Waargezegde Moord in ’s Gravepolder Hoofdstuk VIII: Oorijzers voor healing

Waargezegde Moord in ’s Gravepolder Hoofdstuk VIII: Oorijzers voor healing

Hoofdstuk VIII     Oorijzers voor healing

 

 

Molly schrok van de enorme rij voor de voordeur van Dalisha. Ze sloot achteraan de lange zwijgzame rij, van terneergeslagen ogende mensen, dat voetje voor voetje richting de voordeur aan het schuifelen was. Binnen zat Dalisha in haar favoriete healingpositie midden op de woonkamertafel in kleermakerszit met de glazen bol tussen haar benen naast een paar kratjes met Spa-blauw. Ze wenkte haar volgende cliënt uit Yerseke. Schuchter kwam hij naderbij en ze gebaarde naar de bol. De man bukte zich, kuste de bol en zei: “ik zweer eeuwig trouw aan de bol.” Daarna pakte Dalisha een fles met Spa-blauw en sprenkelde een paar druppels op het hoofd van de man, als ware het een soort van doop. Hierna verliet de man via de keuken het pand en wenkte ze de volgende naar binnen.
Voor Molly werd uiteindelijk meneer de Dominee naar binnen gewenkt, die zichtbaar moeite moest doen om zich te bukken naar de bol.
“Nee, ik kan dit niet , de Here zou …”, mompelde hij angstig, toen Dalisha haar ogen naar achteren begon te rollen. Meneer de Dominee schrok van haar koolzwarte blik en kon niets anders doen, dan zijn lippen toch op de bol te zetten. Op het moment dat hij de bol kuste, begon deze vervaarlijk op te gloeien. Daar schrok Dalisha van, dit had ze niet zien aankomen. Meneer de Dominee was onwetend van zijn eigen invloed op de bol. Want hij hield zijn ogen stijf dicht en mompelde: “ik zweer eeuwig trouw aan de bol.”
De bol begon nu zo heviger te gloeien, dat Dalisha een volle fles Spa net op tijd over meneer de Dominee kieperde. Verward en nat sloeg meneer de Dominee zijn blik op. Had hij nou wat in die bol gezien? Toen kwam de volgende plens over hem heen en hij verliet abrupt via de keuken het pand.

“Hoi Dalisha”, zei Molly aan de drempel.
“Hoi Molly, sorrie dat ik uitliep. Ik had het erg druk vandaag. Maar kom”, zei ze terwijl ze van tafel klom, “ga lekker zitten. Hoe gaat het met je?”
“Ik durf het bijna niet te zeggen, maar best wel goed. Ik kan kauwgom zien oplichten en hele grote ballen blazen!”
“Zie je wel, dat jij ook een gave hebt Molly! Wat goed van je! Je bent op de weg naar volledig voor jezelf kiezen. En dat heb je helemaal zelf gedaan.”
“Ik kan ze ook laten fluiten!”
“Wat geweldig Molly!”, zei Dalisha enthousiast, waarna ze plotseling monotoon en lijzig begon te praten.
“Luister naar mijn stem in je hoofd Molly. Luister wat ik je zeg. Ga naar huis en luister naar je mannetje. Ik heb hem duidelijke instructies gegeven; om de laatste fase van je genezingsproces in te gaan. Daar ben je gewoon aan toe, want jij mag weer ‘jij’ worden! En luister nu heel goed wat ik je nou zeg. Als je het stemmetje van mij in je hoofd hoort zeggen; ‘FLUIT!’, ga dan naar de meest open ruimte die je kan vinden. Denk aan het strand. En blaas daar de allergrootste kauwgombal ter wereld!  Niet in de bebouwde kom! Op het strand! Ga nu naar je mannetje en verzamel ondertussen alle kauwgom, die je kan zien oplichten.”
Molly zat haar hol aan te kijken, toen Dalisha op haar horloge keek en weer enthousiast riep: “is het al zo laat?”
Molly schrok op en verbaasde zich erover; dat haar sessie nu al voorbij was. Maar ze voelde zich weer een stukje hoopvoller, rekende af en ging al kauwgom schrapende op huis aan.

Na een kwartier hevig schokkend snikken keek Rinus zijn Chef aan, die hem nog immer stevig vasthield en vroeg: “belooft U dat Chef?”
“Natuurlijk beloof ik dat we de dader zullen vinden Rinus. Dit mag niet onbestraft blijven. Dus ja Rinus, dat beloof ik je!”
“En ik beloof je”, zei Kievit, “dat ik er alles aan zal doen, om je fiets weer op te lappen. Maar dat zal heel erg moeilijk worden, zeg ik er meteen bij.”
“Rinus ging weer op eigen benen staan en zei tot Kievit; “kan je mijn fiets nog maken dan?”
“Het is heel erg moeilijk maar niet helemaal onmogelijk.”
“Oh Kievit!”, klaarde Rinus weer op. “Als dat toch eens zou kunnen!”
“Het zou kunnen denk ik, maar dan heb ik wel twee dingen nodig.”
“Zeg het me Kievit, zeg het me!”
“Ik heb kleppen nodig van oude klederdracht, van die koperen ploerten op het hoofd gedragen. Bevelandse kleppen dus.”
“Kleppen? Ploerten?”
“Hij bedoelt oorijzers Rinus. Maar dat is toch niet zo’n probleem Kievit?”
“Het moeten oorijzers zijn, die recentelijk nog zijn gedragen.”
“Maar”, zei Rinus nu, “wie draagt die dingen nog?”
“Ik zelf heb ze al tijden niet gezien.”
“Nou”, krabde Hollestelle zich achter het oor, “dat zal in het geheel niet makkelijk worden. En wat is dat tweede ding?”
“Kolen”, zei Kievit, “kolen geleverd door een echte kolenman.”
“Maar die bestaan al tijden niet meer?”, verwoordde Jack ieders gedacht.
“Ik heb toch gezegd, dat het best wel heel moeilijk zou worden?”

“Wat doe je Lon?’, vroeg Molly achter zijn rug. Ze was net binnen en had haar oogst in een volle boodschappentas van de Spar in de gang gezet. Lonnie zat achter zijn computerscherm en zei: “ik heb een verhaaltje geschreven voor je Mol. Hier, ga zitten en lees het eens”, en hij trok een stoel erbij. Molly ging zitten en keek naar het scherm, dat nog scheef van haar af stond. Lonnie zei: “dit verhaaltje heb ik van Dalisha moeten schrijven voor jou, mijn meissie. Bedenk wel meid, dat de waarheid hard kan zijn. Maar dat heb je ook nodig wil je echt kunnen herstellen. Dus ben je er klaar voor?”
Molly knikt bevestigend en Lonnie draaide het scherm naar haar toe. Molly begon aandachtig te lezen en gaandeweg gingen haar ogen steeds wijder staan. Tegen het einde viel haar mond open. Ze kon nog net op tijd haar kin ondersteunen; want niemand, zelfs Lonnie niet, mocht zien dat ze eruit konden. Toen ze het verhaaltje had gelezen, bibberde haar onderlip toen ze vroeg; “dat meisje uit dat vreselijke gezin Lon? Ben ik dat?”
“Ja meid, dat ben jij. Jij bent opgegroeid in dat vreselijk verschrikkelijk zieke gezin, waar hypocrisie en huichelarij jouw opvoeding hebben bepaald. En daarom Mol, daarom moet je die verschrikkelijke mensen loslaten. Want jij bent niet zo!”
“Dus zij!”, begon Molly plotsklaps te krijsen. “Dus zij hebben mij dit aangedaan! Wat een tyfus …”, en een waterval van schuttingtaal vloeide als een tsunami uit haar mond. Hoe meer ze zat te schelden, des te harder begon ze van alles te gillen; dat in het dorp zeker nooit en not done was.
“Rustig Molly, denk aan de buren.”
De buren?! De buren?! Godv…”, en ze werd zo enorm boos; dat ze met beide handen een hele lange neus vol met haat naar het scherm begon te maken. Zo had Lonnie zijn meissie niet eerder gezien. Haar aderen begonnen te pulseren in haar hals en ze begon helemaal rood te worden.
“Molly rustig nou, toe, doe rustig joh.”
Maar Molly luisterde niet meer. Ze zat zo vol haat, dat ze steeds harder die lange neus begon te drukken; dat ze er helemaal niet meer uit begon te zien. Zodanig dat Lonnie het een beetje gevaarlijk  begon te vinden.
“Dit gaat nie goed meid, dit gaat he-le-maal niet goed. Kom op ademhalen Mol, a-dem-ha-len.”
Maar Molly ademde niet meer en drukte nu zo hard haar lange neus, dat haar ogen nu uit haar kassen dreigden te poppen. Haar rode kop begon nu een gevaarlijk blauwe tint aan te nemen.
“Molly! Kappen nou! Ik ga je weer elke dag een rooie roos geven, maar alsjeblief hou op nou!”
Molly begon zwaar ronkend te hijgen en was niet meer voor rede vatbaar. Ze had nu een hele blauwe kop en Lonnie begon rook te ruiken. Hij had wel eens gehoord van spontane zelfontbranding en dacht dat het lariekoek was. Maar nou voelde hij intuïtief aan, dat hij hier zelf getuige van dreigde te gaan worden. Want die rook kwam toch echt van zijn Molly af!?
“Een villa! Ik koop een villa voor je! Met kippen!”, gilde hij wanhopig.
“Kippen?”, zei Molly plotsklaps weer redelijk gewoon, “zei je nou kippen?”
“Ja meid, een hele ren vol kippen krijg je!”, lachte hij opgelucht.
Molly kreeg weer een iets normalere kleur en zei toen een beetje boos: “heb je weer zitten blowen Lon?”, wijzende naar de rook.


De hele nacht hadden ze Kievit meegeholpen om de fiets te demonteren. Alle onderdelen hadden ze netjes op volgorde op een smetteloos wit laken op de werkbank geordend. Toen de zon weer opkwam, stonden ze net het smeersel van zich af te boenen.
“Jack, jij slaapt bij mij. Tenminste als je dat goed vindt. Ik heb een hele grote zolder met badgelegenheid en voldoende privacy. Tenzij je bij Rinus … ?”
“Hij mag bij mij Chef. Maar dan moeten we samen het bed delen. Praktischer is bij de Chef Jack.”
“Dank je”, glimlachte Jack en droogde zijn handen met een papierrol. Ze besloten nog even op het bureau een koffie te nemen, vooraleer ze een paar uurtjes zouden gaan slapen. Daar genoten ze van een lekker bekertje koffie en Hollestelle liep na een paar slokjes naar het schoolbord. Hij pakte een krijtje uit de goot en noteerde helemaal bovenaan; ‘Prioriteit krijgen de Oorijzers en de Kolen.’
Rinus voelde zich weer emotioneel worden en zei: “dank U Chef, dank U wel!”
“Thuis doen we weer in kolen”, bedacht Jack zich opeens dankzij de cafeïne. “Dus als de nood aan de man is, kan ik altijd daar informeren.”
“Goed om in ons achterhoofd te houden Jack. Maar wellicht dat we in België nog aan een echte kolenman kunnen geraken. Alleen die oorijzers, dat gaat het hete hangijzer worden vrees ik.”
De telefoon ging en Rinus pakte de hoorn op en zei even later verschrikt; “we komen er onmiddellijk aan!”
“Rinus! We zitten net aan de koffie!”, sprak Hollestelle vermanend.
“Het is Bill Chef, hij staat op de kaai in Vlissingen en vroeg zich af; waar we bleven?”
“Wel potverdikkie!”, en de mannen sprongen op van hun stoel en renden hoteldebotel het bureau uit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.