Laat Gaanman, een torie in rastalagen.

Laat Gaanman, een torie in rastalagen.

Het maalde en maalde in het hoofd van de minister president. Nimmer had hij zich zo geslagen gevoeld, zo gegeseld door de continue aanvallen vanuit de oppositie. Want of hij nou in de Kamer stond of in een zaaltje voor het volk, dat maakt hem wat oppositie betreft nooit uit.
Nee, want hij stond er toch maar weer mooi toch?
Hij had ook gewoon een lange vinger kunnen maken naar al die slachtoffers van de toeslagenaffaire. Maar neen, zo zat hij niet in elkaar. Dus nam hij zijn verantwoordelijkheid in de zaak en stond nu al van alles aan te horen, waar hij voor het eerst geen antwoord op wist te geven. Dus maalde en maalde het maar en het enige antwoord dat er uiteindelijk uitkwam was een traan?
‘Verrek, ik sta hier gewoon te janken? Hoe dan?’ Zijn verbijstering hieromtrent hielp ook niet en toen gingen de sluizen open.
“Ik vind het verschrikkelijk wat jullie is overkomen!”, voelde hij zichzelf nog huilen. Maar nu stond hij in de Kamer. En ook nu weer maalde en maalde het. Maar in plaats van een traan te laten, ging hij vol in de aanval met; “ik vind dit dus niet kunnen! Je moet achter je eigen mensen blijven staan. Het zou me daar een mooi zooitje worden voorzitter, als we alle ambtenaren bij naam en toenaam met de haren erbij gaan slepen. Neen, ik vind dat echt niet kunnen!”
Hoe boos de premier ook werd, het had geen enkele indruk.
“Rasta Rostelli!”, was het Koezoe, die de chant begon. Hij ging demonstratief op zijn bureaubladje staan en in plaats van heel hard met de vingers te trommelen, begon hij te stampvoeten op de maat van het alsmaar blijven herhalen van; “Rasta Rostelli! Rasta Rostelli!”
Hoewel de ideologie van Koezoe ver afstaat van de meerderheid, klommen er meer en meer Kamerleden ook op hun bureautje. En die begonnen allemaal mee te gillen; “Rasta Rostelli! Rasta Rostelli!”
De voorzitter Ariba betrapte zich er zelfs op, dat ze per ongeluk in de maat mee hamerde voor het roepen van; “orde, orde alstublieft”.
Na dit vreselijke debat was de premier helemaal kapot. Hij had het helemaal gehad en fietste naar huis. Na zijn Batavus in het schuurtje te hebben gezet, liep hij naar binnen via de keukendeur. Het rook er al naar spruitjes, maar anders dan anders zei hij: “ik eet vanavond niet mee mam. Ik ben helemaal kapot en ga slapen.”
Hij liep de zoldertrap op, schopte zijn schoenen uit en trok de enige en echte eikeltjespyjama aan en ging in foetushouding in zijn bedje liggen. Hij trok zijn MickeyMouse dekbed over zich heen en huilde zichzelf in slaap.


“Grietjebie! Grietjebie!”, werd onze premier de volgende dag loom wakker door het tropische ochtendgekwetter.
Het was alsof ie nog midden in een droom zat, want waar waren de duiven in de dakgoot? Toch voelde het op een merkwaardige wijze vertrouwd. Hoe dan ook was hij de meer dan verschrikkelijke ervaringen van de afgelopen week kwijt en met hervonden optimistische blik opende hij zijn ogen en keek tegen een dak van gedroogde bladeren aan.
‘Hè? Een pinahutje?!’
Tijd om van die verbazing bij te komen, kreeg hij niet. Want het was zijn moeder, die hem riep met; “Maronneke, wakker worden.”
‘Maronneke?’
Maar dat was niet het enige. Zijn moeder praatte ook nog eens in een heel ander taaltje. En toch, op één of andere manier, vond ie dat dan ook weer doodnormaal.
Hij stapte uit zijn bladerbedje en liep naar buiten. Zijn moeder gebood hem wasje te gaan doen en hij liep uit routine naar de rivier. Daar pas zag hij, dat hij op een eiland zat.
“WTF?’, proestte hij, toen hij weer via het rotsblok, waar de was op werd geslagen, op het droge klom. Hij liep terug naar zijn ouderlijk hutje en kwam allemaal bekenden tegen, waarvan hij in ieder geval gisteren nog het bestaan van niet had geweten. Natuurlijk groette hij deze. Zo hoort dat nu eenmaal. En na al zeven ochtendbrasa’s ging hij zitten en kwam zijn moeder met een kommetje ontbijt aan.
“Hè? Maar Ma?”, begon hij, want in zo’n kleurrijke doek die weinig verhulde, had hij zijn moeder nog nooit gezien. Tenminste niet sinds gisteren. Maar zelfs dat kwam al snel wonderlijk vertrouwd over en ze begonnen te eten. Halverwege vroeg hij terloops aan zijn moeder hoe hij heette.
“Waaaat?! Oh mi boi?’, en ze begon heel hard en hartelijk te lachen. Zo spontaan en uitbundig dat Marcos er ook heel blij en gelukkig van werd. Maar Marcos was Mark niet meer.
Op dat moment besefte hij dat zelf ook, toen hij lachend zei: “mama, yu e lafo so moi!”
Hij zei het alsof het zijn moerstaal was. Want ja, zijn moeder lachte ook zo mooi.
Het ontbijt was schamel, maar hij had zich eigenlijk nog nooit zo gelukkig gevoeld.
“Je heet Maron Rustwijk gekkerd”, gaf zijn moeder hem een liefdevolle tik op zijn hoofd en liep vervolgens nog lachend met hun ontbijtkommen naar de rivier. Liefdevol zag hij haar het pad aflopen en hij voelde zich trots. Hij was Maron. Maron Rustwijk en die had vanaf nu geen opportunisme meer nodig om zich gelukkig te voelen. Het enige dat ie nu nog wilde weten, was hoe hij eruit zag. Hij liep het pinahutje binnen, waar aan een dwarsbalk alle pannen van zijn moeder hingen. Die had zijn moeder haar hele leven lang zitten oppoetsen. Ze blonken daardoor zelfs in de schaduw en toen hij in de grootste keek en voor het eerst in zijn leven zichzelf zag, kon hij alleen nog maar stamelen; “Sjesus! Ben ik dah?”

Gaanman Maron Rustwijk, geboren 14 februari 1967, Den haag.

Tweeënvijftig jaren was Maron al, toen hij zichzelf voor het eerst echt zag. En nu hij zichzelf gevonden had, kwam het allemaal terug. Zijn onbezorgde jeugd op Langatabaki, ook wel bekend als Langatabbetje. Zijn heerlijk lang gerekt eilandje in de loop van de prachtige Marowijne was hem liever dan lief. Hoe gelukkig hij was in de natuur en nog steeds is. En dat hij als enige van het dorp naar Nederland mocht met beurs. Want kleine Maron liet al op jonge leeftijd blijken, dat hij ‘talenten’ had. Tenminste zelf verkondigde hij al sinds hij kon praten, dat ie toch zoveel talenten had.
“Ik heb gewoon een oneindige soela aan talenten!”, was zijn favoriete stopzin.
Hij kon zo overtuigend praten, dat op een gegeven moment de mensen dat zijn gaan geloven. En ja, iemand met zoveel talenten moest natuurlijk naar Nederland om te kunnen studeren.
En lang dat ie erover gedaan heeft?
Zo lang, dat hij bij terugkomst op het eiland als een alwetend orakel werd beschouwd. Het duurde dan ook niet lang; of Maron werd gekozen tot Gaanman, of te wel Granman. En zo is het gekomen, dat Maron alweer veels te lang (maar dat terzijde) als grootopperhoofd zetelt op Langatabbetje.
In het begin van zijn functie als Granman ging het om de meest onzinnige zaken, zoals buitenechtelijk gedoe; dat hoog werd opgenomen. Maron zelf was zo buitengewoon monogaam opgevoed; dat hij er zelfs geen één vrouw aan over heeft durven houden, dus laat staan meerdere buitenvrouwen. Maar sluipenderwijs begon het leven op het eiland ook onder invloed komen te staan van vreemdelingen.
Nu is al sinds jaar en dag Langatabbetje niet het meest favoriete resort voor toeristen gebleken. Dus lang heeft Maron met de Marrons geleefd zoals ze gewoon waren.
Maar op een gegeven moment kwamen er ook daar vreemdelingen. Geen toeristen, maar vreemde mannen met schepjes en een paar flessen Borgoe, voor op audiëntie.
Halverwege de zoveelste fles rum, had Maron amicaal zijn arm om de schouder van de vreemdeling gelegd en zijn zegen gegeven om te gaan scheppen. Daarna is het allemaal snel gegaan met het gemoedelijke leven van Maron, waarin een niet eerder ervaren gevoel van twijfel ging overheersen. Maar die Borgoemannen betaalden prima, dus lachte hij die steevast weg. Het was echter slechts een kwestie van tijd, eer ie een flinke draai om zijn rasta zou krijgen.

“Ik ben Suriman! De held van het volk”, gilt elders aan een ander machtige rivier een heel andere Granman al decennialang. Zo lang dat de mensen hem ook heilig zijn gaan geloven. Waarmee een nieuwe superheld werd geboren. Met het verstevigen en inslijpen van hun geloof en het uiten daarvan, voelde Suriman zijn krachten jaar op jaar toenemen. Hij was nu op het punt gekomen, dat hij zich onoverwinnelijk achtte. Zo zeer dat hij geeneens meer in termen van onoverwinnelijk denkt. Het doet hem gewoon niks meer. Zijn lot stond al vast en daar kan niks en niemand nog wat aan veranderen. Hij was, is en zal altijd blijven de Gaanman der Gaanmannen, de grootste Granman ever met een ongekende superheldstatus.

De legendarische verhalen over Suriman zijn talrijk. Zo gingen mensen eens slapen aan een zandweg. En bij het ochtendgloren liepen ze op nog warm asfalt naar buiten?
Of wat te denken van de tijden van honger? Was het ook daar niet Suriman, die met pakketten strooide alsof het hemelse manna was? Gewoon vanuit de stad zo de districten in en zonder enig zichtbare moeite. En oh ja, Suriman is bulletproof.
Lang geleden heeft Suriman in het middelpunt gestaan, het middelpunt ja, van een massale slachtpartij. Ik geef het U te doen, om middenin een executie te gaan staan met militairen die aan de Borgoe zijn geweest. Een normaal mens zou dat echt nooit overleven. Velen zijn dan ook fataal geraakt door de rondvliegende kogels. Maar wie was het, die als door een Gods wonder (‘zijn eigen woorden’ red.) even later uit de kruitdampen verscheen en het fort ongeschonden verliet?
Jawel, dat was dus Suriman en niemand anders.
En was het niet Pablo Escobar himself, die op audiëntie kwam? Die had heel wat meer dan alleen een fles Borgoe bij. En toen schreef Suriman zelfs nog meer wereldgeschiedenis. Dus een superheld is nogal pover uitgedrukt.
Suriman is Baas Suriman en iedere Gaanman moet verantwoording afleggen aan die volksheld, of ie wil of niet.

 

“Granman, ziet toch eens”, wees een oude vrouw op het bebloede rotsblok aan de rivier. “Daar heeft ze mijn kleinzoon gebaard, oh Granman. Mijn mooie kleinzoon die te zwak was om te leven, deed haar hart breken. En hoeveel van onze kinderen moeten zo nog verdwijnen naar zee?”
De oude vrouw sprak beheerst en articuleerde zorgvuldig, terwijl zij de zelfmoord van haar dochter tot in de meest trieste details verwoordde. Het ongeluk, waarvan iedereen wist dat het geen ongeluk kon zijn, was als een lopend vuurtje over het eiland en wijde omtrekken gegaan. En zoals met ieder onoplosbaar probleem ging ook deze oude vrouw naar Granman toe. Haar hart was gebroken. Dan maakt het niet uit, of dat door buitenechtelijk gedoe komt of iets anders. Als je met een gebroken hart geen raad weet, dan ga je naar Granman. En als het even kan, hoop je op iets van closure te kunnen krijgen.
“Ik smeek U oh Granman, zo kan het … zo kan ik toch niet verder?”, en een stilte viel aan de oever, waar alle dorpsbewoners bijeen waren gekomen om samen het leed te dragen.
De maan reflecteerde in de Marowijne, waarvan slechts het langsstromen van viel te horen. Iedereen keek naar Maron in hoop om het verlies iets meer draaglijk te doen maken.
Maron keek de oude vrouw diep in haar ogen aan en zuchtte een paar keer heel diep. Vervolgens keek hij naar de door haar meegebrachte fles Borgoe en friemelde wat aan zijn rasta. Tenslotte sprak hij de troostende woorden: “ik heb ineens zo’n trek in een BorgoeCola! Hahahaha, jaja, dat heb ik opeens.”
PETS!
Het was moeder Rustwijk, die haar zoon in het openbaar zomaar een draai om zijn rasta’s gaf.
“Maron! Deze dame heeft verdriet! Die BorgoeCola kan echt wel even wachten. Schaam je! Granman of Gaanman, zo gedraag je je niet!”, en de dorpelingen knikten zachtjes, zo van dat je zoiets inderdaad dus niet zegt op zo’n moment.
“Hè? Maar ik heb hier toch voor gestudeerd mam?”
Moeder Rustwijk reageerde slechts met een stilte verbrekende tjoerie van jewelste.

Die tjoerie ging door merg en been. Zo zeer dat zelfs Maron niets anders kon uitbrengen dan; “maar wat mot ik dan toch doen?”
“Luister naar je mensen hoor”, zei moeder Rustwijk nog en beende daarna in een mix van boosheid en teleurstelling weg. De dorpsbewoners gingen stilletjes uiteen en Maron bleef alleen achter bij de wasrots. Hij keek naar het bloed dat zijn volk gegeven had. En iets in hem zei, dat zijn moeder trouwens al jaren tegen hem liep te verkondigen; dat hij hier zijn verantwoording nemen moest. Waarom wist hij nog niet en na die draai om zijn rasta, durfde hij het zijn moeder ook niet meer te vragen. Hij besloot er dan maar zelf en helemaal alleen wat aan te gaan doen en liep naar het pinahutje terug. Daar haalde hij uit een heel oude scheepskist een dikke stapel papieren. Het waren alle schriftelijke verzoeken, die hij in zijn functie heeft mogen ontvangen. Maar omdat er bij zijn post nooit een fles Borgoe zat, had hij de brieven ongeopend in de oude kist gegooid onder de vrolijk uitgesproken leus; “laters”.
Hij opende de eerste enveloppe en begon te lezen.
Hij las de hele nacht door en het was alsof hij in een nachtmerrie beland was. Het ene relaas was zo mogelijk nog meer hartverscheurend dan het ander.
“Allemachtig, ze zijn allemaal dood … te laat … ze zijn allemaal al dood”, mompelde hij, toen hij de laatste brief opende.
Hij sprong ondanks de lange nacht snel op en zei: “deze leeft nog! Yes!”, en pakte snel wat kleren en reisgoed bijeen. Even later zat hij in z’n korjaal en pagaaide naar het hutje van de familie Deugd. Het was mevrouw Deugd die hem had aangeschreven om hulp. Haar verhaal was gelijk aan al die andere verhalen, die hij deze nacht had gelezen. Maar hier leefde meneer Deugd nog. Dus pagaaide hij nog harder, want misschien kon hij deze nog wel redden.
Het bos begon net te ontwaken, toen Maron in al die vroegte aanklopte bij het hutje van de familie Deugd.
Mevrouw Deugd deed open en viel meteen op haar knieën: “oh Gaanman, u bent gekomen.”
“Waar is de zieke?”, maar eigenlijk had hij dat niet hoeven vragen. Het hutje was maar klein en de bedlederige meneer Deugd viel niet te missen.
“Hij ligt nou al drie weken zo en eten doet ie al niet meer. Alleen wat water nog, ik ben zo bang Gaanman.”
Na een blik op de arme Deugd, was het voor Maron duidelijk. Hier viel geen enkele eer meer aan te behalen.
Maar vanaf zijn andere schouder hoorde hij zijn moeder fluisteren; “je moet hem naar de stad brengen. De man heeft een ziekenhuis nodig.”
Zonder verdere aarzeling begon hij meneer Deugd in zijn korjaal te slepen en zei: “ik ga hem naar de stad brengen. Hij heeft een ziekenhuis nodig.”
“Ik zal bidden. Zorg goed voor mijn lief”, huilde mevrouw Deugd. Ze zag zo haar man met Gaanman Maron in de verte stroomafwaarts verdwijnen in onophoudelijke tranen.

Hoelang hij gepagaaid heeft, weet niemand. Zeker was wel, dat hij de stroming mee had en op gegeven moment zijn korjaal naar de oever bij Albina stuurde. Daar bleek al snel dat niemand de arme meneer Deugd helpen kon. Met vereende krachten werd hij de wal op gedragen en zat Maron even later in een Isuzubusje. Toen hij had laten blijken, dat hij Granman van Langatabbetje was; begon de chauffeur honderduit te praten over zijn Granman.
Maron had wel eens van hem gehoord. Maar doorgaans in zichzelf gekeerd zijnde, was dat zijn ene rasta ingegaan en de ander weer uit. Maar nu hij toch naar de stad ging, bedacht hij; hoe geweldig zou het niet staan als hij zijn hand schudden kon?
Het zou Langatabbetje op de kaart zetten, als hij van Granman tot Granman zo de geschiedenis in kon gaan. Hij was nu maar wat blij, dat ie naar z’n moeder geluisterd had.
Na de lange rit, waarin Maron alles te weten gekomen kwam, hoe heerlijk het toch is om tot de NDP clan te horen; stopte het busje bij het Academisch Ziekenhuis. Bij de eerste hulp werd hij naar twee houten stoeltjes in de voor de rest overbezette wachtkamer verwezen. Of hij daar even kon wachten. De dokter zou zo bij hem komen.
Dat even werd een tergend lang proces.
Terwijl hij meneer Deugd voor de zoveelste keer rechtop in zijn stoeltje hees, keek hij naar het nieuws. Het ging nog steeds over dat proces van wachten en wachten, waar de advocaat van Granman Suriman aan het woord kwam. Maron luisterde aandachtig naar de raadsheer Kaaiman. Hij dacht meteen dat ie dat onthouden moest. Want als collega Granman een advocaat had, moest hij daar ook misschien eens aan gaan denken. Alleen al als woordvoerder zou hij het zoveel makkelijker kunnen krijgen. Ondertussen bleek de uitspraak al gevallen en de dokter riep hem ein-de-lijk naar binnen.

De arts onderzocht meneer Deugd grondig en vroeg: “hoe lang heeft de man al koorts?”
“Koorts? Dat weet ik niet. Maar hij ligt al drie weken op bed en drinkt nou alleen nog maar wat water. Zijn vrouw is enorm bezorgd dat ie het niet gaat redden. Wat denkt U dokter dat er scheelt?”
“Wat er aan scheelt is nogal wiedes man. Dat ziet iedereen toch wel?”
“Heu? Pardon hoor, ik ben al jaren Granman. Maar ik heb nog nooit zoiets gezien. Dus!”
De geneesheer keek Maron oprecht verbaasd aan en zei: “goudkoorts kerel, de man heeft goudkoorts!”
“Goudkoorts?”, was nu Maron op zijn beurt oprecht verbaasd. Daar had ie nou nooit aan gedacht. Maar als dat waar was, dan … nee, daar moest hij nu niet aan denken.
“Wat denkt U dokter? Kunt U hem nog redden?”
De arts legde zijn stethoscoop neer en ging met een zucht zitten.
“Ik heb eerlijk gezegd geen enkel idee. Wat ik wel weet, is dat we steeds vaker van dit soort gevallen binnen krijgen. Ik zit nou tegen m’n pensioen aan en benijdt mijn opvolger niet. Is het geen goudkoorts, dan zijn het wel doorgesnoven neuzen of veels te volle zakken. Maar enfin”, stond hij weer op. “We zullen hem aan het infuus leggen en hopen. Als hij de morgen haalt, geef ik hem alle kans”, waarna de arts weer de wachtkamer inliep en met de volgende in een kamertje verdween. Meneer Deugd werd op de gang gelegd en nog net niet af. Het infuus werd aangebracht en een duidelijk oververmoeide zuster zei, dat ie beter morgen terug zou kunnen komen. Want meer dan dit was er toch niet aan meneer Deugd te doen.
Eenmaal buiten liep hij gedachteloos naar de rotonde en daar herkende hij de naam. De straat was vernoemd naar ene dokter Sophie R., maar dat was niet wat hem op andere gedachten bracht.
Hij liep de lange straat in die naar het centrum van de stad voerde en stopte ter hoogte van de begraafplaats en keek omhoog.
‘Ja, hier moet het zijn.’
Zelfs Maron wist, dat als je in de stad was, je niet eerder weg kon eer je Ma was gaan groeten. Ma is een zeer bekende persoonlijkheid. En niet geheel onbelangrijk; als oudste nazaat van de allerlaatste ouderwetse Granman, die in tegenstelling tot de moderne door iedereen wel geliefd was, nog immer van zekere invloed.
Ma wist hem te vertellen waar de nieuwe Granman woonde. En even later zat Maron in taxi, die hem bij het paleis afleverde.
Onderweg had hij bij een Chinees een fles Borgoe Gold gekocht en stond nu in de hete zon te kijken naar het enorm smetteloos witte paleis van de Granman, die een groot deel van het volk als de nieuwe superheld Suriman ziet.


“Granman Suriman! Hallootjes, ik ben er!”, begon Maron te schreeuwen. Toen er niets gebeurde, liep hij het pad op en klom over het hek. In no time werd ie in de kraag gevat door Paleiswachter en stond niet veel later tegenover zijn collega.
“Eindelijk ontmoet ik U dan in persoon”, en Maron reikte hem de fles Borgoe aan. “Nou, pak ‘m dan joh. Ik ben het. Ik kom op audiëntie bij je. Om je hand te schudden?”
“Wie is die flapdrol?”, hoorde Maron zijn ambtsgenoot fluisteren tegen Paleiswachter.
“Flapdrol? Zeg ho even ja. Ik ben Maron van Rustwijk, Granman van Langatabbetje!”
Suriman keek Maron aan en barstte in lachen uit. “Jij? Een bakra met een feestpruik? Ga weg mang.”
“Bakra? Ik ben Maron van Rustwijk! Trotse marron met echte rasta en niet zo’n laffe kale creool als jij!”
Meteen ontaarde de audiëntie in een straatgevecht. Hoewel het toch echt in het paleis begon. Daar vloog Suriman over tafel Maron bij de keel en ze rolden al worstelend het balkon op. Even later hield Suriman de arme Maron over het balkon bij de rasta’s. Maron begon heel hard te gillen, dat ie Granman van Langatabbetje was. Maar hij werd overstemd door Suriman die nog harder gilde dat hij Suriman was, Granman aller Granmannen. Totdat Paleiswachter zei: “Baas, volgens mij is het toch geen pruik?”
“Wel verdraaid”, zei Suriman. Want inderdaad bengelde Maron nog immer over het balkon. Als hij een pruik op had, had ie al lang moeten vallen.
“Sang, dus wat nu?”
“Ik heb geen idee meneer. Maar ik zou hem maar niet alsnog laten vallen, te veel getuigen.”
“Auw auw auw!”, bleef Maron jammeren en Suriman wist even niet meer wat te doen. Laten vallen kon hij niet. Maar om hem nu weer binnen te halen wilde ie ook niet.
Besluiteloos stond Suriman daar te staan, totdat hij tegen Paleiswachter zei; “bel Kaaiman, nu!”
Paleiswachter liep naar binnen en verwittigde telefonisch raadsheer Kaaiman  van de situatie op het balkon. Daarna keerde hij terug op het balkon.
“En?”
“Raadsheer Kaaiman zegt geduld te hebben Baas. Hij laat weten blijven wachten Baas en dat een oplossing nabij is.”
Niet veel later zagen ze militairen met dranghekken slepen en het verkeer werd omgeleid. Langzaam maar zeker liep het plein vol met mensen van heinde en verre. En in no time als het ware keken ze uit over een met paarse vlaggetjes gekleurde mensenmassa. Al die mensen waren gekomen om Suriman te steunen in deze heikele balkonkwestie. Buiten adem kwam raadsheer Kaaiman aangelopen en zei opgetogen; “wat mensen allemaal niet voor een paar SRD voor U willen doen. Dit is echte liefde, die alleen opgebracht kan worden voor Suriman.”
“Allemaal leuk en aardig Kaaiman. Maar ondertussen mag ik dan wel een superheld zijn, maar zelfs een superheld kan kramp in zijn arm krijgen hoor.”
“Dan laat U hem toch gewoon los?”
“Maar al die getuigen dan?”
“Moment”, en de raadsheer liep naar beneden. Hij ontrolde daar een enorm spandoek, die hij voor de mensenmassa omhoog hees. Door een megafoon werd de menigte opgehitst, die als één man heel hard begon te gillen: “Laat Gaanman! Laat Gaanman! Laat Gaanman!”
“Gillen ze dat nou echt?”
“Jawel meneer, ik hoor ook duidelijk dat U hem moet laten gaan.”
“Dan gaan we dat maar doen.”
“Als je dat potdomme maar laat …”, hoorden ze Maron nog net zeggen, toen Suriman hem losliet.
De menigte ging helemaal uit hun dak en Maron viel keihard in een ondraaglijke pijn van de impact op de grond en verloor het bewustzijn.


“Grietjebie! Grietjebie!”, ontwaakte Maron nu in een helse pijn en keek in het zorgelijke gezicht van de geneesheer die hij nog niet zo lang geleden ontmoet had.
“Zo, je bent weer bij de mensen.”
“Zo voelt dat anders niet. Hoe lang ben ik out geweest?”
“Je bent vannacht binnen gebracht en het is nu half zeven in de ochtend.”
“Wat is gebeurd?”
“Je wilde handje schudden. Toch zuster?”
“Dat heeft meneer in ieder geval de hele nacht liggen ijlen.”
“En dat is vermoedelijk uit de hand gelopen. Maar wees gerust, ik denk dat je er wel weer bovenop gaat komen.”
“Oh … okay. Hoe is het trouwens met meneer Deugd?”
“Wie?”
“Meneer Deugd! De man die ik gisteren binnen heb gebracht. De man met die verschrikkelijke goudkoorts.”
“Ik heb geen flauw idee waar je het over hebt.”
“Ja hallo! Ik ben toevallig wel de Granman van …”
Slap viel Maron weer achterover, nadat de arts de zuster opdracht gegeven extra morfine te geven. Hoofdschuddend had ze de infuuskraan helemaal opengedraaid en zei; “moet een enorme klap zijn geweest. Hij bazelt zo al de hele nacht.”
Maron werd in een kunstmatige coma gehouden in de hoop op meer neurologisch herstel. Na weken van onzekerheid maakten ze hem weer wakker.
“Wie ben ik?”
“Je bent de Granman van Langatabbetje.”
“Oh ja, hoe lang lig ik hier al?”
“Te lang. Vraagje, wie is meneer Deugd?”
“Nooit van gehoord.”
“Uitstekend, U bent genezen.”
“Dan moet ik maar gaan. Maar voordat ik ga, kunt u mij nog de weg naar huis wijzen? Want dat ben ik even kwijt. Is dat trouwens normaal?”
“Jawel hoor. Het zal even duren nog. Uiteindelijk verwacht ik dat u zich weer alles zult herinneren. Okay, Langetabbetje. Dat is hier de zaal uit, links de trap af en dan via Suriname is de kortste weg. Toch zuster?”
“Jawel, via Suriname kan je het niet missen.”
“Dank u wel dokter, zuster.”
‘Geen dank Maron, geen dank.”

In de verte zag hij zijn moeder de was doen bij de grote rots. Hoewel de stroming stevig was en hij al een tijdje aan het pagaaien was, pagaaide hij er nog wat bovenop. Even later viel hij in de armen van zijn moeder. Nu hij de rots weer zien kon, kwam het bloed terug. De val van het balkon ook en zelfs meneer Deugd realiseerde hij zich; “meneer Deugd! oh meneer Deugd. Hoe vertel ik dat mevrouw Deugd?”
Maron werd overmand door emoties, dat in zijn huidige toestand nou net niet het beste was dat kon gebeuren. Hij kreeg een flauwte. Het was dat hij in de armen van zijn moeder lag. Anders was de rots vast weer rood gekleurd.
Heel misschien zou dat wel het beste einde geweest zijn van deze torie. Maar nee, de lezer zal nog even vol moeten houden.
Dat wat op het eerste gezicht op een flauwte leek, bleek gewoon een keihard out gaan te zijn. Bezorgd klopte moeder Rustwijk aan bij alle dorpsbewoners, die zich verzamelden aan de oever. Daar viel het besluit al snel; het was tijd voor pemba dotti. (witte klei gebruikt in winti-ritueel red.)
Voorzichtig begonnen ze Maron in te smeren met de witte klei. Hoe meer ze smeerden, des te meer voelden ze zich verwant met de doden. Op een geven moment smeerden ze geeneens meer, maar pleurden ze er zo hele dotten van pemba dotti op. En daar lag Maron onder een onordentelijke soort van piramide van pemba dotti, die behoorlijk begon te drukken. Zo hard, dat ie in paniek bijkwam en zich probeerde te ontworstelen aan die klei. Het was daar veel te glad voor en slechts een hulpeloos gespartel konden de dorpelingen aanschouwen.
“Het werkt, het werkt”, zei moeder Rustwijk. Daarna sloot ze haar ogen en ging op zoek naar haar voorouders.
En zo werd Maron één met de doden. Het was louter aan de pemba dotti te danken, dat hij aan alle kwade geesten ontkomen kon. Maron werd uiteindelijk naar de rivier gesleept, waar hij gewassen werd, dat de rots wit deed kleuren. Het water deed hem iets meer bijkomen. Nog steeds behoorlijk in trance, vroeg hij; “zo, was ik nou out?”
“Ja”, hoorde hij iemand zeggen, “je had zelfs geeneens meer in de gaten; dat je de deugd vermoord had.”
“De deugd? Je bedoelt toch niet …”
Hij werd weer rigoureus ondergedompeld in het water en het kwam daar in een flits aan hem voorbij. Hij had het altijd veels te licht opgevat, zo besefte hij in de diepte. Of het een watramama (watergeest red.) was, die hem de ogen opende; dat weet ik niet. Maar duidelijk werd het wel voor Maron, dat hij als Grandman de deugd had moeten waarborgen. Iets dat niet alle Granmans gegeven is. “Want hoe dan laat je zo een collega van het balkon flikkeren?!’, werd hij toch weer een beetje boos.
Maar zelf was hij echter ook niet zonder zonde. De goudconcessies die hij de vreemdeling verleend had, had ook bijgedragen aan de dood van meneer Deugd. En daar, toen hij nog dieper onder water werd gehouden, nam hij zich voor om mevrouw Deugd een bloemetje te gaan brengen. Uit respect voor haar man en in de hoop dat dat haar deugd zou doen. Hij zou de goudconcessies verscheuren, ze zouden met het hele dorp dan …
En dieper en dieper duwden ze hem de donkere Marowijne in. Zo diep dat het zilt begon te proeven.

“Hè? Zout?”, pruilde Marcos met zijn lippen en keek tegen het schuine dak aan met gevlekte poster van LUV. Hij hoorde de duiven in de dakgoot koeren en dacht; ‘verrek, I’m bek!’
“Zo! Sje-sus! Wat een droom, wat-een-droom!”, sprak hij tegen zichzelf, toen hij de trap afliep naar de badkamer.
Langzaam kwam die hele toeslagenaffaire terug en snapte hij dat zout op zijn lippen.
“Heb gewoon de hele nacht liggen janken zeg.”
Blij dat ie dat raadsel opgelost had, begon ie te fluiten dat ie the greatest lover en zo was.
Hij opende de kraan en liet fluitend de wasbak vollopen. Hij nam twee volle handen met ijskoud water en gooide dit tegen zijn klaasvaakgezicht aan.
“Wakker worre Marrekie”, en hij herhaalde dat nog een paar keer.
En jawel, eindelijk voelde hij zich weer verfrist worden. Zijn ongebruikelijke optimisme wakkerde weer aan en met een uit volle borst gekierde; “hahahaha!”, stapte hij de douche in. “Laten ze nou helemaal de zenuwe krijguh met hun stomme toeslagen! Hahahahaha!”
Hij had het nog niet gezegd, of zijn adem stokte. Want zag hij nou klei door het afvoerputje gaan?
“Het zal toch niet”, en hij liep snel naar de spiegel. Hij was nou helemaal wakker. Daar zag hij onomstotelijk, dat ie onder de wiitte klei zat.
“Pemba dotti?”, fluisterde hij tegen zichzelf. “Is het dan toch … Nee!”, besloot hij daadkrachtig en liep de douchecel weer in.
“Gewoon laten gaan man, niks gebeurd man, gewoon laten gaan man!”, en hij begon me daar toch fanatiek te sponzen.

 

 

 

2 Replies to “Laat Gaanman, een torie in rastalagen.”

  1. geachte heer, ik ben de schrijfster van het boek suriman. ik zou het zeer op prijs stellen dat u de afbeelding van mijn boek en van boutserse meteen verwijderd. daarnaast suriman is mijn merk recht!!!!!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

RSS
Follow by Email