Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk VII: Walgelijk Bevenland?

Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk VII: Walgelijk Bevenland?

Hoofdstuk VII     Walgelijk Bevenland?

 

 

Sissend kwam de grote gele bergingswagen van Frank tot stilstand voor de fietsenzaak van Kievit. Frank stapte uit en riep de werkplaats in; “Kievit? ‘k Heb een wrak voor je.”
“Ga weg! Ik ben fietsenmaker Frank. Dat weet je drommels goed! Ik ben niet van autowrakken!”
“Moet ik die fiets dan maar naar de sloop brengen?”
“Heu? Zei je nou fiets?”, kwam Kievit op z’n blote voeten achter een stellage vandaan. Hij knipperde even tegen het daglicht en zag achter Frank de grote gele bergingswagen staan.
“Fiets zei je?”
“Ja, kijk maar. Hij ligt achterin”, al pratende hees Frank zich op aan de lier en sprong over de veiligheidsrailing. Kievit kwam voorzichtig naderbij en kromp ineen toen Frank de fiets omhoog hield.
“Oh nee! Niet de fiets van Rinus?!”
“Ik ben bang van wel Kievit. Hij blokkeerde de rotonde bij Oudelande na een ernstig ongeluk.”
“Rinus?”
“Ik hoorde dat de Raaf reed. Hij ligt in de kreukels in het Admiraal de Ruyter, maar het fijne weet ik er verder niet van.”
Frank tilde de fiets over de railing en Kievit haastte zich om zijn levenswerk aan te pakken. Tranen sprongen in zijn ogen bij het zien van de erbarmelijke staat van de fiets.
“Volgens mij is het een total loss. Maar ik wist dat je niet zou willen; dat ze ‘m bij de sloop zouden strippen tot oud ijzer.”
“Dank je Frank, ik …”
Meer kon Kievit niet uitbrengen en draaide zich met fiets en al abrupt om. Hij liep de werkplaats in en liet het rolluik met een donderend geraas dicht knallen.
“Geen dank Kievit”, mompelde Frank en klom weer in de cabine.


Lonnie werd wakker van gefluit uit de keuken en stommelde de trap af. Hij zag Molly in de keuken staan, die aan het aanrecht stond te fluiten. Alleen deze keer nou zonder geluid? Dichterbij gekomen zag hij; dat ze weliswaar leek te fluiten, alleen zonder dat typerende geluid te maken. Ze was meer feitelijk aan het blazen. Hoewel ze duidelijk haar lippen aan het tuiten was, zoals men doet om een deuntje te gaan fluiten. Toen zag hij hoe Molly zonder fluitgeluid enorme ballonnen van kauwgom aan het produceren was. Eenmaal op hoogspanning gefloten (of was het nou geblazen?), beet ze de rest van de kauwgom in haar mond af en een grote kleurig rode bal van kauwgom maakte zich los van haar lippen. Zo zag Lonnie al drie enorme kauwgomballen zachtjes door de keuken zweven. De grootste kwam tegen de geiser aan en klapte door de hitte van het waakvlammetje. Maar in plaats van een knal, ontsnapte er het gefluit uit; waar hij wakker van was geworden.
“Ook goeiemorrege Molly. Wat ben jij vrolijk en wat is dat met die ballen?”
“Mooi zo toch? Ik heb een gave Lon. Ik zie overal kauwgom op straat en kan precies nakauwen van welk merk. Maar dat is nog niet alles. Ik kan mijn kauwgom laten fluiten!”
Op dat moment zweefde een ballon tegen de gloeilamp aan het plafond en een schrille fluittoon kwam van boven.
“Je bedoelt dat dit kauwgom is van die geplette rondjes op straat?”
“Ja Lon. Ik ben er zo enthousiast over, dat ik alle appeltaart al heb weggegooid! Ik ben genezen Lon! Ik kan weer een zonnetje zien!”
“Laten we dan meteen de proef op de som nemen schat”, en Lonnie dook op Molly, die hij tegen het aanrecht aandrukte. Hij trok haar broek omlaag maar bleef plakken. Bij nader inzien ontdekte hij wel zeker tachtig kleine kauwgomballetjes die Molly keurig op haar riem had geplakt als ware het munitie. Het deed hem denken aan westerns en hij kierde; “hier komt ie Molly, the long Lon ranger!”
Molly had dan wel weer een doel gevonden, genezen was ze natuurlijk nog lang niet. Ze liet Lonnie zijn shootout doen en bleef gedurende zijn gehele gunfight stoïcijns kauwen en dacht; “mmm … ja! Spearmint van Wrigley’s!”
Tijdens zijn laatste loodje echter, kreeg ze wel even moeite om de perfecte bel te blazen. Maar dat duurde gelukkig maar heel even.

 

 

“Wat zeg je nou Rinus!”, sprak Hollestelle enigszins vermanend.
“Hoe het met m’n fiets is Chef”, bleef Rinus de in diepe slaap geslipte de Raaf ernstig aankijken.
“Ik denk wat de commissaris bedoelt Rinus”; zei Jack, “is dat de Raaf nog herstellende is van een zeer zwaar ongeluk. Ook al zou hij willen antwoorden, hij kan het gewoonweg niet.”
“Excuus Chef. U en Jack hebben gelijk. Maar het is wel mijn fiets.”
“Natuurlijk Rinus, dat weten we. Maar zouden we ons niet beter bezig kunnen houden met de informatie die hij wel met ons heeft kunnen delen?”
“Schoolbord Chef. We hebben het schoolbord nodig!”
Toen de dokter op visite was geweest, besloten de mannen terug naar het bureau te gaan. De Raaf zou voor nu in kunstmatige coma gehouden worden, opdat zijn herstel zo pijnloos mogelijk zou kunnen verlopen. Een paar dagen zeker, had de dokter gezegd. En in de middag liepen ze het bureau binnen.
“Koffie Jack?”
Al snel verbaasde Jack zich over de uitzonderlijke kwaliteit van deze koffie en kon een glimlach niet onderdrukken door deze ongekende smaaksensatie. Nadat ze wat bij hadden gepraat, werd het tijd om het onderzoek te gaan starten en Rinus pakte een krijtje. Hij ging voor het schoolbord staan en wilde beginnen, toen Jack zijn indruk over het contrast van dat hagelwitte krijtje tegen dat donkerste zwart niet kon onderdrukken.
“Wat is dat bord zwart zeg. Zo zwart heb ik dat bij ons nog nooit gezien.”
“Het geheim is iedere dag net na achten het bord met schoon water en dito spons af te nemen Jack.”
“Klopt wat Rinus zegt Jack. Rinus is daar heel nauwkeurig in.”
Rinus schreef in sierlijke letters, die van het bord af leken te springen; 1. de Raaf was bijna dood!
“Ik overdrijf hier toch niet mee Chef?”
“Zeker niet Rinus!”
Jack maakte een notitie over hoe je het beste een gedegen onderzoek kon beginnen. Hij was onder de indruk, hoe duidelijk het werd door dit met wit krijt puntsgewijs op te schrijven op een donkerzwart schoolbord.
“De Raaf zei dat ie bijna dood was, maar dat ie kon vluchten”, vulde Jack aan en even later keken de mannen naar het bord en lieten de punten op zich inwerken.

1. de Raaf was bijna dood!
2. Dalisha is duivelsgebroed
3. meneer de Dominee uit Yerseke

4. de Raaf moest vluchten
5. waar is mijn fiets? (ik bedoel mijn dienstfiets)
6. Peerke vermist

Hollestelle sprak als eerste vragend zijn voorzichtig ontstaan intuïtief vermoeden uit; “zou dit in verband kunnen staan met die arme Johanna, die we uit de Zak hebben gevist?”
Jack werd bijgepraat over de vondst in het schier ondoordringbare deel van het eiland en ook hij vond deze samenloop wel heel erg toevallig.
Rinus voegde punt 7 erbij; oud lijk uit de Zak.
“Rinus!”, zei Hollestelle vermanend, “dat oude lijk heeft een naam!”
“Natuurlijk Chef”, waarop na de wisser gehanteerd te hebben, hij schreef;
7. Johanna de Visser dood gevonden in de Zak (lijk was helemaal nog niet oud).

Na het laatste punt nam Rinus afstand van het bord en ging weer naast de mannen aan het bureau zitten. Zijn aandacht bleef maar willekeuring bij punt 2 hangen.
“Die Dalisha Chef. Ik heb daar een naar gevoel over.”
“Hoe bedoel je Rinus?”
“Kijk, de Raaf is helemaal niet gelovig. Tenminste niet zoals U en ik toch?”
“Ja? Wat is dan je punt?”
“Dat zijn toch geen woorden voor de Raaf zoals wij hem kennen?”
“Natuurlijk Rinus! De Raaf zou ‘dat’ woord inderdaad nooit in zijn mond nemen!”
“Tenzij”, fluisterde Jack welhaast van ingehouden spanning, “de Raaf te maken kreeg met onverklaarbare zaken …”
Die opmerking sloeg in als een bom en hun gedachten gingen terug naar hun tijd in New York. De laatste keer, dat ze met ‘duivelsgebroed’ te maken hadden gehad, was daar. Jack stelde zichzelf gerust, door te denken aan thuis. Satan Island had gelukkig weer het vredige Staten Island kunnen worden, dankzij de agenten uit Serooskerke. Ze hadden het er weliswaar over gehad natuurlijk. Maar eigenlijk wilde niemand het meer echt hebben over de onderliggende oorzaak en het verschrikkelijke gevolg van die periode. Simpelweg omdat dat niet te bevatten viel.
Rinus zijn mond viel langzaam open en zei: “ik denk dat we verse koffie nodig hebben.”

Bij het tweede bekertje begonnen ze voorzichtig aan het idee van Jack te wennen. Hoe meer slokjes ze namen, des te overtuigender  leek de stelling van Jack over te komen. Rinus stond op en tekende een fraaie accolade, waarmee hij alle punten verbond met de ontdekte hoofdlijn.
“Ik vind het een walgelijke gedachte Chef”, durfde hij nog niks op het bord te zetten. Zo lang het niet op het bord zou staan, was het niet echt voor hem.
“Ik ook Rinus, maar we moeten ons gedragen als echte agenten. Walcheren heeft ons nodig alsook Zuid-Beveland. En ik ben het met je eens dat dit geen toeval meer lijkt”, en de commissaris keek naar Jack. “De komst van Jack, hoe blij we ook hier allemaal van zijn. Was dat geen teken aan de wand?”
“U bedoelt commissaris; dat ‘iets’ mij hier naar toe heeft gebracht?”
“Chef zegt alleen maar Jack, dat de laatste keer we ook op een eiland zaten. En niet op zo maar een eiland, maar een zeer dierbaar eiland; die jou net zo aan het hart ligt als Walcheren en Zuid-Beveland aan het onze. Jouw geliefde Staten Island was bijna voor eeuwig Satan Island geworden en …. ik durf hier niet aan te denken Chef!”
“Schrijf het nou maar op Rinus. We kunnen het maar gehad hebben.”
En Rinus noteerde met pijn in zijn hart achter de accolade; Walgelijk Bevenland?
Verslagen door die twee woorden ging Rinus weer zitten en vroeg met een hulpeloze blik: “wat nu Chef?”
“Nu Rinus, nu moeten we naar meneer de Dominee gaan. Ik wil weten, hoe hij aan die waarzegster is gekomen. Ik wil alles weten wat hij over haar weet, voordat we mevrouw van Warengem zelf aan de tand gaan voelen.”
“Ik wil geen spelbreker zijn heren. Maar zijn we daar wel tegen opgewassen?”
“Eerlijk gezegd weet ik dat niet Jack. Maar ik weiger dergelijke dingen maar gewoon op z’n beloop te laten.”
“Mag ik iets voorstellen?”
“Maar natuurlijk Jack.”
“Billy. We zouden Billy kunnen contacten. Als er iemand is, die van deze zaken het meest afweet, is het Billy wel.”
“Ja Chef! Billy! Natuurlijk! Dat we niet eerder aan hem gedacht hebben, dank je Jack.”
Het vooruitzicht op mogelijke hulp van Billy gaf de agenten weer nieuwe moed en Rinus pakte meteen de telefoon en belde naar Yorkshire.


“Met Billy’s en Bes’ Welnessfarm”, klonk de vriendelijke stem van Bes door de telefoon.
“Hallo Bes. Je spreekt met Rinus, uit Serooskerke?”
“Oh Rinus! Wat leuk je stem te horen, hoe is het?”
Rinus wist even niet de waarheid te zeggen en Hollestelle zei gemaakt vrolijk tegen het speakertje op het bureau: “het gaat goed met ons Bes. Hoe gaat het met jullie?”
“Ah commissaris! Het gaat uitstekend met ons. Wacht even, ik zie Billy net voorbij komen. Hier is ie hoor, hij zal zo blij zijn.”
“Met Billy. Met wie heb ik het genoegen?”
De mannen gilden door mekaar heen groeten naar Billy en Billy riep enthousiast terug; wat leuk het was ze allemaal weer eens te horen. Hij vertelde ze over dat de zaken erg goed gingen en hij eindelijk zijn innerlijke rust had gevonden in Yorkshire.
“Maar waarom bellen we? Ik hoor dat Jack bij jullie is. Ik zou de ferry kunnen nemen, tenminste kan ik er even uit Bes?”
Bes zei dat dat prima kon en enthousiast liepen ze het vaarschema erop na. Billy zou de nachtboot nog kunnen halen en dan morgenochtend vroeg al in Vlissingen kunnen zijn.
“Wat dachten jullie daarvan?”
“Wij staan je op de kade op te wachten hoor Billy!”, en vrolijk werd het internationale gesprek beëindigd.
“Nou, hij’s morgen hier.”
“Hadden we hem niet de waarheid moeten zeggen Chef?”
“Eigenlijk wel en ik heb daar ook best wel moeite mee.”
“Natuurlijk is de waarheid altijd het beste”, zei Jack, “maar denken jullie dat ie zou komen; als ie wist wat wij vrezen?”
“Dat denk ik niet. Potdomme, nou voel ik me er nog vervelender onder.”
“Heren, het gaat wel om jullie eiland toch?”
“Jack heeft gelijk Chef. En als we het hem persoonlijk uitleggen, waarom we het zo hebben gespeeld, zal Billy dat vast kunnen begrijpen.”
“Okay”, sprak Hollestelle opgelucht, “zulke dingen kan je inderdaad niet telefonisch afdoen. Morgen komt Billy, dus denk ik dat we vervoer moeten gaan regelen.”
“We hebben the Raven toch Chef?”
“Je weet net zo goed als ik Rinus; dat als een onderzoek eenmaal gaande is, we meerdere vervoersmiddelen tot onze beschikking moeten hebben.”
“Natuurlijk Chef. We zouden eens aan Kievit kunnen vragen of ie nog wat fietsen kan missen?”
“Dat doen we. Kunnen we meteen wat eten in het café er tegenover.”
De mannen liepen het bureau uit en stonden even later voor een dicht rolluik. Er werd gegild, dat ie niet van plan was open te doen en dat ze maar weg moesten gaan.
“Ik heb voorlopig geen tijd. Ik ben heel druk bezig!”
“Kievit!”, bulderde Hollestelle tegen het rolluik, “doe open! Politie! Wij zijn hier voor politiezaken!”


Langzaam ging het rolluik piepend open en Jack verbaasde zich over die blote en best wel smerige voeten, die ze als eerste te zien kregen.
“Jack, dit is kievit. Kievit, dit is Jack”, stelde Hollestelle de mannen aan elkaar voor. “Zeg heb jij …”
“NEEEEEEEEEE!!!”, gilde Rinus hartverscheurend en duwde zeer ongebruikelijk zijn Chef opzij en rende naar binnen. In het midden van de werkplaats viel hij op zijn knieën en strekte zijn handen voorzichtig en teder uit naar zijn fiets, die daar enorm in de kreukels lag te liggen. Hij begon te huilen en tranen vielen op de verwrongen voorvork.
“Wat hebben ze met je gedaan? Oh jonge toch, wat zie je er uit.”
“Euh commissaris?”, fluisterde Jack zachtjes; “gaat alles wel goed met Rinus? ’t Is toch maar een fiets?”
Hollestelle fluisterde terug, dat dit niet zomaar een fiets was en zelfs Kievit fluisterde; “de fiets en Rinus zijn heel erg speciaal.Er is niemand op deze hele wereld die zo op zijn fiets kan rijden als Rinus.”
“NEEEEEEEEE!!!”, krijste Rinus weer, maar nu anders. Hij stond op en wendde zich tot Kievit; “WIE? WIE KIEVIT! WIE IS HIER VERANTWOORDELIJK VOOR?!”
Hollestelle sprong tussen Kievit en zijn adjudant in. Zo had hij Rinus nog niet eerder meegemaakt.
“Kievit heeft dit niet gedaan Rinus. Toe man, verman je!”
Maar Rinus luisterde niet meer. Hij was verblind door pure nijd en hele erge woede. Ware het niet ook voor Jack, dan had hij Kievit hebben kunnen aanvliegen. Terwijl Jack Rinus mede tegenhield, haalde Hollestelle uit met vlakke hand en sloeg Rinus hard in het gelaat, tot driemaal toe.
Rinus bleef daarna staan, keek zijn Chef huilend aan en viel slap in de armen van Hollestelle die hem opving en berustend sprak; “we zullen de dader krijgen Rinus, we zullen de dader krijgen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk VII: Walgelijk Bevenland?

Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk VII: Walgelijk Bevenland?

Hoofdstuk VII     Walgelijk Bevenland?

 

 

Sissend kwam de grote gele bergingswagen van Frank tot stilstand voor de fietsenzaak van Kievit. Frank stapte uit en riep de werkplaats in; “Kievit? ‘k Heb een wrak voor je.”
“Ga weg! Ik ben fietsenmaker Frank. Dat weet je drommels goed! Ik ben niet van autowrakken!”
“Moet ik die fiets dan maar naar de sloop brengen?”
“Heu? Zei je nou fiets?”, kwam Kievit op z’n blote voeten achter een stellage vandaan. Hij knipperde even tegen het daglicht en zag achter Frank de grote gele bergingswagen staan.
“Fiets zei je?”
“Ja, kijk maar. Hij ligt achterin”, al pratende hees Frank zich op aan de lier en sprong over de veiligheidsrailing. Kievit kwam voorzichtig naderbij en kromp ineen toen Frank de fiets omhoog hield.
“Oh nee! Niet de fiets van Rinus?!”
“Ik ben bang van wel Kievit. Hij blokkeerde de rotonde bij Oudelande na een ernstig ongeluk.”
“Rinus?”
“Ik hoorde dat de Raaf reed. Hij ligt in de kreukels in het Admiraal de Ruyter, maar het fijne weet ik er verder niet van.”
Frank tilde de fiets over de railing en Kievit haastte zich om zijn levenswerk aan te pakken. Tranen sprongen in zijn ogen bij het zien van de erbarmelijke staat van de fiets.
“Volgens mij is het een total loss. Maar ik wist dat je niet zou willen; dat ze ‘m bij de sloop zouden strippen tot oud ijzer.”
“Dank je Frank, ik …”
Meer kon Kievit niet uitbrengen en draaide zich met fiets en al abrupt om. Hij liep de werkplaats in en liet het rolluik met een donderend geraas dicht knallen.
“Geen dank Kievit”, mompelde Frank en klom weer in de cabine.


Lonnie werd wakker van gefluit uit de keuken en stommelde de trap af. Hij zag Molly in de keuken staan, die aan het aanrecht stond te fluiten. Alleen deze keer nou zonder geluid? Dichterbij gekomen zag hij; dat ze weliswaar leek te fluiten, alleen zonder dat typerende geluid te maken. Ze was meer feitelijk aan het blazen. Hoewel ze duidelijk haar lippen aan het tuiten was, zoals men doet om een deuntje te gaan fluiten. Toen zag hij hoe Molly zonder fluitgeluid enorme ballonnen van kauwgom aan het produceren was. Eenmaal op hoogspanning gefloten (of was het nou geblazen?), beet ze de rest van de kauwgom in haar mond af en een grote kleurig rode bal van kauwgom maakte zich los van haar lippen. Zo zag Lonnie al drie enorme kauwgomballen zachtjes door de keuken zweven. De grootste kwam tegen de geiser aan en klapte door de hitte van het waakvlammetje. Maar in plaats van een knal, ontsnapte er het gefluit uit; waar hij wakker van was geworden.
“Ook goeiemorrege Molly. Wat ben jij vrolijk en wat is dat met die ballen?”
“Mooi zo toch? Ik heb een gave Lon. Ik zie overal kauwgom op straat en kan precies nakauwen van welk merk. Maar dat is nog niet alles. Ik kan mijn kauwgom laten fluiten!”
Op dat moment zweefde een ballon tegen de gloeilamp aan het plafond en een schrille fluittoon kwam van boven.
“Je bedoelt dat dit kauwgom is van die geplette rondjes op straat?”
“Ja Lon. Ik ben er zo enthousiast over, dat ik alle appeltaart al heb weggegooid! Ik ben genezen Lon! Ik kan weer een zonnetje zien!”
“Laten we dan meteen de proef op de som nemen schat”, en Lonnie dook op Molly, die hij tegen het aanrecht aandrukte. Hij trok haar broek omlaag maar bleef plakken. Bij nader inzien ontdekte hij wel zeker tachtig kleine kauwgomballetjes die Molly keurig op haar riem had geplakt als ware het munitie. Het deed hem denken aan westerns en hij kierde; “hier komt ie Molly, the long Lon ranger!”
Molly had dan wel weer een doel gevonden, genezen was ze natuurlijk nog lang niet. Ze liet Lonnie zijn shootout doen en bleef gedurende zijn gehele gunfight stoïcijns kauwen en dacht; “mmm … ja! Spearmint van Wrigley’s!”
Tijdens zijn laatste loodje echter, kreeg ze wel even moeite om de perfecte bel te blazen. Maar dat duurde gelukkig maar heel even.

 

 

“Wat zeg je nou Rinus!”, sprak Hollestelle enigszins vermanend.
“Hoe het met m’n fiets is Chef”, bleef Rinus de in diepe slaap geslipte de Raaf ernstig aankijken.
“Ik denk wat de commissaris bedoelt Rinus”; zei Jack, “is dat de Raaf nog herstellende is van een zeer zwaar ongeluk. Ook al zou hij willen antwoorden, hij kan het gewoonweg niet.”
“Excuus Chef. U en Jack hebben gelijk. Maar het is wel mijn fiets.”
“Natuurlijk Rinus, dat weten we. Maar zouden we ons niet beter bezig kunnen houden met de informatie die hij wel met ons heeft kunnen delen?”
“Schoolbord Chef. We hebben het schoolbord nodig!”
Toen de dokter op visite was geweest, besloten de mannen terug naar het bureau te gaan. De Raaf zou voor nu in kunstmatige coma gehouden worden, opdat zijn herstel zo pijnloos mogelijk zou kunnen verlopen. Een paar dagen zeker, had de dokter gezegd. En in de middag liepen ze het bureau binnen.
“Koffie Jack?”
Al snel verbaasde Jack zich over de uitzonderlijke kwaliteit van deze koffie en kon een glimlach niet onderdrukken door deze ongekende smaaksensatie. Nadat ze wat bij hadden gepraat, werd het tijd om het onderzoek te gaan starten en Rinus pakte een krijtje. Hij ging voor het schoolbord staan en wilde beginnen, toen Jack zijn indruk over het contrast van dat hagelwitte krijtje tegen dat donkerste zwart niet kon onderdrukken.
“Wat is dat bord zwart zeg. Zo zwart heb ik dat bij ons nog nooit gezien.”
“Het geheim is iedere dag net na achten het bord met schoon water en dito spons af te nemen Jack.”
“Klopt wat Rinus zegt Jack. Rinus is daar heel nauwkeurig in.”
Rinus schreef in sierlijke letters, die van het bord af leken te springen; 1. de Raaf was bijna dood!
“Ik overdrijf hier toch niet mee Chef?”
“Zeker niet Rinus!”
Jack maakte een notitie over hoe je het beste een gedegen onderzoek kon beginnen. Hij was onder de indruk, hoe duidelijk het werd door dit met wit krijt puntsgewijs op te schrijven op een donkerzwart schoolbord.
“De Raaf zei dat ie bijna dood was, maar dat ie kon vluchten”, vulde Jack aan en even later keken de mannen naar het bord en lieten de punten op zich inwerken.

1. de Raaf was bijna dood!
2. Dalisha is duivelsgebroed
3. meneer de Dominee uit Yerseke

4. de Raaf moest vluchten
5. waar is mijn fiets? (ik bedoel mijn dienstfiets)
6. Peerke vermist

Hollestelle sprak als eerste vragend zijn voorzichtig ontstaan intuïtief vermoeden uit; “zou dit in verband kunnen staan met die arme Johanna, die we uit de Zak hebben gevist?”
Jack werd bijgepraat over de vondst in het schier ondoordringbare deel van het eiland en ook hij vond deze samenloop wel heel erg toevallig.
Rinus voegde punt 7 erbij; oud lijk uit de Zak.
“Rinus!”, zei Hollestelle vermanend, “dat oude lijk heeft een naam!”
“Natuurlijk Chef”, waarop na de wisser gehanteerd te hebben, hij schreef;
7. Johanna de Visser dood gevonden in de Zak (lijk was helemaal nog niet oud).

Na het laatste punt nam Rinus afstand van het bord en ging weer naast de mannen aan het bureau zitten. Zijn aandacht bleef maar willekeuring bij punt 2 hangen.
“Die Dalisha Chef. Ik heb daar een naar gevoel over.”
“Hoe bedoel je Rinus?”
“Kijk, de Raaf is helemaal niet gelovig. Tenminste niet zoals U en ik toch?”
“Ja? Wat is dan je punt?”
“Dat zijn toch geen woorden voor de Raaf zoals wij hem kennen?”
“Natuurlijk Rinus! De Raaf zou ‘dat’ woord inderdaad nooit in zijn mond nemen!”
“Tenzij”, fluisterde Jack welhaast van ingehouden spanning, “de Raaf te maken kreeg met onverklaarbare zaken …”
Die opmerking sloeg in als een bom en hun gedachten gingen terug naar hun tijd in New York. De laatste keer, dat ze met ‘duivelsgebroed’ te maken hadden gehad, was daar. Jack stelde zichzelf gerust, door te denken aan thuis. Satan Island had gelukkig weer het vredige Staten Island kunnen worden, dankzij de agenten uit Serooskerke. Ze hadden het er weliswaar over gehad natuurlijk. Maar eigenlijk wilde niemand het meer echt hebben over de onderliggende oorzaak en het verschrikkelijke gevolg van die periode. Simpelweg omdat dat niet te bevatten viel.
Rinus zijn mond viel langzaam open en zei: “ik denk dat we verse koffie nodig hebben.”

Bij het tweede bekertje begonnen ze voorzichtig aan het idee van Jack te wennen. Hoe meer slokjes ze namen, des te overtuigender  leek de stelling van Jack over te komen. Rinus stond op en tekende een fraaie accolade, waarmee hij alle punten verbond met de ontdekte hoofdlijn.
“Ik vind het een walgelijke gedachte Chef”, durfde hij nog niks op het bord te zetten. Zo lang het niet op het bord zou staan, was het niet echt voor hem.
“Ik ook Rinus, maar we moeten ons gedragen als echte agenten. Walcheren heeft ons nodig alsook Zuid-Beveland. En ik ben het met je eens dat dit geen toeval meer lijkt”, en de commissaris keek naar Jack. “De komst van Jack, hoe blij we ook hier allemaal van zijn. Was dat geen teken aan de wand?”
“U bedoelt commissaris; dat ‘iets’ mij hier naar toe heeft gebracht?”
“Chef zegt alleen maar Jack, dat de laatste keer we ook op een eiland zaten. En niet op zo maar een eiland, maar een zeer dierbaar eiland; die jou net zo aan het hart ligt als Walcheren en Zuid-Beveland aan het onze. Jouw geliefde Staten Island was bijna voor eeuwig Satan Island geworden en …. ik durf hier niet aan te denken Chef!”
“Schrijf het nou maar op Rinus. We kunnen het maar gehad hebben.”
En Rinus noteerde met pijn in zijn hart achter de accolade; Walgelijk Bevenland?
Verslagen door die twee woorden ging Rinus weer zitten en vroeg met een hulpeloze blik: “wat nu Chef?”
“Nu Rinus, nu moeten we naar meneer de Dominee gaan. Ik wil weten, hoe hij aan die waarzegster is gekomen. Ik wil alles weten wat hij over haar weet, voordat we mevrouw van Warengem zelf aan de tand gaan voelen.”
“Ik wil geen spelbreker zijn heren. Maar zijn we daar wel tegen opgewassen?”
“Eerlijk gezegd weet ik dat niet Jack. Maar ik weiger dergelijke dingen maar gewoon op z’n beloop te laten.”
“Mag ik iets voorstellen?”
“Maar natuurlijk Jack.”
“Billy. We zouden Billy kunnen contacten. Als er iemand is, die van deze zaken het meest afweet, is het Billy wel.”
“Ja Chef! Billy! Natuurlijk! Dat we niet eerder aan hem gedacht hebben, dank je Jack.”
Het vooruitzicht op mogelijke hulp van Billy gaf de agenten weer nieuwe moed en Rinus pakte meteen de telefoon en belde naar Yorkshire.


“Met Billy’s en Bes’ Welnessfarm”, klonk de vriendelijke stem van Bes door de telefoon.
“Hallo Bes. Je spreekt met Rinus, uit Serooskerke?”
“Oh Rinus! Wat leuk je stem te horen, hoe is het?”
Rinus wist even niet de waarheid te zeggen en Hollestelle zei gemaakt vrolijk tegen het speakertje op het bureau: “het gaat goed met ons Bes. Hoe gaat het met jullie?”
“Ah commissaris! Het gaat uitstekend met ons. Wacht even, ik zie Billy net voorbij komen. Hier is ie hoor, hij zal zo blij zijn.”
“Met Billy. Met wie heb ik het genoegen?”
De mannen gilden door mekaar heen groeten naar Billy en Billy riep enthousiast terug; wat leuk het was ze allemaal weer eens te horen. Hij vertelde ze over dat de zaken erg goed gingen en hij eindelijk zijn innerlijke rust had gevonden in Yorkshire.
“Maar waarom bellen we? Ik hoor dat Jack bij jullie is. Ik zou de ferry kunnen nemen, tenminste kan ik er even uit Bes?”
Bes zei dat dat prima kon en enthousiast liepen ze het vaarschema erop na. Billy zou de nachtboot nog kunnen halen en dan morgenochtend vroeg al in Vlissingen kunnen zijn.
“Wat dachten jullie daarvan?”
“Wij staan je op de kade op te wachten hoor Billy!”, en vrolijk werd het internationale gesprek beëindigd.
“Nou, hij’s morgen hier.”
“Hadden we hem niet de waarheid moeten zeggen Chef?”
“Eigenlijk wel en ik heb daar ook best wel moeite mee.”
“Natuurlijk is de waarheid altijd het beste”, zei Jack, “maar denken jullie dat ie zou komen; als ie wist wat wij vrezen?”
“Dat denk ik niet. Potdomme, nou voel ik me er nog vervelender onder.”
“Heren, het gaat wel om jullie eiland toch?”
“Jack heeft gelijk Chef. En als we het hem persoonlijk uitleggen, waarom we het zo hebben gespeeld, zal Billy dat vast kunnen begrijpen.”
“Okay”, sprak Hollestelle opgelucht, “zulke dingen kan je inderdaad niet telefonisch afdoen. Morgen komt Billy, dus denk ik dat we vervoer moeten gaan regelen.”
“We hebben the Raven toch Chef?”
“Je weet net zo goed als ik Rinus; dat als een onderzoek eenmaal gaande is, we meerdere vervoersmiddelen tot onze beschikking moeten hebben.”
“Natuurlijk Chef. We zouden eens aan Kievit kunnen vragen of ie nog wat fietsen kan missen?”
“Dat doen we. Kunnen we meteen wat eten in het café er tegenover.”
De mannen liepen het bureau uit en stonden even later voor een dicht rolluik. Er werd gegild, dat ie niet van plan was open te doen en dat ze maar weg moesten gaan.
“Ik heb voorlopig geen tijd. Ik ben heel druk bezig!”
“Kievit!”, bulderde Hollestelle tegen het rolluik, “doe open! Politie! Wij zijn hier voor politiezaken!”


Langzaam ging het rolluik piepend open en Jack verbaasde zich over die blote en best wel smerige voeten, die ze als eerste te zien kregen.
“Jack, dit is kievit. Kievit, dit is Jack”, stelde Hollestelle de mannen aan elkaar voor. “Zeg heb jij …”
“NEEEEEEEEEE!!!”, gilde Rinus hartverscheurend en duwde zeer ongebruikelijk zijn Chef opzij en rende naar binnen. In het midden van de werkplaats viel hij op zijn knieën en strekte zijn handen voorzichtig en teder uit naar zijn fiets, die daar enorm in de kreukels lag te liggen. Hij begon te huilen en tranen vielen op de verwrongen voorvork.
“Wat hebben ze met je gedaan? Oh jonge toch, wat zie je er uit.”
“Euh commissaris?”, fluisterde Jack zachtjes; “gaat alles wel goed met Rinus? ’t Is toch maar een fiets?”
Hollestelle fluisterde terug, dat dit niet zomaar een fiets was en zelfs Kievit fluisterde; “de fiets en Rinus zijn heel erg speciaal.Er is niemand op deze hele wereld die zo op zijn fiets kan rijden als Rinus.”
“NEEEEEEEEE!!!”, krijste Rinus weer, maar nu anders. Hij stond op en wendde zich tot Kievit; “WIE? WIE KIEVIT! WIE IS HIER VERANTWOORDELIJK VOOR?!”
Hollestelle sprong tussen Kievit en zijn adjudant in. Zo had hij Rinus nog niet eerder meegemaakt.
“Kievit heeft dit niet gedaan Rinus. Toe man, verman je!”
Maar Rinus luisterde niet meer. Hij was verblind door pure nijd en hele erge woede. Ware het niet ook voor Jack, dan had hij Kievit hebben kunnen aanvliegen. Terwijl Jack Rinus mede tegenhield, haalde Hollestelle uit met vlakke hand en sloeg Rinus hard in het gelaat, tot driemaal toe.
Rinus bleef daarna staan, keek zijn Chef huilend aan en viel slap in de armen van Hollestelle die hem opving en berustend sprak; “we zullen de dader krijgen Rinus, we zullen de dader krijgen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *