot was. Nu begon meneer de Dominee het benauwd te krijgen. Het zou toch niet? Was hij te laat geweest?
Teleurgesteld liep hij in gebed voor Peerke verzonken naar de kerk. In zijn kamer schuin achter het altaar nam hij plaats en greep naar de telefoon. Dalisha nam op en was verrast door meneer de Dominee. Ze vertelde hem dat ze niemand had gezien. Sowieso had ze ooit iemand met het kaartje, dat ze in haar opstartperiode aan o.a. meneer de Dominee had overhandigd, mogen zien. Het was dat meneer de Dominee niet van krachttermen hield, maar het begon er nu wel steeds meer op de lijken; dat Peerke een beslissing had genomen. En dat voelde als een diep geworteld falen, dat steeds zwaarder begon aan te voelen.


Lonnie had in tegenstelling tot Molly wel weer snel zijn gebruikelijke routine te pakken en zat bovenop een kreunende oude dame, die overdwars op de sofa lag. Ze was gekomen voor een nieuw soort massage, want die hardnekkige pijn in haar nek viel alleen maar te onderdrukken met het continu slikken van pijnstillers. Ze was overal geweest, van de fysio tot vele dure healingsessies bij Jomanda. Uiteindelijk had niets geholpen en toen zag ze een kleine advertentie bij de ingang van de Spar.

Lonnie a.k.a Don Testos te Lon
tantramassagespecialist met gouden handjes
p.s. en ondeugende ook, maar alleen als U dat wilt

Voel je alles al tintelen?”, moest nu Lonnie een kleine kreun onderdrukken.
“Mijn God! Waar heb ik dit aan te danken?”, prevelde het oude dametje tussen het intensieve gekneed van Lonnie door. “Dit heb ik in geen jaren meer gevoeld?”
In de kleine gang zette Molly de rollator van de cliënte van Lonnie aan de kant en liep naar buiten. Daar stapte ze op de fiets en reed naar ’s Gravenpolder. Ze had deze nacht voor het eerst in heel lange tijd redelijk geslapen en keek uit naar haar volgende sessie met Dalisha.

“Goedemorgen heren”, zei de Raaf toen hij deze ochtend het bureau binnenstapte.
“Koffie?”
“Daar zegt de Raaf geen neen tegen, zoals je weet”, en de Raaf ging zitten.
“Is het niet druk in de slagerij?”
“Nee, vrijdag is altijd rustigjes. Zeg, wat ruikt het hier lekker fris? Driehoekzeep?”
“Grote schoonmaak gedaan, groene zeep ja”, zei de hoofdcommissaris, die de krant opvouwde en naast zich neerlegde.  Hij knikte naar Rinus, die met vragende blik duidde op een lekker bekertje koffie.
“Alsjeblief de Raaf.”
“Heerlijk Rinus, dank je.”
Nadat Rinus zijn Chef en zichzelf van een bekertje voorzien had, ging ook hij zitten aan het bureau en begon de Raaf opmerkelijk te observeren.
“Zo!”, liet de Raaf zich al ontvallen na het eerste slokje. “Hebben jullie andere koffie? Deze is heerlijk!”
Tevreden pakte Rinus met enig trots nu zijn bekertje en nam tevreden ook een slokje.
“Rinus heeft de maling veranderd en dat was ook wat mij betreft een gouden greep”, genoot ook Hollestelle zichtbaar van zijn koffie.
“Ben blij dat ik besloten heb even een ommetje te maken. Ik had dit niet willen missen. Lekker Rinus!”
“Dank je de Raaf. Ja, ik had net ….”
Rinus werd onderbroken door de telefoon, die al maanden niet gerinkeld had. Hij keek verbaasd naar Hollestelle, die zich sneller had herpakt.
“Vooruit Rinus, neem op. Mensen bellen niet voor niets naar ons nummer.”
“Met Rinus, adjudant politie Serooskerke, spreekt U.”
“Rinus? Met mij, de dominee van Yerseke.”
“Meneer de Dominee van Yerseke? Wat kan ik voor U betekenen? … Ja, maar U belt mij toch? … Of we even langs willen komen? …”
Even later legde Rinus de telefoon neer en zag dat de Raaf en Hollestelle hem afwachtend aankeken.
“Dat was meneer de Dominee.”
“Ja dat weten we al Rinus, die van Yerseke!”, kon de Raaf zijn nieuwsgierigheid maar moeilijk bedwingen.
“Waarom belde meneer de Dominee Rinus?”, vroeg Hollestelle, kalm doch evenzo nieuwsgierig.
“Dat wilde hij niet over de telefoon zeggen.”
“Heu?”
“Hij maakt zich ernstig zorgen Chef. En heeft ons dringend verzocht langs te komen. Het kon absoluut niet over de telefoon?”
“Nou weten we nog niks”, zei de Raaf teleurgesteld. “Dan ga ik maar weer wat vlees snijden. Reepjes gekruid bief vandaag. Moet ik wat voor jullie achterhouden?”
“Als je wilt? Heel graag de Raaf.”
“Okido. Nou, werk ze dan nog maar.”
“Ja, jij ook de Raaf.”

“Molly? Kom verder meiske. Heb je een beetje kunnen slapen?”
“Molly ging zitten en legde haar kauwgom in de asbak en zei: “eigenlijk voor het eerst een beetje ja. Ik voelde me vannacht heel warm worden en toen, toen ben ik zomaar een paar uurtjes in slaap gevallen!”
“Ik wist het wel. Ik heb vannacht dan ook een beetje speciale genezing naar je toegestuurd. Eentje van het hogere soort.”
“Het hogere soort?”
“Ja. Mijn standaardgenezing komt altijd met een beetje van het hogere soort. Zoiets gebeurt gewoon en hoort er eenmaal bij. Normaal hebben mensen daar geen weet van, maar jij voelde het. Dat betekent Molly, dat ook jij zekere gaven moet hebben.”
“Ik? Paranormaal begaafd?”
“Je trekt je alles zo erg aan, je voelt alles. De pijn van mensen en al het leed in de wereld. Is dat niet wat jou je hele leven al in de weg lijkt te zitten?”
“Nou, ja. Inderdaad komt alles altijd wel heel direct binnen bij mij.”
“Jij hebt de gave ook Molly. Nu moet je die zelf alleen nog maar erkennen en dan kan jouw grote ontdekkingsreis eindelijk gaan beginnen. Laat me je daarbij helpen, met het zoeken naar jouw eigen ‘jij’. Ik beloof je; ik reken speciaal tarief.”


Alleen op het stukje snelweg mocht Rinus van Hollestelle zijn fiets voluit laten gaan. In de middag stapte Hollestelle van de bagagedrager af, waarna Rinus zijn fiets in een daartoe bestemde fietsklem zette naast de hervormde kerk van Yerseke.  Ze klopten aan bij de zijdeur, waar meneer de Dominee vrijwel direct reageerde en de heren binnen liet. Hij bood ze een stoel aan en een glaasje water, dat met name Rinus ietwat teleurstelde.

“Ik dank jullie zeer voor jullie komst. Laten we direct van wal steken.”
Meneer de Dominee vertelde over Peerke van Oester en over de lange periode, waarin hij zich zo’n zorgen maakte. En dat zijn vrees wellicht bewaarheid was geworden.
“De heer van Oester is nog geen vierentwintig uur vermist. Begrijp ik dat goed?”, vroeg Hollestelle, die zijn water liet staan.
“Inderdaad, dus U begrijpt mijn zorgen.”
“De heer van Oester is een volwassen man. Dus volgens ons boekje is hij nog niet officieel vermist Dominee”, zei Rinus, nog steeds teleurgesteld over dat extreem zwakke bakje.
“En dat wil ik graag zo houden.”
“Hoe bedoelt U?”, vroeg Hollestelle verbaasd.
Meneer de Dominee had zichtbaar enige moeite met die vraag en nam meerdere nerveuze teugen van zijn water.
“Ik was ten einde raad. Ik zag dat een schaap van onze hechte pastorale gemeente dolende was.”
“Ik dacht dat we het hier over een oester hadden?”
“Jaja, natuurlijk. Ik bedoel daarmee Peerke commissaris. Ik was ten einde raad en heb hem, geheel tegen mijn gewoonte in, een kaartje gegeven van een ja, hoe zal ik het zeggen?”
“Het beste zoals het is.”
“Ik heb Peerke verwezen naar ene mevrouw van Warengem.”
“Okay?”
“Ziet U niet hoe erg dit is?”
“U zag een dorpsgenoot in geestelijk nood en hebt hem verwezen naar een therapeut. Ik zie daar niks geks in.”
“Die dame is … sja, ze leest kaarten en doet aan healings van de geest en …”
“Allemachtig! Meneer de Dominee! Een zwevende gebedsgenezeres?!”, liet Rinus zich spontaan ontvallen.
En ook Hollstelle ging op zijn stoel verzitten toen ie vroeg: “weten de ouderlingen hiervan?”
“… Nee.”
“Heeft U misschien ook koffie hier? Want ik geloof, dat we daar aan toe zijn. Maar in Godsnaam; wat dacht U eigenlijk hiermee te bereiken?” Hollestelle liet met zijn intonatie duidelijk zijn afkeur blijken. Hij troostte zich met de gedachte, dat de kerk in Serooskerke nimmer dergelijke wegen zou bewandelen. Natuurlijk zag hij dat meneer de Dominee ten einde raad was. Maar om een waarzegster in te schakelen, was echt dwars tegen de kerkelijke leer in. En zouden de ouderlingen hier weet van krijgen, dan zou Yerseke in acute nood geraken. Dermate zo, dat dit een behoorlijke impact zou hebben op het gehele eiland. En dat konden ze na de gebeurtenissen in Oudelande er echt niet bij hebben.
“Ik zat vreselijk fout. Ik had hem dat kaartje nooit moeten geven. Maar ik was ten einde raad commissaris en ben dat nog steeds.”
“Het is goed dat U ons heeft gebeld. We zullen per direct een discreet onderzoek gaan instellen. Wat jij Rinus?”
“Ja Chef, meteen. Na de koffie?”
“Hier tegenover ligt ’t Anker. Daar hebben ze hele goede koffie, zo heb ik mij laten vertellen. Nog wat water?”
“Nee, dank U”, stond Hollestelle op en gebaarde Rinus hetzelfde te doen. “Wij houden U op de hoogte, goedemiddag.”
Even later zaten ze aan een redelijk kopje koffie in ’t Anker.
“Wat maak jij hiervan Rinus?”
“Ik zie een smeulend vuurtje dat slechts een briesje nodig heeft, om tot een ongekende brand uit te breken.”
“Precies, wat dacht die Dominee wel niet om zo de ouderlingen te passeren?”
“Ongekend Chef, ongekend.”

“Jaaaaaaah!”, krijste Lonnie zijn ziel en zaligheid van de sofa. Het was hem gelukt! Hij had er zoveel over gelezen. Maar dat het hem nou ook eindelijk gelukt was, vervulde hem met trots. Hij had zijn cliënte zo weten te masseren, dat ze het bewustzijn had verloren op het hoogtepunt van het gekneed.
“Ik wist wel dat ik het in me had!”, zei hij, meer tegen zichzelf dan zijn cliënte. Hij trok van alles weer recht en ging aan tafel zitten, dat qua positionering een bureau moest voorstellen. Hij pakte met een groots gebaar zijn calculator uit een oud sigaren doosje en begon te rekenen.
“Dat is dan 175 Euro. Het was dan ook de Tantra-de-luxe die U alleen bij Don Testos de Lon krijgen kunt. Een koopje dus eigenlijk. …  Ja hallo?! Af-re-ke-nen!”, gilde hij naar de oude dame die nog steeds over de sofa hing.
Als antwoord kreeg hij een droge tik op het laminaat, toen het kunstgebit uit haar levenloze mond viel.

Dalisha keek Molly intens over haar bol aan en zei: “ik zie een zwarte ziel achter je, of staat ie naast je? Ik zie …”
Molly was van de zenuwen maar weer op haar kauwgom gaan kauwen, die ze uit de asbak had gepakt. Wat Dalisha haar zat te vertellen, was zo intens, dat ze niet in de gaten had; dat haar kunstgebit een eigen leven van kauwvermogen leek te gaan leiden. Dalisha keek naar haar wild dansende tanden en stak waarschuwend haar vinger op.
“Wat je ook doet Molly, laat die zwarte ziel niet weten dat je tanden eruit kunnen!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.