Waargezegde Moord in ’s Gravepolder Hoofdstuk X: De Vuurtoren van Hoek

Waargezegde Moord in ’s Gravepolder Hoofdstuk X: De Vuurtoren van Hoek

Hoofdstuk X     De Vuurtoren van Hoek

 

Billy had de zolder van Hollestelle gedeeld met Jack en beiden lagen zich samen wat wakker te babbelen, toen ze de voordeur beneden in het slot hoorden slaan. Billy stak snel zijn hoofd door het zolderraam en zag Hollestelle nog net het witte tuinhekje in hoogglans dichtdoen.
“Goedemorgen Kamiel, wat gaan we vroeg op pad?”
“Oh, goedemorgen Billy. Ja, ik neem m’n koffie altijd op het bureau. Maar blijven jullie nog maar lekker liggen. Dan zie ik jullie dalijk daar, okay?”
“Okido commissaris, tot strakjes.”
“Is het al zo laat?”, wreef Jack de slaap uit zijn ogen. Ze hadden tegen doktersvoorschrift in de Raaf tot laat in de avond gezelschap gehouden. Die was al diep in slaap gevallen, toen zij nog op de lift stonden te wachten. Rinus had hun Serooskerke bij nacht laten zien met the Raven en ze daarna afgezet bij het huisje van de hoofdcommissaris. Ze waren als een blok in slaap gevallen en hadden door de stilte van het dorp niet in de gaten gehad, dat het al half acht was.

“Goedemorgen Rinus.”
“Goedemorgen Chef, koffie?”
“Ja, lekker Rinus.”
“Hoe is het met onze logés?”
“Die werden net wakker, toen ik van huis ging. Jack weet de weg naar het bureau, dus ze zullen straks wel komen. Maar ik wilde een vroege start maken. Hoever ben je met de kolen?”
Rinus zette een bekertje koffie neer voor zijn Chef en zei, dat ie daar nog niet aan toe was gekomen. Hollestelle wees naar het schoolbord, waar duidelijk de prioriteiten waren opgeschreven.
“U heeft gelijk Chef”, en hij pakte de Gouden Gids uit de la. Hollestelle pakte het telefoonboek en belde een nummer in Goes.
“U spreekt met Hollestelle, hoofdcommissaris van Serooskerke. Ik bel U om het overlijden van één Uwer bewoners te melden. Akkoord, ik wacht wel.”
Rinus bladerde door de gids en maakte vluchtig een paar aantekeningen op een blocnote; toen Hollestelle zich weer voorstelde, aan wat blijkbaar de directrice van het tehuis moest zijn. “Johanna de Visser ja. Onverwacht zeker. We zijn nog doende met het onderzoek en nu vroeg ik mij af; of ik haar kamer zou mogen zien. … Wij willen alles uitsluiten. … Dank U wel, dan zie ik U vanmiddag, goedemorgen.”
“Er zijn er nog best veel Chef. Ene Clauwaert in Sint-Niklaas  is net aan de overkant.”
“Dan pak jij dalijk met Jack the Raven en ga die kolen kopen. Vraag wel nog even aan Kievit hoeveel je moet hebben.”
“En wat gaat U …. Hé, daar hebben we Billy en Jack. Goedemorgen heren. Willen jullie een bekertje koffie?”
“Ik kijk er al een tijdje naar uit Rinus”, gaf Jack hem een knipoog. En vrij snel snapte Billy dat eenzijdig geknipperde ooglid van Jack.
“Wat een heerlijke koffie!”
“Dank je Billy, dank je.”
Na de koffie stapten Jack en Rinus in the Raven en Hollestelle zat niet veel later met Billy in een taxi naar Goes.

In Yerseke leek het straatbeeld weer genormaliseerd. Mensen gingen naar hun werk, kinderen naar school en hier en daar liepen er mensen die boodschappen gingen doen. Maar bij nader inzien, kon een scherp oog een gemeenschappelijke factor zien dat uit de pas liep. Eentje die al die mensen leken te delen. Het was weliswaar een subtiele, doch voor een opmerkend oog toch waar te nemen. Ze liepen allemaal net even anders dan gewoonlijk. Geen enkele voetganger rolde de voet van hak tot teen helemaal af. De mensen liepen met beduidend meer druk op de hak dan met die op de rest van de voet. Je moest wel heel goed kijken. Maar als je het eenmaal zag, dan wist je niet wat je zag. Er liep echter één uitzondering tussen. Dalisha flaneerde over straat op haar hoge hakken en iedereen groette haar beleefd. Toch was dat kennelijk onvoldoende voor Dalisha, want ze beende zonder te kloppen de kerk in. Meneer de Dominee was net bezig met zijn collega uit Hoek om het gestolde kaarsvet uit een manshoge kandelaar te bikken. Hij was van plan deze vandaag te gaan oppoetsen.
“Meneer de Dominee”, begon Dalisha al halverwege het schip. “Hoe komt het dat iedereen me slechts beleefd groet?”
Meneer de Dominee keek op van zijn kandelaar en wilde netjes antwoorden. Maar meneer de Dominee uit Hoek was hem voor en zei: “dit is een huis van God waar U welkom bent. Maar een iets andere toon wordt zeker op prijs gesteld. U wilt toch wel dat er geluisterd wordt?”
Dit was als een klap in haar gezicht. Ze liep zonder meneren de Dominee’s nog een blik te gunnen naar de deur van de kerktoren en begon daar heel hard aan het touw te trekken. Op straat hoorde men de klokken luiden en iedereen liet van alles vallen en begon zich naar de kerk te begeven.

Kievit had gezegd de hele Raven nokvol te laden en ze werden bij de tunnel van de weg gehaald door een motoragent. Of hij wel wist; dat zijn assen op springen stonden? De agent begon meteen te schrijven. Hij luisterde geeneens wat Rinus te zeggen had. Toen de agent zijn bonnetje afscheurde en deze smalend aan Rinus wilde overhandigen, keek hij in het politiepasje van Rinus.
“Ik ben Rinus. Adjudant van Hoofdcommissaris Hollestelle en ben bezig met een officieel onderzoek. En U bent?”
De agent verontschuldigde zich meteen. De reputatie, die Rinus en de commissaris in de afgelopen jaren hadden opgebouwd, was een legendarische en hij  bood zichzelf direct aan als escorte. Want dat van die vervaarlijk doorgebogen assen was niet verzonnen.
Hollestelle stond ondertussen in het kleine kamertje van Johanna de Visser. Samen met Billy begon hij alle laatjes te doorzoeken. De taxirit had de commissaris gelegenheid gegeven om Billy goed bij te praten. Hij was begonnen met de vermissing van Peerke en geëindigd met zijn voornemen; het kamertje van Johanna aan een grondig onderzoek te gaan onderwerpen.
“Ik wil niet vervelend doen Kamiel, maar ik voel hier helemaal niks. Als het een moord is geweest, dan stond deze los van wat we gisteren hebben besproken.”
“Ik zie hier ook niks buiten het gewone. Jammer, maar we moeten alles uitsluiten.”
Ze deden de deur van het kamertje achter hen dicht en begonnen de lange gang af te lopen naar de trap met lift. Halverwege de gang hield Billy Hollestelle plotsklaps staande en zei: “ik weet niet wat commissaris. Maar hier voel ik duidelijk wel iets.”
“Is het kwaadaardig?”
Billy deed zijn bril af om zich beter te kunnen concentreren en zei even later; “ik denk het niet. Het zit daar achter die deur.” Billy wees naar de bewuste deur en Hollestelle klopte beleefd aan. Het duurde even. Maar toen ging de deur open en staarden ze in het gezicht van een heel oud vrouwtje, met oorijzers!
Hollestelle kon een klein vreugdekreetje niet onderdrukken en Billy keek met grote interesse naar die glimmende verstralers. Hollestelle stelde zich voor en vroeg beleefd, of ze even binnen mochten komen. De oude vrouw was al lang blij met bezoek en ging de mannen voor. Hij zou beginnen met wat vragen over Johanna de Visser en was er nog niet uit; hoe haar te overtuigen afstand te gaan doen van haar traditie.
In het piepkleine halletje fluisterde hij tegen Billy; “die oorijzers Billy, die ‘moeten’ we hebben. Die zijn cruciaal!”

Voor de fietswinkel van Kievit stopte Rinus the Raven en de agent bood nogmaals zijn verontschuldigingen aan, vooraleer hij weer wegreed. Jack en Rinus liepen op het rolluik van Kievit af en klopten aan.
“Ga weg! Ik ben er niet!”
“Ik ben het Kievit. Rinus! Ik heb Jack bij me en heel veel kolen!”
Toen ze de blote voeten van Kievit zagen verschijnen, keken ze naar the Raven vol kolen.
“Denk jij wat ik denk?”
“Ja, die zijn al veel langer zwart”, lachte Jack en ze staarden even later in het gezicht van Kievit, dat ook al onder het smeer zat.
“Daar”, gebaarde Kievit naar het kerkplein. “Daar moet je de kolen in een berg gaan lossen.”
“Kievit, we zijn met een camper. We hebben geen laadbak?”
“Dat is jullie probleem. En laat me nou met rust, heb het al druk genoeg met je fiets.”
Jack haalde zijn schouders op en hing zijn jasje aan een haak aan de muur. Rinus volgde zijn voorbeeld en zuchtend liepen ze terug naar the Raven. Daar begonnen ze hun mouwen op te stropen.

“Luister naar mijn stem”, sprak Dalisha vanaf de kansel. “Het is nu wel mooi genoeg geweest. Jullie kunnen niets zonder mij! Maar wat zie ik, als ik hier over straat loop? Beleefde groetjes?! Wat snappen jullie niet aan eeuwige trouw aan de bol?”
“Zeg luistert U nu eens goed naar mij!”, stond meneer de Dominee uit Hoek op. “Dit kan toch zo niet?”, keek hij zijn collega aan, doch die keek slechts nerveus uit zijn ogen en hield zijn lippen stijf op elkaar.
“Wie denkt U wel niet dat U bent?”, informeerde Dalisha ijzig kalm.
“Wie ik ben? Ik ben meneer de Dominee van Hoek natuurlijk. Ik weet dat het hier wellicht niet mijn plaats is; maar ik vind dit allemaal …”
Op dat moment rolden de ogen van Dalisha weer in het koolzwarte en schrok nu ook de dominee uit Hoek van de duisternis in haar gelaat. Hij begon te rillen toen ze tot hem sprak.
“Dominee uit Hoek. Ga naar huis en wacht op mijn stem. Wacht voor Uw kerk en wacht op mijn stem. Ga nu. Ga!”
Bedeesd liep meneer de Dominee uit Hoek de kerk uit. Eerst gewoon en daarna leek het wel; alsof hij anders dan anders liep? En niet alleen dat. Hij stond buiten nu niet in Yerseke, maar voor zijn eigen kerk in Hoek? Had hij dit gedroomd? Hij was toch echt naar Yerseke gegaan om zijn collega te helpen met kandelaars poetsen. Net zoals zijn collega hem daarbij ook regelmatig hielp. Verward schudde meneer de Dominee uit Hoek met zijn hoofd, waarin hij een verre stem begon te horen.
In de kerk van Yerseke zaten de kerkgangers en masse te herhalen op aanwijzingen van Dalisha: “van kerktoren naar vuurtoren. Van kerktoren naar vuurtoren. Van kerktoren naar vuurtoren.”
De gezamenlijk uitgesproken woorden begonnen steeds monotoner en harder te galmen door de kerk, bij iedere verfijning die Dalisha vanaf de kansel aan wist te brengen. Het werd bijna oorverdovend, toen als één man heel hard werd geroepen: “van kerktoren naar vuurtoren.”
Dalisha voelde haar kracht toenemen en wachtte nog één perfect gesynchroniseerde herhaling af en krijste toen: “vuur!”
In de bovenkamer van meneer de Dominee klonk het heel hard ‘vuur!’ En hij hoorde daar weer boven plotseling een enorme muur van vuur door de lucht komen aanrazen. Het vuur drong zich zonder poespas in de kleine kerktoren van Hoek, die door de hitte volledig werd verwoest. Meneer de Dominee uit Hoek hoorde daarna in zijn bovenkamer de woorden; “en dat was slechts een waarschuwing!”
Meneer de Dominee uit Hoek liet zich op zijn knieën vallen en begon te mompelen: “ik zweer trouw aan de bol. Ik zweer eeuwige trouw aan de bol.”
Daarna liep Dalisha de kerk uit en werd niet meer beleefd gegroet. In plaats daarvan kuste iedereen nu haar hand in het voorbijgaan. Ze begon naar de bushalte te lopen en voelde zich vrij. Dat kan er dus gebeuren als je voor jezelf kiest, bedacht ze zich en dat smaakte naar meer. Naar heel veel meer.

Molly belde aan, maar Dalisha deed niet open. Ze besloot te wachten op het kleine bankje in de voortuin, toen ze in haar ooghoek iets zag oplichten. Ze kon het niet laten en bovendien; ze moest toch wachten. Op haar knieën zat ze te likken op het tuinpad van de buren, die daar glad niet van gediend waren. De buurman van Dalisha begon hard te bonken op het raam en zei dat ze zich moest wegscheren. Ze was inmiddels nu zo geoefend, dat ze het bolletje al in haar wangen wist te verbergen; toen ze zich verontschuldigde en weer snel terug op het bankje bij Dalisha in de tuin ging zitten.
‘Hè verdorie, Xylitol’, dacht ze, ‘gewoon een ordinaire Xylitol.’
Lonnie zat ondertussen zich weer als Don Testos de Lon, specialist in tantramassage, uit de naad te masseren. Maar hij had het niet zo naar z’n zin. De vrouw kreunde verbaasd in haar rolstoel en Lonnie zei meer stoïcijns dan iets van passioneel: “laat je maar gaan meid.”
Hij vond het eigenlijk helemaal niet zo interessant meer na die deceptie van gisteren. Hij deed het nou puur voor het zwart geld en kokhalsde zelfs, toen de rolstoel op z’n dunne bandjes begon te trillen.
Na afloop liep Lonnie met zijn zuur verdiende centjes naar de boerderij van Adri en Jannie en kocht daar drie kippen met stok. Terug thuis liet hij ze los in het kleine schuurtje achter en legde de stok op de grond. De kippen gingen er meteen op en hij zei: “morgen krijgen jullie een echt nachthok. Want het wordt nou wel eens tijd, dat ze weer de ouwe gaat worden!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *