Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk XII: Tiny bubbles met zeven kleuren stront

Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk XII: Tiny bubbles met zeven kleuren stront

Hoofdstuk XII              Tiny Bubbles met zeven kleuren stront

 

Het was al donker, toen Lonnie het vrij simpele hangslot van de begraafplaats met een betonschaar doorknipte. Voorzichtig piepend opende hij het hek en sloot deze na binnenkomst weer net zo.
“Waar is het?”
“Ik weet niet Lon. ‘t Is ook zo lang geleden.”
“Waar moet ik dan op letten?”
“Oma, Lon. Kijk of je ergens Oma op ziet staan.”
Na enige uren was het Lonnie die fluisterde tussen een paar scheef staande zerken door: “pssst Molly? Hiero.”
“Ja, daar ligt ze. Hier Lon”, en ze gaf hem een schep. Zelf ging ze op haar knieën zitten en begon de grindlaag te verwijderen tot er alleen nog maar zwarte aarde in het maanlicht te zien was. Toen was het de beurt aan Lonnie, die begon te graven.
“In de fillum lijkt dit zo makkelijk”, hijgde ie even later uit. En Molly nam het over. Na enkele ploegendiensten klonk die verwachte holle tik op de kist.
“Toen gebruikten ze nog geen spaanplaat Mol. Kijk nou, gewoon nog helemaal in tact joh.”
Nadat de klep vrij lag, begonnen ze er aan te trekken. Ze vielen achterover toen de klep onverwacht plotseling los kwam. Ze gingen op de rand van het graf zitten. En met enige inspanning schoven ze de best nog wel zware deksel het graf uit.
Zich verder onbewust van de schennis liet Molly zich weer het graf in glijden en begon de half vergane klederdracht te doorzoeken.
“Wat zoek je nou Mol?”
“Ik heb nog heel wat zakgeld van haar tegoed Lon. Verdorie; alle zakken zijn leeg.”
“Zakgeld? Gaat het je om zakgeld?”
“Natuurlijk niet, maar nou ik er toch ben. Maar okay, hier zijn we voor gekomen.”
Doortastend stak ze haar hand hard in het vergane bovenlijf en trok er met een misselijk gekraak een rib uit.
“Hebbes Lon! Hebbes!”

De volgende ochtend begon met een hemelsblauwe lucht, lichtelijk fris maar toch heerlijk weer. De mannen zaten al vroeg aan de koffie op het bureau en Hollestelle begon met de vraag; “waar is Janus?”
“De fotozaak is gesloten. Ik heb samen met Billy gisteravond nog even aangebeld maar niks. Vanochtend idem dito”, zei de Raaf.
“Dat is niks voor Janus Chef.”
“Mee eens Rinus”, zei Hollestelle. “Ik heb het er vannacht nog met Jack over gehad. De eerste vraag die we beantwoord moeten hebben is, waar is Janus.”
“Of anders geformuleerd”, keek Billy door zijn dikke glazen in hoornen montuur de mannen aan, “hoe vinden we Janus?”
“Je hebt gelijk Billy. Maar hoe dan?”
“Ik denk dat er maar één ding op zit”, sprak Billy. “Wichelen.”
“Wichelen?”
“Ja, jullie hebben die vinger toch nog van Janus?”
“Die ligt in het vriesvakje van de camper”, zei de Raaf.
“Gebruiken we die als pointer, dan zou die ons zo naar de rest van het lichaam kunnen leiden.”
Het was even schakelen voor de mannen. Want op dit terrein waren ze geenszins thuis.
“Ja, wat kijken jullie nou raar”, zei Billy. “Ik zeg toch niks geks?”
“Sorry Billy”, zei Hollestelle, “natuurlijk zeg je niks geks. Dit is dan ook precies de reden, waarom ik jou erbij heb gehaald. Alleen wij zitten nogal krap in onze wichelaars.”
“Je denkt toch niet, dat de eerste de beste wichelaar hier kan volstaan? Neen, hier is een uiterst nauwkeurige uitvoering nodig.”
“Okay Billy”, vroeg Rinus, “waar halen we dan een goede wichelaar?”
“Die haal je niet zo maar. Die moet je op maat laten maken. Niet zelf maar door een kundig vakman, die weet waar ie mee bezig is.”
“Ken jij zo iemand Billy?”
“Eh nee, helaas niet.”
Op dat moment ging de telefoon.

“Met Rinus, adjudant politiepost Serooskerke en omgeving. Hoe kan ik U van dienst zijn?”
“Rinus, de Kobus hier. Wat mij nou is overkomen. Er is vannacht een graf geschonden!”
“Een graf? Van wie dan?”
“Ik ken ‘r niet, maar op de Zerk staat ‘Oma’.”
“Welke dwaas doet nu zoiets? Trouwens alles verder okay Kobus?”
Kobus was de beheerder van de algemene begraafplaats. Bij gebrek aan een praatje, hoefde je hem altijd maar 1 vraag te stellen en hij begon meteen te ratelen.
Rinus zat onderwijl het archief door te spitten en zijn ogen vergrootten zich, toen hij zei: “we moeten naar Kobus Chef.”
“Kobus! We komen eraan!”, en Rinus legde de hoorn erop terwijl Kobus nog aan het ratelen was. Hij stond op en vroeg; “nou, komen jullie nog?”
“Even zitten Rinus”, gebaarde Hollestelle.
“Ten eerste gaan wij niet zo maar allemaal nu naar Kobus zonder te weten waarom. En ten tweede, waarom moeten we allemaal naar Kobus?”
“Excuus Chef U heeft gelijk. Maar het graf dat geschonden is, is van een dame met dezelfde bloedlijn als Molly.”
“Dat meen je niet!”, sprak de Raaf. Nu wilde ook Hollestelle opspringen, maar hij hield zich in.
“Eindelijk dan een mogelijk spoor. Okay, jij en de Raaf gaan er naar toe.”
“En U dan? Excuus, jullie dan?”
“Wij blijven hier bedenken, hoe we aan zo’n wichel kunnen komen. Bel zodra je wat meer weet okay?”
“Okay Chef. Kom de Raaf. Gaan we op de fiets, of nemen we de Camper?”
“Camper graag”, besloot de Raaf, na een blik op de bagagedrager.
Hollestelle pakte na hun vertrek drie delen van de Winkler Prins uit de kast en zei; “we moeten ergens beginnen mannen.”
Net toen de mannen op het bureau een nieuw deel pakten, belde Rinus.
“We zijn alweer onderweg terug Chef. Het graf is inderdaad geschonden. En de Raaf kwam na onderzoek ter plaatse tot de conclusie; dat er een enkele rib ontbreekt.”
“Een rib?”
“Ja Chef, er is een rib uit het overschot gestolen.”
“Rij voorzichtig en tot zo.”


“Een rib?”, vroeg Billy bedenkelijk en nam zijn bril af om zijn glazen op te poetsen. “Hebben jullie hier iemand in het dorp met kennis van vroeger?”
“Je kijkt ernaar.”
“Ik bedoel religieuze kennis Hollestelle. En ja, ik kijk daar ook naar. Maar ik bedoel eentje, die zijn hele leven niet anders heeft gedaan dan zich bezig houden met het hogere.”
“Meneer Pastoor misschien?”
“Precies, een heilig man. Ik denk dat we daar eens mee moeten gaan praten. Dit gaat verder dan mijn kennis reikt.”
“Het is een paar minuten naar de kerk.”
“Ik kan wel wat beweging gebruiken”, sprak Jack. En even later klopten ze aan. De deur van de pastorie ging open en meneer Pastoor fleurde op bij het zien van de commissaris.

“Hollestelle, wat leuk dat je even komt buurten.”
“Ja, maar we zitten ook met wat vragen meneer Pastoor. Dit is Billy en dit is Jack, gewaardeerde collegae van overzee.”
“Welkom heren, kom binnen.”
Even later zaten ze aan een met een dik kleed bedekte ronde eikenhouten tafel en het rook er zwaar naar was.
“Meneer Pastoor”, begon Billy, “wij zijn op zoek naar een wichelroede. Zo eentje die men heel vroeger wel eens gebruikte.”
“Dat is bijgeloof Billy. Een stevig gebed doet meer wonderen.”
“Vanzelfsprekend meneer Pastoor. Maar laten we toch even veronderstellen; dat we uit pure interesse een oude wichelroede zouden willen maken. Waar moeten we dan beginnen?”
“Het spijt mij. Maar ik heb werkelijk geen idee.”
Billy begon in te zien, dat meneer Pastoor hen niet kon helpen.
“Nou, dan zijn we weer terug bij af”, zei Jack.
“Meneer Pastoor”, boog Hollestelle zich wat meer voorover. “We zijn met een zaak bezig, die naar mijn bescheiden mening nogal ergens over gaat. U gelooft toch ook in het goede?”
“Uiteraard mijn zoon.”
“Dan gelooft U ook in het kwade niet?”
“Mmm”, meneer Pastoor stond op en greep een fles uit de kast met vier glazen. “Het kwade ja”, schonk hij allen een glaasje miswijn in. “Het kwade blijft beter onuitgesproken commissaris.”
“Dat respecteer ik ook meneer Pastoor. Maar er was toch ooit een heel groot gebied tussen het goede enerzijds en het kwade anderzijds?”
“Dat is er nog Hollestelle. Maar wat jullie willen, neigt mij te veel naar het kwade. We gebruiken al eeuwen geen wichelroedes meer en dat is niet voor niets.”
“Dus U weet wel degelijk wat van wichelen af”, pakte Billy nu zijn glas en schoof wat verder aan.

“Dan moet ik eerst weten, waar jullie een wichelroede voor willen gebruiken. Want iets zegt mij, dat dit geen ordinaire wichel is dat jullie willen.”
“Klopt meneer pastoor”, zei Jack. “Niet om U te kwetsen. Maar wij denken en ik besef dat het zeer onorthodox is … wij denken aan een vinger.”
“Nondedju!”, schrok meneer Pastoor zich een hoedje. “Een vinger? Maar dat is je reinste minnemagie!”
“Minnemagie? Wat is minnemagie?”
“Dat kan ik niet onder een miswijntje even uitleggen. En ook niet onder heel veel, het spijt me.”
“Doet U een poging meneer Pastoor”, zei Hollestelle, “want eerlijk gezegd, smaakt de miswijn voortreffelijk.”
Meneer Pastoor was niet vreemd van een complimentje en zag door zijn gestreelde ego meteen al wat minder kwaad.
“Vooruit. Wat is het meest krachtige wapen dat de mens van God heeft gekregen?”
Daar hadden de mannen niet direct een antwoord op. Hollestelle zei; “ik denk dat de theologie zich daar nu nog het hoofd over zit te breken meneer Pastoor.”
“Fout Hollestelle. Het meest krachtige wapen van de mens is de liefde!”
Meneer Pastoor pakte een dik en oud boek van de plank boven het kleine dressoir tegen de witte muur. Hij legde deze op tafel en begon er in te bladeren.
“Al sinds de middeleeuwen kennen we minnepijn. Minnepijn werd toegebracht met minnemagie. En minnemagie had als doel schade aan iemand toe te brengen, meestal ter eigen vermaak en gunst. De minne en de zonde waren nogal verweven, zoals ze ook nu zijn. En vraag me niet waarom, dat zou te lang duren. Wij als mens hebben altijd, dit hebben jullie niet van mij, gegrepen naar middelen om de sensuele apetijt zeg maar op te wekken.”
“U bedoelt sexuele”, zei Billy.
Hollestelle gaf hem een schop onder tafel. En Billy zei meteen; “pardon meneer Pastoor, sensuele natuurlijk.”
“En zoals de eeuwenoude strijd zelf, splitsten de wijzen waarop men dat nastreefde zich ook op. Enerzijds in natuurlijke middelen en anderzijds in de ronduit magische. En nogmaals heren, dit hebben jullie niet van mij! Beide stromingen hebben eeuwenlang gebruik gemaakt van wichels. Zo, nou jullie zin?”
“Dus”, zei Billy, “als ik het goed begrijp, kan je wichels voor heel veel dingen gebruiken.”
“Ja en nee. Ja voor heel veel dingen. En nee, omdat al die dingen uiteindelijk neer komen op goed of kwaad, geloof of magie. Alles staat namelijk in verbinding met elkaar. Vandaar dat de liefde die wij delen zo sterk is.”
“Maar what about die vinger dan?”, vroeg Jack.
Meneer Pastoor bladerde weer even en zei; “dan moeten we gaan kijken naar de volkse minnemagie. Want buiten het reguliere geloof, was er ook een diep geworteld geloof in magie. Nu zouden we dat niet gelovigen noemen, toen trouwens ook. Maar hoe dan ook, iedereen gelooft wel ergens in. Zo lees ik in het jaar na de Heer van 1412 was er een lichtekooi die gepakt werd met een gestolen vinger van een gevangene. Op de vraag van de magistraat wat ze met die vinger van plan was, zei ze dat zij die mee naar huis wilde nemen om op te gaan broeden.”
“Jakkes, broeden op een vinger?”
“Ja Billy. Het was haar geloof en dus overtuiging; dat daardoor alle gevangenen, die vrijgelaten zouden worden, bij haar zouden komen voor de liefde. En dus niet elders hun gerief zouden zoeken.”
“Economisch gewin”, zei Jack.
“Ja, of betaalde liefde. Maar dat is hetzelfde. En het gaat maar door. Hier 1459 in Gent; drie wyven van lichte levene op de schandplaats en in 1491 drie ontuchtsvrouwen opgepakt voor het gebruik van dierenvingers. Of te wel. men leefde destijds samen met magie. En dat gaat wel terug tot de elfde eeuw en ik denk zelf nog verder. We hebben zo nog vele recepten in Latijn geschreven, waarin het belangrijk geacht gebruik van lichaamsdelen naar voren komt. En… heb ik nou al drie glazen wijn op?”
Billy begreep dat meneer Pastoor wel degelijk de kennis in huis had. Hij had het glas dan ook bij zitten vullen en durfde de vraag nu wel aan.
“Meneer Pastoor, wat een kennis heeft U. Echt bewonderenswaardig. U weet vast wel, hoe we aan een goede wichel voor onze vinger kunnen komen.”
“Ja, dat weet ik wel. Maar ik weet niet of ik jullie dat wel kan vertellen. Het is voor jullie eigen bestwil, dat ik dat maar niet doe. Een echte wichel is heel gevaarlijk.”

Er werd aan de deur geklopt en meneer Pastoor stond op om open te doen.
“Rinus?”
“Goedendag meneer Pastoor. Ik vroeg mij af of U de commissaris ook …”
“Wij zijn hier Rinus”, zei Hollestelle.
“Weten jullie al welk rib er gestolen is?”, vroeg Billy.
“Rib? Zeiden jullie rib? Och nee Heer als het U belieft, niet een rib”, en Rinus was nog net op tijd om meneer Pastoor op te vangen, die door flauwte overvallen werd.
Even later kwam ook de Raaf aan. Ze vertelden hem dat meneer Pastoor door een flauwte overvallen was en of hij helpen kon.
“Mmm, een flauwte zeggen jullie. Ik denk eerder dat ie weer te veel aan de miswijn gezeten heeft”, en met een pets in het gelaat werd meneer Pastoor weer tot zijn positieven gebracht.
“Waarom bracht die rib U zo van streek?”, vroeg Hollestelle. Zijn toon was niet gemoedelijk meer, maar professioneel zakelijk nu. “Leg uit meneer Pastoor. En vertel ons; hoe we aan een wichel kunnen komen.”
“Het meest krachtige wapen is de liefde in alle facetten.”
“Jaja, dat weten we nu wel”, begon Billy nu ongeduldig te worden.”
“Luister dan wat ik zeg! Er is, begrijp ik, een rib gestolen. En dan maakt het niet uit welke rib het is Billy!”, legde meneer Pastoor nu zijn religieuze gewicht op de schaal. “Het feit dat een rib gestolen is, is namelijk al zorgwekkend genoeg! Hoe is de mensheid begonnen? Met Adam en Eva. En Eva werd gemaakt uit …”
“De rib van Adam!”, zei Rinus.
“Precies Rinus. Jullie komen hier binnen en beginnen over krachten waar je echt geen flauw benul van hebt. En nu? Een rib? Hoeveel krachtiger wil je het hebben?! Luister naar meneer Pastoor; keer de andere wang toe en loop weg! Dit kan nooit goed aflopen.”
“Wat kan nooit goed aflopen meneer Pastoor?”
“Nou? … Alles! Jullie hebben maar een vinger. Maar die anderen, ik neem aan dat er anderen zijn, hebben een hele rib! Dat is een meer dan een ongelijke strijd. Kom laten we bidden.”
“Nu even niet!”, zei de Raaf, die zijn overbuurman goed genoeg kende. “Dit is de fles die bidt. Wat zegt de heilig man in je zelf? Moeten we maar het kwaad negeren en doen alsof het er niet is? Want wat als het kwaad nu zelf besloten heeft om wraak te gaan nemen?”
“Wat zeg je de Raaf? Wat weten jullie, dat ik niet weet?!”
“Al dat wij willen weten meneer Pastoor”, sprak Hollestelle kalm, “is waar we een wichel kunnen krijgen. En ja, wij denken dat er kwade machten spelen die op wraak zinnen.”
“Mijn God, dan heb je het over eeuwen van wraak … ”
“Dus?”
“Dus wat?”
“Die wichel?”
“Er is maar één man die jullie hier helpen kan. En die woont hier tegenover, naast de slagerij.”
“Kievit?”, en meneer Pastoor knikte zachtjes.
“Verdomme, die gaat nooit open doen”, zei de Raaf.

Het stuk rib, dat Lonnie met een figuurzaagje had afgezaagd, had Molly de gehele dag met een vijzel fijn zitten stampen tot het fijnste poeder. Daarna brak ze zeven eieren waar ze de dooiers van scheidde. Het resterende eivocht kapte ze in een emmer, die Lonnie op het aanrecht vasthield. Ze roerde het fijne poeder er zachtjes doorheen. Beiden droegen mondmaskers. Nu deze twee ingrediënten samen gemengd werden, kon het twee kanten op gaan. Of te wel goed, dan wel kwaad. Het feit dat ze mondmaskers droegen zei voldoende. Dat en het feit dat Molly er danig uitgekauwde kauwgom doorheen mengde. Na het roeren liepen ze met de emmer naar de hoogste duin. Daar haalde Molly een fijnmazig vergiet door de vloeistof en hield deze even later hoog in de stevige bries. Na een kwartier had de wind alle druppeltjes meegenomen, die zich onzichtbaar voor het blote oog over de eilanden begonnen te verspreiden.

Twee dagen. Twee volle dagen hadden ze op het rolluik van Kievit staan kloppen tot bloedens aan toe, beuken uiteindelijk. Maar al dat ze te horen kregen was; “Nee, ik doe nooit meer open! Ga weg, ik ben er niet.”

Op het einde van de tweede dag zaten ze uitgeput op het bureau bij te komen en lazen over een mysterieuze ziekte in de Courant.

Gisteren werden de eerste gevallen gemeld. De mensen klagen allen over zeven kleuren stront en zelf zien ze er ook zo uit. Artsen staan voor een raadsel. Niet eerder zijn er mensen met dergelijk gekleurde buikkrampen besmet geraakt. De haard lijkt in Veere te zijn ontstaan. Artsen daar zijn ervan overtuigd, dat deze mysterieuze ziekteverwekker via zee binnen is gekomen, gezien de nu al dagen durend aanlandige wind.  Een andere verklaring heeft men momenteel niet. De autoriteiten hebben de Lockdown opgeschaald en het leger heeft de provincie afgesloten van de rest van het land. Het devies is om zoveel mogelijk binnen te blijven. En als U echt niet anders kan en toch de deur uit moet, bent U verplicht om een monddoekje om te doen. Nader bericht zal volgen zodra er meer bekend wordt.

“Zeven kleuren stront? Chef!”
“We zien het allemaal Rinus, een kleurrijke besmetting kan maar één ding betekenen … ”
“Het is begonnen”, zei Billy. En hij begon haastig zijn brillenglazen op te poetsen.
“Okay mannen, loop alle ramen en kieren na. We blijven vanaf nu op het bureau. En niemand de deur uit zonder mondkapje.”
“Hebben we die wel Chef?”
“Verdulleme!”
“Geen nood”, sprak de Raaf. “In the Raven”, wees hij door het raam. “Als ik mijn adem in hou, moet ik het makkelijk redden. Rinus? Doe jij de deur open?”
Even later rende de Raaf naar de camper en sloot de deur ervan. Niet veel later draaide deze weer open en kwam hij met twee dozen en een kleine ijsbox er weer uit.
“Hebben jullie een vriezer hier? Want ik heb die vinger ook maar meegenomen voor de zekerheid.”
“Hier de Raaf”, gilde Jack, die net met Duck tape het laatste kiertje van het keukenraam dicht tapete.
Billy kwam met oude dekens van het kleine zoldertje. En de mannen maakten het zich zo goed als mogelijk comfortabel in wat bureaustoelen.
“Morgen mannen, no matter what, gaat Kievit opendoen!”, zei Hollestelle.
“Hij moet wel toch?”
“We lopen al twee dagen achter op schema Chef.”
“Morgen mannen, morgen.”
De mannen zeiden elkaar welterusten. Rinus knipte het licht uit en ze vielen ondanks die stoelen toch vrij vlot in slaap.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

RSS
Follow by Email