Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk X: Vinger in de pap

Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk X: Vinger in de pap

Hoofdstuk X     Vinger in de pap

 

“Jaja de Raaf, we zijn wakker”, sprak de commissaris, lichtelijk geïrriteerd dat hij dit zo gemist kon hebben.
“We konden dat toch niet weten Chef?”, probeerde Rinus, op zijn gebruikelijk onvoorwaardelijke wijze zijn Chef bij te staan.
De Raaf zei niks, uit respect voor de twee mannen aan het bureau. Dat ze nu wakker werden, beschouwde hij niet als zijn verdienste. Hij zag het slechts als een logisch gevolg van ontwikkelingen.
“Verder nog wat gebeurd?”, vroeg de Raaf, om de zinnen te verzetten.
“Zoals?”
“Zoals de reden van deze lockdown?”
“Oh ja natuurlijk”, zei Rinus en zette zijn bekertje neer.
“Er zijn lichaamsdelen gevonden in de achtertuin van de … die man van de Koning.”
“Commissaris van de Koning Rinus”, zuchtte Hollestelle, nog steeds proberend te achterhalen; waarom hij de ontdekking van de Raaf zo gemist had.
De Raaf werd bijgepraat. En weer was het de Raaf, die opsprong en zei: “dan moeten we onmiddelijk naar Bergen! Die kunnen alle hulp gebruiken.”
“Wat weet jij, wat wij weer niet weten?”
“Eigenlijk niks mannen. Maar het lijkt me nog altijd beter, dan hier zo tegen lege bekertjes aan te blijven zitten kijken.”
“Maar we zitten in lockdown de Raaf.”
“Beste Rinus, jij hebt toch vast wel een blauw zwaailichtje hier ergens liggen? Eentje die we op the Raven kunnen zetten?”
En even later reden ze met wel vier blauwe zwaailichten op de camper de dijk op.

Ze werden ontvangen in het oude buro door commissaris Suykerbuyk om de pers te ontlopen.
“Excuseert U mij deze armoedige omgeving. Maar het leek mij beter jullie hier te ontvangen i.p.v. op ons nieuwe buro. Deze cel is de enige zonder raam. Dus laten we het hier maar het beste van maken. Desalniettemin een heel hartelijk welkom heren.”
“Geheel begrijpelijk collega”, zei Hollestelle, die op een oude brits ging zitten.
“Geeneens een koffieautomaat”, mopperde Rinus, die naast zijn Chef plaatsnam.
De Raaf schoof twee oude stoelen van de gang aan, waar hij en commissaris Suykerbuyk plaats op namen. Zo zaten de mannen tegenover elkaar in de enige ruimte zonder ramen.

“De reden van onze komst is, om onze hulp aan te bieden bij een zo spoedig mogelijke identificatie van de gevonden lichaamsdelen. Misschien hebben deze niets met onze zaak te maken. Beschouw ons aanbod dan maar als pure collegialiteit.”
“Dank daarvoor. Ja, ik heb zojuist nog gebeld naar het lab. Ze hebben weliswaar een DNA-profiel nu, maar in geen enkele bank hebben we een hit gekregen.”
“Misschien kan ik daarbij helpen”, sprak de Raaf, die zijn hand uitstak. “Ik ben de Raaf, slager van Serooskerke. Doch ook al jaren werkzaam als patholoog anatoom in onze regio.”
“Aangenaam de Raaf. Maar ik weet niet wat jij meer kan doen, dan wat ze in het lab al hebben gedaan.”
“Even uit interesse, zat er een wijsvinger tussen?”
“Ik heb geen idee. Dat zou ik even moeten navragen.”
“Graag en indien zo, zouden ze die dan hier naar toe kunnen brengen?”
Hollestelle zag de twijfel in de ogen van zijn collega en sprak: “de Raaf is niet je doorsnee patholoog anatoom. Op meerdere gelegenheden heeft hij zich van onschatbare waarde getoond en succesvol bijgedragen aan vele onderzoeken die met succes zijn afgerond.”
“Okay”, haalde commissaris Suykerbuyk zijn mobieltje uit zijn zak en belde naar het lab.
“Ja ik weet de uitslag al. Maar wat ik verder nog even wilde weten, zit er een wijsvinger bij? … Ja? … Een rechter zeg je? … Zou je dan een bode kunnen sturen naar het oude buro? … Ja, met die vinger natuurlijk … Prima, dank je wel.”
“Dan moeten we daar nu op wachten. En een rechter wijsvinger zo waar is echt heel goed”, zei de Raaf.
“Weet U zeker dat er niet ergens nog een koffieautomaat staat hier?”, zat Rinus zich te verbijten in het vooruitzicht te moeten wachten zonder een kopje koffie.
“Ik heb echt geen idee, voor zover ik weet …”
“Ik ga wel even kijken”, stond Rinus op en liep de cel uit.
Nog geen tien minuten later kwam Rinus terug met 4 dampende mokken koffie.
“Allemachtig Rinus, hoe heb je dat voor mekaar gekregen?”
“In de keuken stonden nog wat spullen Chef. Ik heb het wel met de hand moeten zetten.”
“Mijn hemel!”, riep commissaris Suykerbuyk, na een eerste nip. “Wat een waanzinnig heerlijke koffie?!”
“Rinus, aangenaam”, stak nu Rinus pas zijn hand uit ter kennismaking.
“Sjongesjonge Rinus! Echt heel lekker zeg. Jij bent van de koffie?”
“Rinus is mijn adjudant Suykerbuyk. En een goede bak koffie is slechts één van zijn vele talenten.”
“Ik kan er nog niet over uit. Rinus, als deze hele boel over is, dan moet je het ons ook leren hoor. Zou je dat willen? Alsjeblieft?”
“Natuurlijk wil ik dat”, antwoordde Rinus, die nu heel rood werd van verlegenheid. “‘t Is maar koffie.”
“Ben je mal Rinus, dit is echt niet zo maar koffie.”
“Dit is genieten”, zei de Raaf. En de hele cel kon niet anders dan dat beamen.

Nadat de bode een koelbox afgeleverd had, gaf Suykerbuyk deze aan de Raaf.
“Zullen we ons samenzijn in the Raven voortzetten? Daar ligt mijn instrumentarium namelijk.”
En even later zaten beide commissarissen en Rinus aan het kleine opklapbare tafeltje van the Raven te kijken naar hoe de Raaf met een pincet de wijsvinger op het aanrecht legde.
Na deze met een keukenrol voorzichtig te hebben droog gedept, legde hij deze in een pannetje op het vuur.
“Wat doe je nou de Raaf?”
“Ik moet de vinger ontdooien. Zo stijf heb ik er niks aan. Rustig mannen, ik weet wat ik doe.”
Even later was duidelijk te zien, dat de vinger nu slap in de pincet hing. En inderdaad lag hij er daarna meer ontspannen bij op het aanrecht dan in bevroren toestand.
“Ik neem aan dat deze vingerafdruk ook al is nagelopen?”
“Jawel de Raaf. En ook daar geen enkele hit.”
“Rinus, mag ik je camera even lenen?”
“Natuurlijk, maar …”
“Ssst Rinus, ik ben aan het werk.”

“Wat doet ie nou?”, kon commissaris Suykerbuyk zijn verbazing niet onderdrukken.
En ook Rinus en Hollestelle zaten niet met verbazing maar met verwondering te kijken naar de Raaf. Maar zij kenden hem dan ook al wat langer.
Ze zagen hoe de Raaf de slappe vinger probeerde in evenwicht te brengen op de knop van de camera. Na ongeveer 10 minuten lag de vinger, in wat ongetwijfeld een zeer wankel evenwicht zijn moest, op de knop van de camera te rusten. Het leek als het ware te zweven. En de Raaf zat van alle hoeken de vinger uitgebreid te bestuderen.
“Mmmm, dat vermoeden had ik al”, fluisterde hij uiteindelijk.
“Wat de Raaf? Wat?, fluisterde ook Hollestelle, om de vinger maar vooral niet te laten vallen.
Zonder aarzelen pakte de Raaf de vinger van de camera en gooide deze met een doffe tik terug in het pannetje.
“Ik kan nog geen conclusie verbinden aan mijn visuele observatie. Dus ik moet de vinger verder gaan ontwikkelen.”
“Ontwikkelen? Waar heb je het over man?”
“Ik heb het over ontwikkelen. Kunnen jullie de gordijntjes even dicht doen? En ook die van voren? Dan doe ik ze hier dicht.”
Even later zaten ze in het pikkedonker. De Raaf moest zich inhouden geen gebbetje uit te halen met de vinger. Maar hij was professional genoeg en knipte het licht aan. Het interieur van de camper baadde nu in een rood licht en de Raaf zei; “welkom in mijn mobiele Doka. En waar heb ik het ook alweer? … Ja, hier!”, en uit het gootsteenkastje pakte hij twee plastic flessen, die hij op het kleine aanrecht zette. Hij keek de mannen aan en sprak de woorden; “op hoop van zegen.”


De Raaf zette het pitje aan, maar zei er meteen bij; “om het proces te versnellen.”
Daarna kapte hij de vinger ruim in een bad van ontwikkelvloeistof. Dit duurde maar heel kort dankzij de hogere temperatuur van de vloeistof. Hij leegde het pannetje in de gootsteen met vinger en al en koelde deze af onder zacht stromend water. Hij spoelde het pannetje vervolgens af en vulde deze met fixeervloeistof, waar hij de vinger in legde. Terwijl de vinger goed lag te fixeren, trok hij aan een knopje rechtsboven naast het keukenkastje. Een waslijntje werd zichtbaar, die hij aan de andere kant van de camper naast het deurtje van de WC/douchecelcombinatie vast zette.
Uit een mandje, vernuftig verborgen achter een uitschuifbaar luikje, pakte hij een wasknijper. Daarmee hing hij de vinger te drogen aan het lijntje en zei; “en nu begint het lange wachten mannen. Rinus, we hebben nu wel tijd voor een kopje”

Ze doodden de droogtijd met ervaringen uitwisselen. Buiten die wisselden ze ook praktisch bruikbare en zeer handige tips en tricks uit.
“Hoe lang nog de Raaf?”
“Ik schat nog zeker anderhalf uur. Je moet de droogtijd nooit onderschatten en deze vooral nooit haasten. Uiterst belangrijke details zouden anders niet opgemerkt kunnen worden, dan wel verloren kunnen gaan. We zullen echt nog even geduld moeten hebben.”
“Zeg de Raaf”, sprak commissaris Suykerbuyk, nog erg onder de indruk van deze zeer onconventionele aanpak. “Heb je misschien iets te eten hier?”
“Ja, ik begin ook honger te krijgen”, zei Rinus.
Hollestelle zei niets, maar zijn maag knorde voor hem.
“Eens even kijken dan”, en in een zucht stond even later een soort van stevige Brintapap te borrelen in het steelpannetje. Het was zijn eigen recept en smaakte naar speklapjes, dus de mannen zaten te smullen.
“Lekker de Raaf”
“Ja, maar zo? Het is wel machtig hoor.”
“Daar vergis ik me iedere keer ook in”, lachte de Raaf, “ik maak altijd te veel.”
Na de pap wist Rinus nog net 4 volle mokken koffie te maken, maar toen was de voorraad echt op.
“Geniet er maar van mannen. De koffie is nu helemaal op.”
Uiteindelijk zei de Raaf; “het is tijd”, en hij stond op om de vinger van de lijn te halen. Reuze benieuwd naar de uitkomst, keken de mannen toe hoe de Raaf de wasknijper zorgvuldig van de lijn haalde. Maar ondanks zijn zorgvuldigheid, floepte de vinger uit de knijper en vloog als een wonderlijk projectiel door de lucht zo het pannetje in.
“Verdorie!”
“En nou de Raaf? Is alles voor niets geweest?”
“Nee nee, daarom was de droogtijd zo enorm belangrijk. ‘k Hoef ‘m alleen maar af te spoelen”, en hij stond de vinger al uit de pap te vissen. Na afspoelen en deppen met wat keukenpapier, legde hij de vinger op het plaatje van de microscoop en begon deze door het oculair kijkend te draaien. Na enig draaiwerk legde hij de vinger neer en stelde scherp.
“Potverdikkie! Potverdikkie mannen! Ik weet van wie de vinger is! Kijk maar!”
Om en om keken de mannen door de microscoop, waar ze een onherkenbare brei aan rare beelden zagen. Onherkenbaar maar na uitleg van de Raaf, begonnen ze het langzaam beter te zien.
“Kijk goed en dan gaan jullie het ook zien.”
En inderdaad, die vage brei aan beelden leek te bestaan uit wel honderd, nee duizend, neen, ontelbare fragmenten van oude zwart wit foto’s.
“Zo veel foto’s op een enkele vingertop?”, sprak commissaris Suykerbuyk in opperste verbazing. “Dat kan maar één ding betekenen. Dit moet de vinger zijn van een vakfotograaf. En wel eentje van voor het digitale tijdperk.”
“Precies! Hij is ook goed hoor”, gaf de Raaf Hollestelle en Rinus een dikke knipoog.
En natuurlijk zaten de mannen m.u.v. Suykerbuyk al aan één en dezelfde persoon te denken. Maar ze hielden zich in. Als objectieve speurders wisten zij dat dit bewijs niet hard genoeg was.
“De Raaf, je bent weer eens geniaal”, zei Hollestelle. “Maar hoe kan jij de vinger uitsluiten, als zijnde van hem waar wij aan denken? Ik bedoel, hoeveel vakfotografen zijn er wel niet? ”
“Daarom heb ik de vinger eerst met het oog geobserveerd. Hier, kijk maar”, en hij legde de vinger nu op tafel en schoof het gordijntje open. “Kijk hier maar eens naar”, gebruikte hij zijn eigen vinger om te wijzen. “Zien jullie dat?”
“Eelt. Je bedoelt eelt?”
“Dat bedoel ik. Kijk nu eens naar de vorm. Ik zeg dat de rand toch een duidelijk circumscripte holling kent niet? Of bolling hoe je er tegenaan kijkt.”
“Ja, dat zien wij ook de Raaf.”
“Als we dan deze camera pakken … Zo. Dit is de oude camera van Janus, die Rinus heeft gekocht. En als ik nou de vinger op de ontspanknop leg, zoals zo …. dan, zien jullie dat?”
“Hij past precies!”, gilden de drie mannen in opwinding alleen dan met andere bewoordingen.
“Dus dat”, zei de Raaf, “deze vinger past precies, tot en met de slijtage hier op de rand van de knop waar het chroom van is weggesleten. Door ‘deze’ vinger!”, hield de Raaf de vinger nu triomfantelijk in de lucht. “Dat, met de beelden zojuist ontwikkeld, maakt het; dat deze vinger met een zeer hoge kans van aannemelijkheid de vinger van Janus is. Ik schat toch zo gauw de kans op 99,9783 %, dat ik hier de vinger van Janus Camera in de lucht hou! Maar vraag me niet hoe. Want we hebben Janus nog bij de begrafenis gezien”, legde de Raaf de vinger teleurgesteld op tafel. “Daar heb ik geen enkele verklaring voor.”

“Misschien ik wel”, zei Rinus. “U weet dat ik altijd me erg ongemakkelijk voel bij Janus Chef. Ik heb er altijd heel veel moeite mee gehad, om hem nooit echt in de ogen te kunnen aan kijken.”
Hollestelle knikte, want Janus liep al sinds mensheugenis met die lenzen voor z’n kop.
“En dan, hoe ie zich dag in dag uit in damesondergoed wikkelde”, zei de Raaf. “Dat zag er toch niet uit achteraf?”
“Nee de Raaf”, vervolgde Rinus. “Maar toen ik deze camera kocht, voelde ik me nog meer op mijn ongemak dan anders. En nou ik er aan denk, heb ik dat onbehaaglijke gevoel ook als ik aan Molly denk Chef.”
“Verdulleme Rinus! Onder onze ogen potdomme! Onder onze ogen!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

RSS
Follow by Email