Waargezegde Moord in ’s Gravepolder Hoofdstuk XI: Hete Kolen van de Carbo Dolorosa

Waargezegde Moord in ’s Gravepolder Hoofdstuk XI: Hete Kolen van de Carbo Dolorosa

Hoofdstuk XI     Hete Kolen van de Carbo Dolorosa

 

 

“Tok!”, zei een kip in de schuur. En van die enkele ‘tok’, schoot Molly vanuit stilstand en diepe slaap stijf overend. Ze gaf Lonnie een por en vroeg; “hoorde jij dat ook Lon?”
“Lonnie draaide zich om en sloeg geïrriteerd het laken weer pontificaal om zich heen; “ga slapen Mol.”
Een tweede ‘tok’ deed haar nu uit het bed springen en zonder zich verder om iets te bekommeren, vloog ze de trap af. Het kwam uit de tuin en ze vloekte toen de sleutel van de muur viel. Haastig raapte ze deze op, stak hem in het slot en zwaaide de tuindeur open. Het was alsof de derde ‘tok’ haar riep, want Molly gilde nu: “ik kom! Schatttepetatje, ik kom!”
Ze trok de schuurdeur open en werd verblijd door drie kippen, die in het donker op zoek waren naar wat te eten. Ze pakte de eerste kip op en gaf deze een lange en innige zoen op de snavel en zette haar voorzichtig buiten. De andere twee kregen ook menselijke liefkozingen en even later zat ze op het stoepje van de schuur dolblij te wezen met haar kippen. Ze keek naar boven naar hun slaapkamerraam en gilde: “ik hou van je Lonnie!”

De koektrommel was leeg, de koffie op en de oude vrouw viel bijna in slaap. Het bezoek, dat ze al jaren niet gehad had, was vandaag uiteindelijk gekomen. Alleen nu ging het maar niet weg. Ze had haar hele leven ondertussen verteld en ook alle vragen over Johanna de Visser beantwoord, die ze altijd al een beetje een eigenaardige had gevonden. Op het bijtafeltje stond een pot augurken. Maar om die nou open te gaan breken, om het gesprek op gang te houden, ging de commissaris te ver.
“Het spijt mij heren. Maar ik ben wat moetjes geworden.”
Hollestelle had al die tijd zitten wachten op het beste moment, dat maar niet kwam. Meer tijd kreeg hij niet dus gooide hij het er maar uit.
“Ik wil Uw prachtige oorijzers kopen.”
“Geen sprake van. Deze zijn van mijn oma op mijn moeder gegaan en die neem ik mee.”
“Waar naar toe?”, vroeg Billy, die deze oude vrouw niet zomaar ergens naar toe zag gaan.
“Naar mijn graf, dus als jullie me nu willen excuseren?”
“Hollestelle stond op en zei nogmaals: “ik ben bereid er een fortuin voor te betalen mevrouw. Of zeg me anders wat U wenst, maar geef mij die oorijzers alstublieft.”
“Geld kan ik toch niet meenemen, die oorijzers wel!”, en de oude vrouw stond nu ook op en wees naar de deur.
“Ik smeek U?”
Maar de oude dame was resoluut en Hollestelle werd wanhopig. Hij wist, hoe schier onmogelijk het was; een dergelijk perfect stel oorijzers te bemachtigen. En daar hingen ze aan het kanten mutsje van die oude dame, binnen zijn handbereik! Hij had het Rinus bovendien beloofd en stamelde; “oh Heer vergeef mij.”
“Zelfs de Here krijgt mijn oorijzers niet!”, zei de oude dame resoluut. Hollestelle wilde de ijzers met gepast geweld afpakken. Maar toen hij het moest, kon hij het uiteindelijk toch niet. Hij zei tegen Billy te gaan en voelde zich zo teleurgesteld. Want hoe kon hij Rinus uitleggen; dat hij ze binnen handbereik had gehad?
“Luister naar mijn stem”, zei Billy en draaide zijn montuurtje voor de ogen van die oude dame snel rond, die daar helemaal draaierig van werd. Zo zeer, dat ze wel moest gaan zitten. Billy knipte in zijn vingers en ze viel in slaap. Billy fluisterde wat in haar oren en pakte daarna de ijzers met mutsje en al van haar hoofd. “Okay”, zei Billy, “laten we dan maar gaan commissaris.”
In de gang liep Hollestelle in ernstig dubio. Hij was zojuist toch echt getuige geweest van een misdaad. Toen ze het tehuis verlieten en in de taxi stapten; wilde Hollestelle het ongedaan maken. Maar ook dat lukte hem niet meer toen het nog kon.
Halverwege de weg naar Serooskerke doorbrak Billy zijn geestelijke gewetensnood en zei: “zeg me dat je binnen afzienbare tijd nog zo’n paar zou kunnen vinden.”
Hollestelle schudde ontkennend.
“Ik hoop dat je beseft wat er allemaal op het spel staat commissaris. Als die fiets van Rinus zo belangrijk is, dat je deze als prioriteit hebt gesteld, is het een halszaak geworden om die ijzers zo snel mogelijk in handen te krijgen. Is de fiets eenmaal weer gerepareerd, dan hebben we meer kans om het ontij te keren toch?”
“Die fiets is erg belangrijk voor Rinus. En zonder fiets is hij de helft van de adjudant, die ik gewend ben te hebben. Dus ja, die fiets is heel belangrijk. Maar we hebben ze gestolen Billy?!”
“Nee, opgeëist in naam van het onderzoek. In naam van de strijd die wij moeten gaan strijden namens de gehele mensheid, dus ook van die oude dame. Die zal zich trouwens weinig meer gaan herinneren van die oorijzers. Ik heb bij haar augurken ingeplant. Augurken in dat potje, die van moeder op moeder zijn gegaan.” Hollestelle keek Billy in ongeloof aan en kreeg spontaan een slappe lach.

Rinus en Jack liepen onder de zwarte vegen de werkplaats van Kievit binnen. Ze riepen naar het blauw flikkerende laslicht achterin de zaak; dat ze de berg hadden gelost op het Kerkplein. Kievit laste stevig door en zei dat ze hout moesten gaan sprokkelen.
“Genoeg voor die berg. Zorg dat je genoeg voor die berg kolen sprokkelt.”
“Wat? Je gaat die hele berg toch niet …?”
“Doe wat ik zeg! En ga nou weg, ik heb genoeg te doen!”
“En aanmaakblokjes Kievit?”, vroeg Rinus. Kunnen we geen aanmaakblokjes gebruiken?”
“Hout! Ik heb toch gezegd echt hout!”
“Hier achter staan wat oude boomgaarden Jack. Ik denk dat we daar dan maar moeten beginnen”, en ze liepen naar the Raven en reden de hoek om. Na de boomgaarden reden ze over de Zeedijk terug en stopten om de paar meter; om alle takken die ze zagen liggen in te laden. Met een afgeladen berg hout in the Raven stopten ze rond de noen naast de kolenberg en begonnen de takken diep in de berg te prikken. De onderste takken gebruikten ze als opstap en hevig transpirerend staken ze even later de laatste takken diep in de top van de berg, waar ze een machtig uitzicht hadden over de polder. Tevreden over de gedane arbeid ploften ze op de top neer en genoten van het weidse uitzicht.
“Wat mooi is de polder”, sprak Jack, die dit voor het eerst zag.
“Ja Jack, die hebben onze voorouders gemaakt. Daar ligt Vlissingen en daar in de verte loopt de weg naar Oudelande en dat is het Schelphoekje.”
“Is dat niet die taxi?”, vroeg Jack na een tijdje rusten en genieten, wijzende naar de provinciale weg in de verte.
“Chef!”, sprong Rinus op en ze begonnen naar beneden te klauteren. Toen ze naar de fietswinkel begonnen te lopen, stapten Hollestelle en Billy al de taxi uit. Hollestelle keek naar de enorme berg kolen en stamelde: “zoveel kool?”
“Moest van Kievit Chef. Hoe was het in Goes?”
Hollestelle wees naar Billy, die de oorijzers gewikkeld in het kanten mutsje toonde.
“U heeft… Hoe? Wie?”
“Geen vragen nu Rinus. Waar is Kievit?”
“Hier!”, hoorden ze de rauwe stem van Kievit. Hij kwam met een strak gelaste fiets aan zijn hand de werkplaats uitgelopen.
“Kievit!”, maakte Rinus een vreugdesprongetje en wilde op de fiets afrennen. Maar toen zag hij dat de ketting miste. En ook het mooie blad van het achterwiel ontbrak.
“Maar zo kan ik niet fietsen?”
“Zonder oorijzers is dit het beste wat ik kon doen Rinus. Het is niet veel, de verf ontbreekt nog en zo. Maar de bandjes zijn als nieuw en zo goed mogelijk uitgebalanceerd. Nieuwe keramische remblokjes, knijptoeter en demontabel blauw zwaailicht op de bagagedrager. Maar alles stelt niks voor zonder die …”
Billy toonde nu ook Kievit de oorijzers en Kievit liet spontaan de fiets los. Rinus wist deze net op te vangen, toen Kievit in een soort trance op de oorijzers af begon te lopen.
“Zijn het echte?”
“Ja Kievit.”
“Pas gedragen?”
“Nog geen uur geleden”, zei Billy, “voel maar, ze zijn nog warm hier.”
“Dan hebben we geen minuut te verliezen!”, en hij rende de zaak in. Snel kwam hij hijgend weer teruggelopen met een splinternieuwe fietskettingkast en zei tegen Billy de oorijzers daarin te leggen. Daarna naaide Kievit op de stoep de fietskettingkast met dun elektriciteitsdraad nauwkeurig dicht en de mannen stonden hem verwonderd aan te kijken. Na een laatste dubbele knoop was de fietskettingkast vrijwel luchtdicht en stond Kievit weer op, pakte de fietskettingkast op en begon voorzichtig naar de berg te lopen.

Even later stonden de mannen aan de voet van de kolenberg op het Kerkplein en keken naar hoe hoog die wel niet was.
“Is ie hoog genoeg Kievit?”
“Dat zullen we morgen pas weten Rinus.”
“Wat gaan we nu krijgen in naam van de Heer?!”, hoorden ze meneer Pastoor ontstemd mopperen. Hij was nieuwsgierig geworden van het rumoer op het plein en had moeite met het opendoen van de kerkdeuren. De berg was zo immens; dat vele kilo’s kolen de kerkdeuren voor een groot deel blokkeerden.
“Wie heeft al die kolen hier gelegd?”, vroeg hij verbaasd, toen hij uiteindelijk in de kolen stapte.
“Het is voor mijn fiets”, sprak Rinus en Kievit liep op de berg af en zette zich af op een onderste tak.
“Auw!”, zei hij, toen een forse splinter zijn voetzool binnendrong.
“Kievit! Trek tenminste schoenen aan.”
Maar Kievit luisterde niet en begon steeds harder kermend de berg te beklimmen van tak op tak. Het bloed begon uit zijn voetzolen te sijpelen en iedereen voelde aan; dat dit nou eenmaal moest. Zelfs meneer Pastoor voelde dat zo. Die begon hardop te bidden voor Kievit, wiens bloed nu de berg begon af te sijpelen. De parallel met ‘de’ lijdensweg voor de mens was onmiskenbaar, alleen die kettingkast die Kievit mee torste zag er anders uit. Maar voor de rest kastijdde Kievit zichzelf net zo. En na wat wel uren leek te duren, gooide hij eindelijk de kettingkast bovenop de berg. Ook hij keek even de polder in om zich op te maken voor de weg terug. De zon ging nu onder en hij begon langzaam naar beneden te glibberen in zijn eigen bloedspoor. Uitgeput viel Kievit neer en de mannen wilden hem oppakken, maar Kievit weerde hen af en vroeg: “heeft er iemand een vuurtje?”
Meneer pastoor gaf hem een doosje lucifers van Zwaluw, waarmee hij de kaarsen aanstak. Met zijn laatste krachten streek Kievit er eentje af. Trillend hield hij deze onder een laaghangende tak, dat zachtjes begon te roken en voorzichtig vlam vatte.
“Achteruit nu”, sprak hij nog en de mannen moesten hem wegslepen, want Kievit was zijn bewustzijn verloren.
“De kerkdeuren nog!”, zei meneer Pastoor in lichtelijke paniek. Jack trok een felle spurt en gooide de kerkdeuren veilig dicht en rende weer snel terug.
“Dank mijn zoon.”
“Geen dank meneer Pastoor.”
De rook was immens geworden nu. Door de avondstilte in wind steeg deze loodrecht omhoog tot voorbij de klok en verder omhoog. Onderaan verdreef een eerste hete vlam de rook en steeds hoger klom het vuur, totdat de hitte gewoonweg te veel voor de mannen werd.
Ze trokken zich terug in de fietswinkel van Kievit en zetten het rolluik op een kiertje. Door de reten tussen de lamellen door keken ze gespannen naar het vuurwerk, dat nu tot ver boven de kerktoren uit begon te wapperen. Tegen middernacht keken ze naar een massief gloeiende berg kolen, waar de hitte op de top niet te harden moest zijn. Kievit sloeg zijn ogen op en vroeg: “en?”
Ze hielpen hem overeind en wezen naar het rolluik.
“Hoe moet het morgen?”, vroeg meneer Pastoor zich nu opeens af. “Morgen is het wel gewoon zondag! Zo kan niemand de kerk in.”
“De berg zal de hele nacht smeulen. En morgen de hele dag ook nog, maar dat is niet de bedoeling.”
“Hoe bedoel je Kievit?”
“Om vijf uur moeten jullie me wakker maken. Ben nu … te moe … “, en Kievit zakte weer ineen. Hij werd opgevangen door Hollestelle en samen droegen ze hem naar zijn bed. Rinus waste zijn voeten, toen de mannen in het keukentje van Kievit besloten; om dan maar tot vijf uur te gaan wachten. Meneer Pastoor nam de bank in de pronkkamer. Rinus bleef in de stoel zitten in de slaapkamer van Kievit en Hollestelle verliet met Jack en Billy de fietszaak via het achtererf. Ze zouden krap vier uurtjes kunnen slapen, maar dat moest genoeg zijn.
Serooskerke lag onder een dicht oranjerode gloed vredig te slapen, toen er iets in de kettingkast begon te kraken.


Het was Kievit zelf, die al om vier uur opstond. Het ging moeilijk, maar hij moest water gaan halen. Met twee emmertjes liep hij de Zeedijk op en vulde deze tot aan de rand met zeewater. Bij terugkomst kek hij tevreden naar de berg en zette de emmers neer en liep naar binnen om iedereen te wekken. Rinus stond erop eerst koffie te zetten en te wachten op de commissaris. Die kwam ruim voor tijd al aangelopen met Billy en Jack. Na de koffie vroegen ze aan Kievit, wat nu het plan was.
“Nu moeten we de oorijzers laten ‘schrikken’ om het metaal zijn bijzondere eigenschappen te geven.”
“Maar zijn die dingen niet al lang gesmolten?”, vroeg Hollestelle verbaasd.
“Ieder ander paar wel ja. Maar niet als ze nog recent zijn gedragen. Bovendien, ik heb de kettingkast niet voor niks dicht genaaid hoor.”
Kievit liep moeilijk door zijn wonden het keukentje uit en zei; dat ze allemaal twee emmertjes water moesten gaan halen uit zee. Het duurde even, eer ze genoeg emmers hadden. Maar net na vijven stonden ze met volle emmertjes zeewater onderaan de smeulende berg. Die was trouwens al een behoorlijk stuk lager geworden en reikte met moeite tot net niet meer halverwege de kerktoren. De eerst nog zeer steile helling bovendien was ook behoorlijk afgevlakt tot niet meer dan een glooiend heuveltje. Kievit begon met zijn emmertjes achteruit te lopen en zei: “jullie moeten voor de koeling gaan zorgen.”
“Wat ga jij dan doen?”
“Eerst een aanloop nemen. En dan ren ik naar boven en ga die oorijzers de schrik van hun leven geven.”
“Maar Kievit”, probeerde Rinus nog, doch Kievit begon al te rennen.
Jack rende als eerste naar de berg en gooide zijn emmertje leeg, net voordat Kievit zijn eerste voetstap in de hete kolen drukte.
“Mijn God!”, gilde meneer Pastoor en de rest dacht dat net zo. Ze begonnen allemaal hun emmertjes de lucht in te gooien en zo wist Kievit in sissende stoomontwikkeling zich bijna tot de top te rennen.
“Mijn water is op!”, gilde Rinus als laatste en ze keken gespannen naar Kievit; die zijn laatste stappen over die gloeiend hete kolen moest volbrengen.”
“Allemachtig”, wreef Billy zijn brilletje schoon, “hij moet over hete kolen gaan lopen!”
Kievit liep echter gewoon stoïcijns door en bereikte op z’n minst schroeiend de top. Daar gooide hij twee volle emmers zeewater uit over de kettingkast en verdween in een gesis van stoom. Het duurde slechts luttele seconden, doch die leken wel uren te duren. Maar toen kwam Kievit naar beneden rennen met een zwart geblakerde kettingkast trots in de lucht houdende. De mannen applaudisseerden en Kievit werd ontvangen in een spontaan erehaagje. Op de stoep voor de fietswinkel gooide Kievit de kettingkast hard op de tegels en die verpulverde in duizenden stukjes. Daar zagen de mannen een stel kromgetrokken zwartgeblakerde oorijzers liggen.
“Maar Kievit?”, sprak Rinus teleurgesteld. Want hoewel hij niet wist wat te verwachten; dit zag er niet uit als iets van een blad, laat staan een ketting.
“Dat zijn gewoon een stel verbrande oorijzers verdulleme”, kon hij zijn teleurstelling niet verbergen.
“Ik”, sprak Kievit hem zachtjes tegen, “heb slechts één keer in mijn leven zo’n wonder gezien.”
“Ze zijn niet gesmolten Rinus”, stak Hollestelle ook nog een hart onder zijn riem. En toen pas besefte Rinus; dat dit misschien toch wel een wonder was.
Kievit pakte de verfomfaaide oorijzers op en gaf deze aan Rinus en zei: “probeer die maar eens te verbuigen.”
Maar hoe Rinus ook probeerde, hij kon het metaal niet verbuigen. Zelfs niet met de hulp van Jack en Billy.
“Ongelooflijk”, sprak Rinus daarna. “Chef? Zelfs die dunne pootjes geven geen krimp!”
Ze waren nog erg onder de indruk van het geschrokken metaal van de oorijzers, toen Kievit naar binnen liep. Achter een kast begon hij een groot aambeeld te slepen en legde de oorijzers hier op. Daarna begon hij als een bezetene met een grote moker hier onophoudelijk op te slaan.

Meneer de Dominee van Hoek trok net de laatste deur achter zich dicht. Bij gebrek aan zijn klokkentoren was ie succesvol van deur tot deur gegaan met zijn boodschap. Het was hem gelukt iedereen te overtuigen. Toen hij zijn eigen woning vermoeid betrad, pakte hij uit zijn vestzak voor de laatste keer die dag een handvol. Het kleine hondje van meneer de Dominee uit Hoek sprong blij tegen zijn baasje op; die hem zijn grootste duizendteller liet zien en sprak; “kijk in de knikker en zweer trouw aan de bol, zweer eeuwige trouw aan de bol.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *