Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk XVIII: Sprongetje in Status Quo

Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk XVIII: Sprongetje in Status Quo

Hoofdstuk XVIII     Sprongetje in Status Quo

 

Een sprongetje in de tijd was onvermijdelijk.
Zo had Rob niets anders kunnen doen; dan op ministerieel niveau de ontwikkelingen op het eiland aan te kaarten. Het kabinet, hoewel demissionair, was ondanks het reces bijeengekomen in de tuin van de formateur om de situatie te bespreken. De uitkomst echter zou ook missionair dezelfde zijn geweest. En dus had de overheid in al haar wijsheid besloten de zaak te negeren. Sjaak was woedend geweest en had door de mobilofoon gegild zelfs; dat dit niet vanzelf zou verdwijnen. Toch had Rob niets anders kunnen doen, dan de bulldozers terug te roepen. Sjaak werd aangesteld om de boel te monitoren, want dat wilde men dan nog wel doen. En zo stond Sjaak iedere dag van de week wanhopig vertwijfeld gaten in de dam te graven, vergeefs op zoek naar een nog werkend lijntje.
De mannen in Serooskerke bleven zich vertwijfeld afvragen, wat te doen. Vele pogingen om zich door de knikkers te werken, strandden hopeloos. De Raaf had toen boos het initiatief genomen. Hij liet in puur protest zijn baard staan en beloofde deze plechtig slechts af te scheren, als de slagerij weer gewoon open kon. Uit solidariteit lieten de anderen nou ook hun baard staan. Ondanks intensief dagelijks overleg kwamen ze echter maar geen stap verder.
In Yerseke was de mega kerk af. Dalisha liep er trots omheen met een iets opgezet buikje. Ze was drie maanden zwanger en dit kind in haar garandeerde haar kwade toekomst. Molly had het bakken van lommeletjes met elastieke eieren volledig onder de knie gekregen. Ze vond het alleen wel vreemd; dat Lonnie wel heel vaak bij Dalisha moest werken. Maar dat er zo eentje tenminste de kost verdiende, maakte veel goed.

Voor de zoveelste keer ging Rinus op de trappers staan en schoot vooruit de Zeedijk op. Eenmaal boven verloor hij rap aan snelheid en leek het wel of hij op een rolband aan het fietsen was. De knikkers lieten zich niet kisten en ook deze serieuze poging moest hij teleurgesteld afbreken. Hij liet zich het talud afrijden door de zwaartekracht en beneden stapte hij af en zei: “weer niks Chef. Het lijkt onmogelijk.”
“Wel verdomme!”, liet de Raaf zich nu gelukkig weer zonder krukken boos ontvallen. Hij kneep zijn lege bekertje krakend fijn en smeet deze met alle macht zo ver mogelijk van zich af. Een briesje ving het verfrommeld stukje plastic en het begon pas te dalen, toen het boven de Zeedijk was gekomen. Alsof ze naar een zelf gevouwen zweefvliegtuigje keken op het schoolplein, werden de mannen onbewust toch geïntrigeerd door dit staaltje in de aerodynamica, of plasticje eigenlijk.
“Krijg nou wat!”, viel het Hollestelle als enige op. “Zagen jullie dat?”
“Wat bedoel je Kamiel?”
“Heeft er iemand nog een bekertje?”
Maar alleen de Raaf was met een bekertje naar buiten gekomen. Terwijl de commissaris de dijk begon op te lopen, zei hij tegen Rinus; “haal een bekertje!”
Even later stonden ze tegen de rand van de knikkers aan en keken naar het weggesmeten bekertje van de Raaf.
“Het lijkt wel of …”, hield Billy nu zijn adem in.
“… die knikkers zijn verschoven”, vulde Jack hem aan.
Rinus gaf het bekertje aan Hollestelle, die deze begon te verfrommelen. Daarna smeet hij het zo hard mogelijk naar de knikkers.
“Niks! Verdomme!”, zei de Raaf weer helemaal boos op die knikkers. “Ik heb het toch zo gehad met die knikkers!”
Even hadden ze een sprankje hoop, maar deze bleek weer snel vervlogen.
“Misschien moet het de Raaf zijn Chef!”, zei Rinus zich herpakkend. Hij gaf een bekertje aan de Raaf. Met een krachtterm gooide de Raaf nu een tweede bekertje bloed link van zich af. Een klein briesje liet het verfrommeld stukje plastic een paar meter voorbij die van Hollestelle landen. En toen weer helemaal niks.
De Raaf hief beide handen in de lucht en gilde woedend: “rotknikkers!”

Of het door zwangerschap kwam, was echt niet zo. Want deze steek in haar onderbuik was veel feller dan ze gewoon was. Dalisha haastte zich naar het altaar in de enorme kerk. Daar schoof ze de zware leisteen opzij, tot ze de bol kon zien en die gloeide nog een beetje na. Snel legde ze beide handen erop en liet haar ogen wegrollen.
“De knikkers!”, zei ze een beetje van slag en rende daarna naar de deur, die leidde naar haar nieuwe verblijf achterin de kerk. Ze ging aan de grote tafel met kaart van het eiland zitten en begon zich af te vragen; hoe ze die laatste witte plek op de kaart ingekleurd kon krijgen. Want niets mocht haar toekomst nog in de weg komen te staan. Nadat ze in de bol had gezien; hoe de bulldozers waren afgedropen, had ze eigenlijk geeneens meer aan Serooskerke gedacht. Het bouwen van de kerk had al haar aandacht opgeëist en die was dan ook buitengewoon indrukwekkend geworden. Het gehele eiland zat er regelmatig voor de nachtmis. Deze werd nu nog onregelmatig gehouden. Maar weldra zou deze minimaal om de ene dag moeten gaan plaats vinden. Tevreden dacht Dalisha aan de laatste mis. Ondanks dat het hele eiland aanwezig was, waren de achterste banken nog leeg. Nu begon ze zich te concentreren op dat laatste witte plekje op de kaart, dat nog roet in het eten zou kunnen gooien. Ze lachte vals. Want hoe verontrust die steek ook voelde. De kans dat, dat roet echt zou worden gegooid; was hoe dan ook uitermate klein. Net niet verwaarloosbaar, maar het was slechts een enkel steekje geweest. Een toevalstreffer, zo stelde ze zichzelf gerust en probeerde desondanks toch het laatste stukje in te kleuren. Maar hoe ze de rode stiften ook wreef, Serooskerke weigerde zich in te laten kleuren. En toch wilde ze hoe dan ook; dat de achterste banken bezet zouden worden. Ze brak een nieuwe verpakking rode stiften open en begon de ene na de andere stift leeg te stiften.
Op de lange uitgestrekte en verlaten dam had Sjaak zijn PTT-tentje op weer net een andere plek neergezet. Het regende zachtjes op het zeil, toen hij de schop eindelijk weer in de zware klei kon trappen. Zoals iedere ochtend was hij eerst een paar uur bezig geweest om het dikke asfalt met een pikhouweel weg te slaan. Daarna stuitte hij op die dikke laag beton.
De eerste dagen moest hij zijn handen om het kwartier gaan weken in het zoute water aan de zeekant. Inmiddels waren zijn palmen dermate vereelt, dat hij nu uren lang kon doorwerken. En eenmaal gewikkeld in doeken, kon hij nu op een ochtend zowel het asfalt als het beton weg pikken. Ook nu vond hij weer een meeraderige kabel en legde deze met zijn handen verder vrij en knipte de kabel door. Bij het strippen echter, verpulverde iedere kern weer als ware het as. Een geelwit gestreepte ader pakte hij nu beet en zijn ogen lichtten op. Deze voelde nog stevig aan en hij durfde bijna niet te kijken, toen hij deze met een stanleymesje begon te strippen. Het koper blonk! Snel pakte hij de veldtelefoon die hij met één draad aansloot op het gehoopte koper. De andere draad zette hij vast met ducktape op een stuk bloot geslagen bewapening, dat door de betonnen laag liep en draaide heel hard aan de hendel.


“Chef! Telefoon!”, gilde Rinus en de mannen haastten zich weer het bureau in. Het was alsof ze voor het eerst sinds lange tijd weer vers water proefden, toen ze de kraakheldere stem van Sjaak door het kleine speakertje hoorden komen.
“Sjaak!”, gilden de mannen nu door elkaar heen; enthousiast door dit onverwachte contact met de buitenwereld. Hun enthousiasme werd snel getemperd door Sjaak, die een update gaf over de laatste stand van zaken.
“Dus ze gaan niks meer doen?!”, brieste de Raaf weer boos geworden om zo een lakse houding van de overheid.
“Eigenlijk kunnen ze ook niks meer doen”, verzuchtte Sjaak en ging nu pas zitten in de vochtige klei.
“Nee”, brieste de Raaf verder, “deze figuren willen niet, omdat ze het niet kunnen!”
“Wij hebben wel echt van alles geprobeerd de Raaf. De bulldozers kwamen simpelweg geen steek verder. En kennelijk vormen die knikkers ook een soort van magnetische koepel, want we zijn drie helikopters verloren bij de laatste poging. Maar ze zijn wel bezig voor een monument.”
“Een monument?!”
“Ja”, zuchtte Sjaak weer zo gefrustreerd als hij als boodschapper van deze nare dingen maar zijn kon.
“Dank je Sjaak”, zei Hollestelle, die als enige vrijwel direct begreep; hoe moeilijk dit voor Sjaak wel niet moest zijn. Hierop begon zelfs de Raaf in te binden en betuigde ook zijn dank aan Sjaak. Want ondanks al was het wel alleen Sjaak geweest, die voor hun was blijven doorgraven.
“Ik hoop alleen maar dat deze verbinding het wat langer houdt mannen.”
“Anders ik wel”, zei Billy en informeerde naar hoe de mensen buiten nu tegen hun aankeken.
“Jullie zijn wekenlang op het nieuws geweest. Alle zaken zijn chronologisch in documentairevorm voorbijgekomen en men had hoop, dat het jullie deze keer ook wel zou lukken. Maar na verloop van tijd ebde de belangstelling weg. En nu? Tja, de gewone nutteloze zaken. En oh ja; een paar dagen geleden hebben ze officieel een wetsvoorstel ingediend om de status van het eiland tot Status Quo te krijgen.”
“Wat? Ons eiland wordt bij wet status quo?”
Sjaak knikte slechts en durfde dit geeneens meer bevestigend uit te spreken.
“En wat maakt dat ons dan?”, vroeg Rinus zich hardop af.
“Statushouders!”, gilde de Raaf weer buiten zinnen in te snel hervonden boosheid.
Sjaak kromp bijna ineen. De Raaf had gewoon gelijk. Het eiland werd aan het lot overgelaten. Doch om dit niet zo opzichtig te doen, moest het in een wollig en juridisch jasje worden gegoten.
Sjaak kon een traan niet bedwingen en zei met haperende stem, dat hij niet opgaf en vroeg hoe het met hun ging. De mannen vertelden van hun baard en Sjaak beloofde meteen deze ook te gaan laten staan. Over hun vele vruchteloze pogingen om de knikkers te slechten. En dat ze eigenlijk nu wel aan het einde van hun Latijn waren gekomen.
“Even hadden we nog een beetje hoop Sjaak”, zei Hollestelle en vertelde van het bekertje van de Raaf.
“Maar het moet een soort van fata morgana zijn geweest. We willen zo graag, dat we dus het idee kregen dat; dat bekertje iets tegen die knikkers kon doen. We hebben nog twee bekertjes identiek gegooid, maar niks Sjaak. Die knikkers weten van geen wijken.”
Sjaak stak zijn hoofd uit het tentje en keek naar de knikkers op de dam.
“Dus het bekertje leek de knikkers te verplaatsen? Als ik hier nou naar buiten kijk, dan zie ik een kaarsrechte lijn aan knikkers met nergens een instulping. En als dat bekertje van de Raaf niet tegen een kaarsrechte knikkerrand aanligt, dan zou ik toch niet alle hoop laten varen. Weten jullie wel zeker, dat jullie het juiste bekertje hebben gebruikt?”
“Daar zegt Sjaak me wat Chef! Want dat bekertje van de Raaf, leek toch echt een kleine instulping te hebben veroorzaakt.”
“Zeker is; dat de knikkerrand duidelijk om het bekertje heen liep!”, zei Billy nu. “Ik zie het nog zo voor me liggen en de rand liep daar dus niet kaarsrecht!”
“Rinus! Weet je wel zeker, dat je het juiste bekertje hebt gebruikt?”
“We hebben alleen maar deze Chef”, en Rinus liep naar de deur van het nagazijn en wees daar op een opengebroken doos.
“Maar die heb ik helemaal niet gegooid”, zei de Raaf, “de mijne was gebruikt!”
“Wat?! Je bedoelt dat er nog wat koffie in zat?”
“Geen idee, maar ik heb echt geen nieuw bekertje verfrommeld en weggegooid”, zei de Raaf ietwat geïrriteerd. “Dat doe je gewoon niet.”
“Sjaak, we gaan nieuwe poging doen! Tot zo!”

Dalisha zag Lonnie binnenkomen en gebaarde dat hij moest knielen. Zover had ze haar volgelingen nu. Lonnie knielde voor haar en wreef zachtjes respectvol over haar buik. Hij voelde twee harde schoppen en Dalisha lachte gelukzalig.
“Voelde je dat? Hij schopte!”
“Hij?”
“Ja, natuurlijk! En ga nu aan het werk”, commandeerde ze hem.
Lonnie ging zitten aan een kleine tafel en begon zijn foto’s van de mega kerk te bewerken. Zo was hij al dagen druk bezig met het in elkaar copy-pasten van een glossy folder over de kerk. Toen hij een foto van het altaar sleepte, voelde hij nog steeds dat ding schoppen. Hij had ondanks zijn inborst moeite met de idee; dat hij de vader van dat ding was. Want ondanks al, weigerde hij steevast die bokkenpoten te dragen. Hoewel zijn zoon deze duidelijk al bij geboorte aan zou hebben, hij had ze namelijk nog net mogen voelen. Dalisha had hem in haar macht. Na de conceptie had ze hem als oud vuil behandeld en even had hij geprotesteerd. De verschijning die Dalisha toen voor zijn ogen werd, was dermate angstaanjagend geweest; dat hij het daarna wel had gelaten.
Doch medelijden was hier niet van toepassing. Na een paar weken al, begon hij hevig te verlangen naar Dalisha. Niet vanwege onbewust dwingende krachten, maar gewoon omdat ie zo nou eenmaal was. Ondanks dat ze hem gebruikt had, kon hij alleen nog maar aan haar denken als hij met Molly was. Hij had van alles geprobeerd. Zo had hij Molly genomen in het nieuwe kippenhok met veiligheidshelm en al op. Hij had haar benen omhoog gezwiept. Maar ondanks zijn verwoede pogingen wist ze niet die helm van zijn kop te trappen. Molly had slechts gekreund van de pijn, want zo lenig was ze al jaren niet meer.
“Aaaauw!”, gilde Dalisha onverwacht en Lonnie vroeg, of hij weer schopte.
“De knikkers! Iemand zit aan de knikkers!”

Rinus gaf iedereen een vers bekertje koffie uit de automaat en ze liepen deze in evenwicht houdend naar buiten. Hoopvol begonnen ze de Zeedijk op te lopen en keken daar naar de oneindigheid aan knikkers.
“Wie gaat als eerste?”
“Als het werkelijk de koffie van Rinus is, dan moeten we niet zomaar met bekertjes gaan gooien. Ik bedoel; zoveel bekertjes hebben we niet op voorraad om helemaal tot Yerseke te geraken.”
“Hoe gaan we het dan doen Chef?”
En terwijl ze stonden te discussiëren; hoe de koffie het beste aan te wenden, was het de Raaf die een slokje nam en de overheerlijke koffie bijna tegen zijn zin in uitspuugde op de knikkers. Nog voordat ze nat konden worden, rolden vele knikkers opzij en de Raaf begon hard te lachen en gilde: “die krengen kunnen niet tegen de koffie van Rinus!”
Ze keken verbaasd naar de geweken knikkers en de Raaf spuugde nog een keertje. Ze zagen hoe de knikkers weer uiteen weken en de Raaf brutaal een knikker wegschopte en wel drie stappen vooruit nam!
Ook de anderen begonnen nu lachend te spugen naar de knikkers en liepen een paar passen vooruit.
“Het werkt! Mijn koffie werkt Chef!”, en Rinus sprong van pure vreugde een sprongetje, ondanks de uitgesproken status quo.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *