Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk XVII: Kauwe Lon

Waargezegde Moord in ’s Gravenpolder Hoofdstuk XVII: Kauwe Lon

Hoofdstuk XVII     Kauwe Lon

 

Dalisha keek van de tekening op naar het weiland en weer terug. Ze hadden de hele nacht doorgewerkt en een gigantisch skelet van steigermateriaal tekende zich scherp af tegen het blauw in de opkomende zon. De eerste steen was al gelegd en inmiddels was zowat het gehele eiland druk doende met het bouwen van de megakerk. Dalisha zat in de voor haar speciaal opgezette bouwkeet en begon te schrijven op papier. Binnenkort zou de kerk af zijn en een kerk zonder geboden kon zelfs in haar optiek niet.

Ik ben het Alles uw steun en toeverlaat, Die u van het eiland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

  1. Gij zult geen andere goden dan de bol of Mijzelf hebben.
  2. Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen rond de bol te zien is, noch van hetgeen onder of op de bol is, noch van hetgeen in de wateren onder de bol is dus laat staan van of in de bol zelf. 
  3. Gij zult den Naam des Vrouwen uws Godins niet ijdellijk gebruiken; want Dalisha zal niet onschuldig houden, die Haar Naam ijdellijk gebruikt.
  4. Gedenkt het weekeinde en de gehele werkweek, dat gij dien heiligt. Alle dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen. Maar de zevende dag is ook een gewone dag van de week. Dan zult gij werk doen, gij, alsook uw zoon en uw dochter en uw dienstknecht, uw dienstmaagd, uw vee, uw vreemdeling, die in uw poorten is; Want in zes dagen heeft Dalisha de MegaKerk gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Zij sprak ten zevenden dage kerks; daarom zegende de Vrouwe deze preekdag. Op preekdag draagt gij zwarte kniekousen tot ver over de hals en voor de rest geen enkel kleurtje doch wel met zwarte hoed.
  5. Oneert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verkort worden in het land, dat u de Vrouwe uw Godin geeft.
  6. Gij zult doodslaan.
  7. Gij zult echtbreken.
  8. Gij zult stelen.
  9. Gij zult valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
  10. Gij zult begeren uws naasten huis; gij zult begeren uws naasten vrouw, zijn dienstknecht, zijn dienstmaagd, en desnoods zijn os en zijn ezel als het echt niet anders kan, iets, dat uws naasten is.

Voldaan maakte Dalisha een copietje en plakte deze midden op de deur van de bouwkeet. Enkele eilanders werd verstaan gegeven; om vele copietjes te gaan maken en deze te verspreiden onder de bevolking. Het voelde goed, alles liep nou op rolletjes knikkers en ze zag tevreden; dat de muur van de zijvleugel al aardig gevorderd was.

“Doe mij maar eens een stevig bekertje Rinus”, zei Hollestelle die ochtend op het bureau. Ze hadden net hun dekens en lakens weer in de kast opgeruimd en zaten na een wissewasje aan de wastafel van het toilet weer om het bureau.
“Okay Rinus, wat weten we?”, en Hollestelle gaf hem een knikje.
“Oh? Natuurlijk Chef!”, pakte Rinus na de koffie een krijtje uit het gootje van het schoolbord.
“De knikkers rollen op één of andere manier niet het dorp in”, zeiJack nippend van zijn koffie.
“We zijn compleet geïsoleerd door die rotstuiters!”, zei de Raaf feller dan anders. “Ik begin zo langzamerhand dit aardig beu te worden hoor. Alles ligt plat!”
“Houdt iets ze tegen om ons te beschermen, of om ons te neutraliseren?”, vroeg Billy zich bedachtzaam af. “Ik denk het laatste heren.”
“Dat denk ik ook”, zei Rinus en noteerde ‘isolatie’.
“Dat kreng moet van ons af weten”, zei de Raaf weer pislink toen de telefoon ging.
“Hé, telefoon?”, liet Rinus van verbazing zijn krijtje vallen.
“Neem dan op Rinus!”
“Met Rinus.”
Een luid gekraak kwam door het kleine speakertje op het bureau en de mannen bogen zich hoopvol een stukje voorover. Zo konden ze maar net heel in de verte horen; “Rinus, Sjaak hier.”
Een enkel analoog draadje was uiteindelijk in de dam ontdekt, dat nog signalen leek door te kunnen geven. Onmiddellijk had Sjaak een oude veldtelefoon laten aanrukken en was de gehele ochtend naarstig aan het draaien geweest. Hij kon zijn geluk niet op; toen hij eindelijk, zei het zeer zwak doch desalniettemin, de stem van Rinus aan de andere kant van dat draadje hoorde.

“Sjaak! Het is Sjaak Chef!”
“Hoe gaat het met jullie daar?”
“We zijn compleet geïsoleerd Sjaak. Eerst geestelijk en nu ook lijfelijk. Het hele dorp is omringd door allemaal knikkers.”
“Niet alleen het dorp Rinus, maar het hele eiland is van de buitenwereld afgesneden.”
“Je bedoelt afgeknikkerd”, zei de Raaf nog steeds niet in zijn hum over deze hele toestand.
“Ja, zo zou je het ook kunnen omschrijven. Hoe dan ook is het gehele eiland ontoegankelijk geworden. De laatste satellietbeelden tonen een enorme bouwactiviteit aan de rand van Yerseke. Wat weten jullie daarvan?”
“Sjaak, als je niet zit; doe dat nu dan”, sprak Hollestelle. En de commissaris probeerde Sjaak te overtuigen van de laatste bevestiging; die zij van meneer de Dominee hadden gekregen.
“Sjaak? Hallo? Ben je er nog?”
“Ja, ik ben er nog. Maar dat is verschrikkelijk! Wacht, ik zal …”
“Sjaak? Sjaak!”, gilden de mannen tegen het kleine speakertje. Maar de verbinding, die al zo zwak was, was weg.
Aan de andere kant zat ook Sjaak te gillen. De monteur naast hem schudde teleurgesteld zijn hoofd en zei; “dood. De lijn is dood.”
“Verdorie!”, zei Sjaak en ging weer staan. Hij kroop het PTT-tentje op de dam uit en liep naar de top. Daar zag hij nog beter hoe ondoordringbaar die knikkers oogden en hij pakte met zwaar gemoed zijn mobilofoon van zijn riem.
“Rob? Over.”
“Met Rob. Over.”
“De beelden kloppen Rob. Serooskerke ligt nog niet onder de knikkers, maar ze kunnen geen kant meer op. En ga nu even zitten, als je dat al niet doet. Over.”
Rob werd ingelicht over de kwalijke ontwikkelingen op het eiland en Rob bleek geen half oor te hebben.
“Tegen de tijd dat we eindelijk een gaatje in die knikkers hebben, zal het te laat zijn. Er zit niets anders op. Ik zal de regering moeten inlichten. Over.”
“Dat snap ik. Maar wat kunnen we hier aan doen? Over.”
“Mijn advies zal zijn”, even hoorde Sjaak zijn meerdere ademhalen, “de hele zaak platgooien met kernbommen.”
“Nukes? Nee, dat kan je niet maken Rob! Over.”
Maar ondanks zijn protest wisten ze beiden; dat dit een emotionele was. Een andere optie leek er inderdaad niet te zijn. Tenminste zelfs Sjaak kon geen andere bedenken.


Zwetend hijgde Lonnie nog na en trok een dubbelgevouwen vochtig stuk laken tussen zijn billen vandaan en liet zich uitgeput op zijn rug vallen.
“Oh … Lon toch”, hijgde Molly naast hem.
Het moesten wel die elastieke eieren zijn geweest, want toen the Lon Ranger eenmaal doende was; kon geen van beiden meer stoppen. Uiteindelijk had Molly twee stukjes Stimorol weten te bemachtigen, dat in het geheel niet mee viel met zo’n wild stuiterende Lonnie op haar. In het begin was het fantastisch geweest. Maar al snel vond Lonnie het genoeg. Echter hoe hij ook poogde, hij kon simpelweg niet meer stoppen. Iedere stoot leek wel in tienvoud terug te komen en ook Molly was het na tien minuutjes wel zat. Doch ook zij had geen antwoord op de natuurkundige wetmatigheden bij elastische botsingen, laat staan penetraties. De hele Godganse nacht waren ze bezig geweest te stoppen met stuiteren, maar niets hielp. Eerst was Molly nogal nijdig geworden op hem. Doch toen ze besefte, dat hij ook niet kon helpen; hadden ze alles aangegrepen om maar iets van houvast te kunnen krijgen. Het kleine slaapkamertje was één totale chaos en het was aan de tegenwoordigheid van rekbare geest van Molly te danken, dat ze zich hadden weten te ontworstelen aan het doodvermoeiende gestuiter. Wanhopig had Molly een stukje Stimorol in tweeën gekauwd en probeerde hem te zoenen.
“Kappuh Mol, ’t is al errug genoeg zo!”, had hij nog boos gereageerd. Maar toch had ze uiteindelijk een stukje Stimorol in zijn mond weten te krijgen en gilde: “kauw! Kauwe Lon, zo hard als je kan!”
Voor de zoveelste keer die nacht stuiterden ze ongecoördineerd van het ene muurtje tegen het andere en begonnen heel hard te kauwen.
“Het helpt!”, had Lonnie nog gegild. Want bij iedere maalbeweging leek het stuiteren in ieder geval in intensiteit af te nemen. Molly kreeg al snel door, dat als ze haar onderkaak zo ver mogelijk zijwaarts liet kauwen; ze voelbare controle kreeg over de richting waarin ze aan het stuiteren waren. Dit voelde al als een hele opluchting en heel langzaam kauwden ze zich helemaal tot rust.
“Zo, dat was niet normaal meer”, zei Lonnie nog. En ze waren compleet uitgeput eindelijk en alsnog in slaap gevallen.
Toch was Lonnie weer vroeg wakker geworden van zware bouwactiviteiten in de verte en een stem in zijn hoofd. Molly sliep nog en Lonnie stond helemaal verkrampt van de blauwe plekken en spierpijn overal zo goed en zo kwaad mogelijk op. Hij baande zich kreunend en steunend een weg door het slagveld van hun slaapkamertje en wist de badkamer te bereiken. In de spiegel aanschouwde hij zichzelf en schrok van zijn pimpelpaars gekleurde Lon Ranger. Hij stapte de douche in en even later zat hij beneden aan een kopje thee. Na een broodje met worst, want even geen eitjes meer, stapte hij cool op zijn fiets en reed in de richting van die monotoon dreunende bouwactiviteit en niet aflatende stem.
Eenmaal op de fiets voelde hij zich weer snel de oude worden en lachte toen hij over de dijk fietste en de wind door zijn haren voelde. Hij passeerde enkele dames en ging opeens heel stoer trappen. Toen hij weer bijna uit hun zicht was, was hij ervan overtuigd; dat die dames nog nooit zo’n gespierd achterwerk hadden mogen aanschouwen. Hij zette zijn fiets neer tegen het hek van de enorme bouwplaats en was weer de oude koele gozer; die hij al met 12 jaar of zo in de spiegel van de ouderlijke badkamer had gezien. Onveranderd liep hij op de bouwkeet van Dalisha af en klopte koeltjes aan. Er werd “binnen” geroepen en hij stapte naar binnen. En daar lag ze, verleidelijk naakt tussen de thermosflessen en veiligheidshelmen.
“Neem me!”, commandeerde ze en ze gaf hem een helm. Hoewel hij niet meer kon, kon hij haar niet weerstaan noch weigeren en zette een fel gele veiligheidshelm op.
Nadat hij op haar gedoken was, voelde hij hoe twee bokkenpoten zich venijnig in zijn billen planten. Het deed pijn en steeds hoger gingen die bokkenpoten; die na iedere stoot heel hard tegen zijn helm aan schopten. Het was de eerste keer dat hij bij vreemdgaan liefdevol aan zijn Molly moest denken. Want terwijl het onder hem gromde en hij alles in brand voelde gaan staan, vond hij steun in dat stukkie Stimorol Extra Strong en dacht ritmisch in zichzelf bij iedere beweging en schop tegen z’n kop; ‘kauwe Lon, kauwe.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.