Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk XIV: Glaasje water voor de Raaf

Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk XIV: Glaasje water voor de Raaf

Hoofdstuk XIV    Glaasje water voor de Raaf

 

Na de koffie kwam de schok pas.
Rinus zei nog, dat er daarvoor geen genoeg plek was aan de kleine keukentafel van Kievit. Maar de Raaf luisterde niet meer, kon ie gewoonweg niet meer. Hij schoot stijf als een plank achterover en duwde Billy, Jack en Rinus zowat van het bankje.
“Ik zei toch?”, wilde Rinus nog zeggen. Maar voordat ie dat kon, sloeg de Raaf loeihard met zijn achterhoofd tegen de muur, dat het Bonaservies op het plankje boven hem deed rinkelen. Zijn toch al lange benen strekten zich meteen daarna in een enkel spasme uit tot zo mogelijk nog langer. De hele keukentafel schoof hij daarmee hard tegen Kievit en Hollestelle aan, die tegenover hen zaten. In verbazing keken de mannen nu naar de Raaf, die stijf als een plank schuin vast stond geklemd tussen de tafel en de muur.
“Dit komt normaal gesproken”, sprak Billy en zette zijn bril af, om deze schoon te gaan wrijven met de rand van het tafelkleed; “pas na een tijdje.”
“Wat komt na een tijdje Billy?”, vroeg Jack aan het andere uiteinde van de bank.
“Zo’n posttraumatische stressuiting”, wees Billy naar de Raaf. En hij zette zijn bril weer op.
Kievit en Hollstelle konden niet meteen opstaan, wisten ze. De arme de Raaf zou dan zo maar ongecontroleerd onder tafel kunnen belanden.
Billy en Rinus staken ieder een arm onder de oksels van de Raaf. Daarna dorsten Kievit en Hollestelle op te staan. Jack schoof de tafel aan de kant en iemand vroeg, waar ze hem veilig konden neer leggen.
“In de slaapkamer”, zei Kievit. “Door deze deur is het …”
Zachtjes legden ze de Raaf op het bed van Kievit. Rinus schoof als laatste het hoofdkussen eronder en zei; “zo de Raaf, zo lig je beter.”
“Hoe lang duurt normaal gesproken zoiets Billy?”
“Pfoeh? Valt geen pijl op te trekken, ben ik bang. Ik ken gevallen die zo als onderdeel van de kist zelf zijn begraven.”
“Dat meen je niet Billy?”, vroeg Rinus onthutst.
“Ik ben bang van wel. Als de stress zich eenmaal zo heftig uit, zit er niks anders op dan wachten en hopen op het beste.”

Kievit sloot de gordijnen en zei; “ik neem aan, dat jullie niet alleen voor de koffie kwamen?”
“Nee Kievit zeker niet.”
Ze liepen terug de keuken in en Hollestelle legde uit, wat ze van hem verlangden.
“Een wichelroede? Waarom ik?”
“Omdat jij de enige vakman bent op dit eiland en ik durf te stellen nog wel verder dat ons eiland, die de nodige vaardigheden bezit.”
“Oh? En wat zijn die dan?”
“Billy?”
“Ja, juist ja. Een goede wichel dient de wichelaar meneer Kievit.”
“Ik heet Kievit.”
“Juist ja. Wat ik daarmee wil zeggen; is dat hij of zij die achter de wichel aanloopt, een verzekerde indruk moet krijgen van waar naar toe te lopen. Daarmee bedoel ik tevens te zeggen; dat de wichelroede perfect gebalanceerd moet zijn uitgevoerd. Want anders dan de meer bekende wichelroedes, die dus niet werken heeft de wetenschap inmiddels al aangetoond, maakt onze wichel gebruik van een ‘pointer’. Deze pointer moet zich zo vrij mogelijk kunnen bewegen en zo min mogelijk wrijving ondervinden om de juiste weg te kunnen wijzen.”
Kievit keek Hollestelle en Rinus aan, alsof die dikke man met die jampotglazen knettergek geworden was.
“Kievit …”, zei Rinus dan ook daarop, “… mag ik eerlijk zijn Chef?”
“Dat duurt het langst Rinus, ja.”
Kievit werd op de hoogte gesteld van het best wel mystieke karakter van de huidige outbreak alsook hun speurtocht naar antwoorden.
“Zonder de juiste antwoorden weten we helemaal niks Kievit.”
“Kijk, dat snap ik wel meteen. Heel anders dan wat Billie zonet vertelde.”
“Billy.”
“Ook goed. Ik ken jou niet Billie. Dus als jij het nou even uitlegt aan Hollestelle en Rinus, dan leggen die het weer aan mij uit.” Kievit draaide zich abrupt om en liep naar de werkplaats, in ieder geval Billy in verbazing achter latende.
“Neem het hem niet kwalijk Billy. Het is en blijft Kievit.”
De mannen liepen ook naar de werkplaats, waar Kievit al met een bezem in de weer was.
“Als jullie me nu eens helpen opruimen om deze rotzooi op te ruimen? Zo schiet het anders nooit op.”

De fietsenwerkplaats van Kievit was natuurlijk niet zo maar even snel opgeruimd en hersteld. Maar Kievit stond er op, dat eerst alles weer werd teruggebracht in de staat van voor de ramkraak. Anders kon hij nog geeneens een fietsband plakken. Ondertussen breidde de haard zich uit over alle eilanden, maar dankzij de Lockdown niet verder dan de provinciale grenzen. Nadat commissaris Suykerbuyk die andere commissaris van de Koning gerustgesteld had; dat de gevonden lichaamsdelen niets met zijn achtertuin te maken hadden, nam de commissaris van de Koning het heft stevig in handen. 
De zeven kleuren stront epidemie kreeg die naam vanwege zeven kleuren stront. Maar dat verschilde dus wel per besmetting. Zo scheet de ene paars en de andere geel. En ook waren er gevallen bij, die gewoon bruin bleven schijten met slechts lichte buikkrampverschijnselen. Eén ding stond wel vast. Het was zo besmettelijk als de neten. 
De besmette eilandbewoners werden in quarentaine gezet naar kleur stront, dat in de triagetenten eerst moest worden vastgesteld. De GGD had al snel door, dat besmetting ook via de pot thuis plaats vond. Thuis uitzieken was geen optie. Na het vaststellen van de kleur, werden de gele gevallen naar het gele weiland vervoerd en de paarse naar een paarse akker. Binnen enkele uren al lag het zo vertrouwde landschap er net zo kleurrijk bij als de Keukenhof. Alleen rook het anders. Zo snel liepen de weilanden vol, dat een anderhalve hoop afstand ingesteld werd, waarmee verbazingwekkend snel nieuwe besmettingen begonnen terug te lopen.
Hoewel deze ontwikkeling erg positief was, was er nog geen zicht op enige genezing. Artsen begonnen dan ook nog ongeruster te worden dan ze al waren. Er zou binnenkort een punt komen, waarop er een onomkeerbare omslag komen zou. En die kwam er.

In het oranje weiland zat Lenie Zuyderwijk op haar hoop te breien. Lenie had al genoeg leed ondervonden, dat dit haar weinig deed. Ze nam het leven zoals het kwam. En dat kwam nu in de kleur oranje. Om haar heen stonden en zaten de mensen ook op hun hoop. Men verdreef de tijd met spelletjes, zoals ‘ik zie ik zie wat jij niet ziet’. Op een rare manier genoten de mensen zo toch nog een beetje van hun gedwongen quarantaine. Al zaten ze allemaal op hun eigen hoop; het gevoel dat ze samen in één schuitje zaten, groeide wel met het uur.
Halverwege het spel voelde Lenie weer een kramp opkomen. Deze voelde heel anders dan de gebruikelijke. Al die andere krampen begonnen met wat onschuldig aanvoelend geborrel. Deze kwam als bij toverslag en binnen een seconde zat Lenie weer een stukje hoger.
“Ik zie ik zie wat jij niet zit”, was haar buurman nu aan de beurt. Die keek even goed om zich heen, om iets in gedachten te nemen. Ze hadden toch alle tijd. Toen zijn blik op Lenie rustte, begon hij te lachen. Lenie glimlachte terug, onwetend van het feit dat haar buurman dacht; ‘deze raden ze echt nooit!’
“Ik zie ik zie wat jij niet ziet”, gilde hij op zijn hoop, “en het is zwart!”
Wel, dat hield de gemoederen op het oranje weiland wel even een tijdje bezig. Er werd van alles geroepen. Maar iedere keer zei de man, die aan de beurt was, helemaal in z’n nopjes; “neen, oh nee! Neenee, ook niet!”
Het paarse weiland en de bruine akker aan weerszijden van het oranje weiland begonnen zich er nu zelfs ook mee te bemoeien. Want dat na al die uren het gehele oranje weiland radeloos zat, ging er bij hun niet in.

Tegen de tijd dat het medische team voor hun periodieke ronde aankwam, was het opgewonden geroezemoes overal te horen.
“Wat is er aan de hand?”, vroeg een geneesheer aan iemand, die op zijn bruine hoop langs de sloot van de weg zat.
“We weten het nog niet! We zijn al een halve dag bezig met hetzelfde raadseltje? Maar we komen er nog steeds niet uit! Daar”, wees hij op de naast liggende kavel; “daar zit een ware genie op z’n hoop hoor.”
Nu de interesses anders waren komen te liggen, dan dat ze lagen voor de outbreak, begon de geneesheer deze keer zijn ronde op het oranje weiland. Bij de trotse bezitter van de recordhouder aangekomen, bleef hij staan. Zitten mocht hij om medische redenen niet.
“Gefeliciteerd met je record.”
“Dank je”, zat de man trots te zitten op zijn hoop.
“Hoe is het verder? Ik bedoel met de ziekte.”
“Eigenlijk hetzelfde dokter, nog steeds oranje stront.”
“En hoe is het met U?”, informeerde de arts bij Lenie.
“Eigenlijk ook hetzelfde. Hoewel de laatste kleur wel heel snel naar buiten kwam.”
De arts keek naar haar hoop. Zijn adem werd even ontnomen door de geur, maar deze keer ook door zijn grootste angst. Hij zette zijn handen om zijn mond en begon heel hard te gillen naar de rest van het team; “code zwart! We hebben een code zwart!”
Verbaasd keek Lenie naar haar hoop en inderdaad was het laatste hoopje niet oranje maar nu zwart.”
“Hoopvol keek ze op naar de arts en vroeg; “betekent dit, dat ik aan het genezen ben?”
“Misschien?”, was het enige dat de arts eruit wist te brengen zonder te hoeven liegen.

Tegen de avond was het wrak van the Raven geborgen. De ingang van de fietsenzaak was met boardmateriaal winddicht getimmerd. En de werkvloer een laatste keer nog eens goed aangeveegd. Daarna deelde Kievit emmers met sop uit aan de mannen en zei: “alles moet ruim in het sop, alles.”
“Komaan Kievit”, zei Rinus, nu wel protesterend.
“Ik vind ook dat je nou te ver gaat Kievit. De boel is helemaal aan kant. Dus kunnen we nu eindelijk eens gaan beginnen aan de wichelroede?”
“Niet zonder de Raaf”, zei Kievit.
“Ik dacht, dat jij je buurman niet uit kon staan.”
“Rinus!”, keek Kievit hem nu boos aan. “Hij ligt in mijn bed! Mijn bed!”
De mannen schrokken van deze uitbarsting. Maar aan de andere kant waardeerden ze ook zijn getoond gevoel van medeleven naar zijn buurman toe.
“Tja”, was het Jack die zei; “je zei het zelf Rinus. Als je eenmaal binnen bent, ben je ook echt binnen bij Kievit.”
“Precies Jak!” En tegen Hollestelle; “verrekt aardige toerist die Jak.”
“Het is Jack Kievit.”
“Allemaal leuk en aardig Kievit”, nam Hollestelle nu weer even de leiding; “maar het belang van de wichel overstijgt helaas dat van de Raaf. Als we maar iets konden doen voor de Raaf, zouden wij de eersten zijn die dat meteen zouden gaan doen. Maar Billy zei het toch? We moeten afwachten en hopen.”
“Billie weet ook niet alles”, zei Kievit en duwde een volle emmer sop in de handen van Hollestelle.
“Het is Billy.”
“Eerst boenen!”, zei Kievit eigenwijs en begon zonder verder nog een woord vuil te maken met schrobben en boenen.
Na een uurtje zat de hele zaak onder het sop en vroeg Rinus om doeken.
“Niks afnemen”, zei Kievit en pakte een hoge drukreiniger uit een metalen kast. Even later renden de mannen het kleine halletje in. Kievit nam namelijk geen halve maatregelen. Al het sop werd met de hoge drukspuit weggeblazen. Pas toen hij het laatste restje sop door de grote afvoergoot had gespoten, riep hij; “het is veilig, jullie kunnen weer terug.”
Hij zette de hoge druk reiniger terug in de kast en keek triomfantelijk naar de mannen.
“Eindelijk!”, zei hij en bukte zich. Hij trok zijn blauwe overschoenen uit en als een kind zo blij, stond ie te dansen op de brandschone werkvloer. Na zijn optreden ging hij voor de mannen staan en zei; “dank jullie wel. Ik had geen minuut langer niet op blote voeten meer kunnen leven.”
Blij als een kind bleef Kievit de mannen enthousiast aan kijken. Die keken op hun beurt naar de bekende zwarte en dikke voeten van Kievit. Tijd om zich over dat toch altijd maar weer schokkende beeld te verwonderen, kregen ze niet. Kievit schoof ze hard opzij en zei; “als ie hier niet van bij zijn positieven gaat komen, gaat de Raaf dat nooit meer.” En Kievit liep vastberaden het halletje in.

Even later stonden ze om het bed van de Raaf, die nog steeds zo stijf als een plank lag te liggen.
“Ik zie geen enkele verbetering Chef”, fluisterde Rinus.
“Ik ook niet”, zei Hollestelle, “en stop met fluisteren Rinus. Het is en blijft de Raaf.”
“U heeft  gelijk Chef, maar … Zeg! Kievit?! Wil je daar onmiddellijk mee ophouden!”
In opperste verbazing zagen de mannen, hoe Kievit schrijlings aan het voeteneind was gaan zitten, achterstevoren. En zo leek hij zich beetje bij beetje naar het andere eind van het bed te begeven.
Hollestelle weigerde te geloven wat hij zag. Jack en Billy konden ook alleen maar slechts toekijken. Uiteindelijk had niemand de juiste woorden om Kievit te zeggen, dat ie daarmee echt moest stoppen.
“Zo, ik ben er”, zei Kievit, die nu op kruishoogte was aangekomen en zich op zijn handen op de enkels van de Raaf lag af te steunen.
“Walgelijk!”stootte Rinus het er uit. “Ik eis dat je onmiddellijk hiermee stopt! We hebben gasten”, probeerde ie als laatste nog; in een verbale wanhoopsdaad Kievit te bewegen daar mee te stoppen.
“Het is niet wat je denkt Rinus”, kreunde Kievit nu. En hij begon zijn benen omhoog te bewegen.
“Dat is het! Genoeg is genoeg Kievit! Ik commandeer je hier ogenblikkelijk mee te stoppen”, zei Hollestelle nu behoorlijk boos en zeer aangedaan.
“Ik kreun, omdat ik mijn voeten … ja .. zo ja! Eindelijk, daar gaan we.”
En met een redelijk vaartje liet hij zijn voeten vallen, best wel hard op de bovenlip van de Raaf.
“GADVERDAMME!”, gilde de Raaf vrijwel meteen en keek tegen de smerigste voeten ooit aan. Hij probeerde uit bed te komen, maar de Raaf was best nog wel stijf.
“Goed zo de Raaf”, kreunde Kievit, die zich uit alle macht in deze uiterst ongewone positie in evenwicht probeerde te houden.
Nu pas drong het pas echt goed tot de Raaf door. Dat waren de voeten van Kievit! En Kievit zelf lag boven op hem?!
“SMERIGE VIESPEUK!”, krijste de Raaf nu en wierp Kievit van zich af. Hij sprong in blinde paniek uit bed en stommelde tegen de mannen aan.
“Wat?! En jullie staan er ook nog bij te kijken?! Stelletje … vies stelletje … ontzettend smerig stelletje …”
“… vrienden”, lachte Hollestelle in aanvulling. De commissaris huilde zowaar van blijdschap, toen hij de Raaf in zijn armen nam. Rinus, Jack en Billy konden niets anders dan te participeren in een spontane grouphug.
“Je bent weer terug”, zei Rinus en drukte de Raaf nog even stevig tegen zich aan.
“Oooo-kay! Nu wordt het helemaal ongemakkelijk!”, zei de Raaf, die daarna plotseling onbedaarlijk begon te huilen.
Geschrokken lieten de mannen hem los en zelfs Billy wist even niet wat hier van te maken.
“Kan er nou niemand een glaasje water voor die man halen?”, zuchtte Kievit, die vanachter het bed opkrabbelde.
“Natuurlijk”, haastte Rinus zich te zeggen en rende naar het keukentje.
“Hier de Raaf, een glaasje water”, kwam hij even later terug.
“Allemaal mijn slaapkamer uit. De man kan nu pas beginnen zijn verdriet te verwerken”, zei Kievit, die zelf als laatste de deur dicht wilde trekken.
“Kievit?”
“Ja de Raaf?”
“Dank je buurman.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

RSS
Follow by Email