Majesteitsschennis anno 2022

Majesteitsschennis anno 2022

“Zo kolere, elluf uur?”, keek Marcos ongeloofwaardig naar zijn Donald Duck klokje op het nachtkastje. Het was duidelijk, dat hij heel hard aan reces toe was. Zo laat was ie in geen tijden meer wakker geworden. Hij rekte zich uit en ging aan de wastafel staan, want douchen mocht niet elke dag meer. Na wat gespetter en onzinnig geplens kleedde hij zich aan.
Het mocht dan wel reces zijn, hij bleef natuurlijk wel het volk vertegenwoordigen. Zo was hij al de boer opgegaan, terwijl zijn handlangers elders naar toe waren gevlogen.

Vandaag had hij afspraak in Groningen. Jawel, de premier nam zijn verantwoordelijkheid en ging persoonlijk op werkbezoek; of die bevingen echt wel zo erg waren voor de mensen daar. Tot nu toe had ie daar nog geen sikkepit van kunnen geloven en was dan ook lachend ingegaan op de uitnodiging.
“Natuurlijk kom ik, heb dan toch niks te doen”, had ie geantwoord.
Niet om de problemen daar serieus te nemen. Maar gewoon omdat hij ook wel eens even zijn zinnen buiten de Hofstad wilde kunnen gaan verzetten. Dus hij had er enorme zin in, maar eerst moest hij nog even langs het Torentje.
Hij probeerde iedere dag weer, maar het mislukte iedere keer weer jammerlijk. Hij was gewoon niet sterk genoeg en terwijl hij langs de Hofvijver fietste, gaf hij het aan zichzelf toe; ‘ik kan gewoon niet zonder’.
Het valt dan ook niet mee om dit land te leiden van crisis naar crisis en van ellende naar nog meer mistroostigheid. Dat heeft nu eenmaal zijn tol en die betaalde hij graag voor het land. Hij trok de onderste la van het mahoniehouten bureau open en stak zijn kop erin. Na een flinke snuif wist hij dat ie de dag wel door zou komen. En zo werd zijn neustussenschot beetje bij beetje meer poreus. Het zou niet lang meer duren, of zijn neus zou precies zo worden als zijn ruggengraat al jaren is.

Na twee dikke vuistjes coke, aan die amateurlijntjes deed ie al heel lang niet meer, vloog ie als het ware naar Groningen. Reces of niet, ook deze dag vloog bijna nog sneller voorbij dan anders. Een dag vol met heel goede gesprekken, die hem wisten te overtuigen; dat er een probleem was. Om de schone schijn op te houden, moest ie wel iedereen zijn of haar zegje laten doen. Maar eigenlijk had ie al na het eerste gesprek haarfijn door wat het probleem was.
“Hier”, plakte hij zijn zoveelste memo op zo’n geel postit-papiertje op het voorhoofd van zijn tassendraagster; “voor het archief”.
Braaf haalde het zusje van Sophietje het van haar voorhoofd en plakte het op de inmiddels al aardige stapel in haar tas.
Nadat hij het laatste gesprek snel had afgewimpeld, ging hij met een zware zucht zitten in de regeringsbolide en zei; “en nou als de sodemieter naar het vliegveld.”
De vlucht van Eelde Airport naar The Hague Airport was eigenlijk te kort om even goed bij te kunnen komen. Maar nog voor zessen zat ie samen met het zusje van Sophietje in zijn Torentje om de zaak te debriefen.
“Welke memo eerst Mark?”
Marcos keek naar het stapeltje memo’s en zei; “kunnen we niet doen alsof het sms-jes zijn?”
“Natuurlijk kan dat”, zei het zusje van Sophietje.
“Mooi, dan doen we dat. Dat hele Groningending is gewoon één grote miscommunicatie. Niemand kan daar feitelijk het probleem echt adresseren. Neem dat eerste adres. Gewoon het verkeerde adres!”
“Het spijt mij Mark. Maar ik had dat adres door gekregen van Remkes. Ik nam aan, dat hij het wel zou weten aangezien hij in Groningen geboren is.”
“Brandenwijn is daar ook geboren.”
“Dat is waar.”
“Natuurlijk is dat waar. Neen,  ‘zusje van Sophietje’; zolang ze daar niet aan de juiste adressen doen, gaan wij echt niet hun problemen adresseren hoor. ‘k Ben gekke Henkie nie.”
En zo verliep de zoveelste regeringsdag alsof er geen reces was. Nadat hij zijn tassendraagster een vroegertje had gegeven, trok hij de onderste la open, want godsamme wat was ie daar nou aan toe.
“WTF?! Waarom is die la leeg?!”

De paniek sloeg hem onmiddellijk om het hart. Om zo zonder fix naar huis te fietsen werd een nachtmerrie, die met de minuut steeds groter werd. Hij kon niemand bellen, iedereen was weg. Dus besloot hij aan het einde van zijn Latijn de koning te bellen. Misschien had die nog wat liggen.
“Met Willy.”
“Hoi, met mij. Zeg, heb jij nog wat liggen?”
“Boten zat, welke wil je?”
“Nee geen boten man … ik bedoel … je weet toch?”
“Nee. Ik weet sowieso vrij weinig.”
“Da’s waar. Poeder, van die witte?”
“Hè? Heb jij dat nodig dan?”
“Sjesus wat dacht je zelf? Ik ben wel premier ja.”
“Het spijt mij, maar als Koning van …”
“En nou kappuh Willy! Als je niet meer wil jagen en varen, mot je vooral zo doorgaan!”
“Dat waag je niet!”
“Try me Willy!”
“Okay, okay. Je bent serieus. Alleen de enige die daarvoor kan zorgen is Takkie en die zit extra vast.”
“Hij kan toch belluh?”
“Ja, maar alleen voor heel andere hits.”
“Da’s ook waar. Is er dan helemaal niemand?”
De koning keek naar de guitige grimas in het zilveren lijstje op zijn bureau en zei; “ik denk dat ik wel iemand weet. Maar dan moet ik hem wel gratie verlenen.”
“Alsof je dat niet bij de vleet doet. Vooruit! Verleen die vent gratie man!”
“Als jij het zegt.”
“Ja, omdat ik het zeg! NU! Man! Ik mot nou wat hebben!”
En zo kwam tot ieders verbazing Frank M. op vrije voeten.

Frank M. was enorm verbaasd, maar nam de mogelijkheid met beide graaihanden aan. Eindelijk kon ie weer met een schone lei beginnen en zei tegen zijn advocaat, die er trouwens ook geen jota van begreep, dat ie nou van zijn familie ging genieten.
“Prima”, reageerde zijn raadsheer, “maar er is wel nog eerst een kleine voorwaarde.”
“Heu?”
Na de koninklijke gratievoorwaarde te hebben aangehoord, vloekte Frank M. eens even flink. Maar hij zag ook wel, dat er niks anders op zat. Dus stapte Frank M. in het klaar staande bestelbusje en reed naar Antwerpen. Bij het eerste de beste dok stopte hij bij de slagboom en zei amateuristisch, dat ie voor een ‘zekere partij bananen’ kwam. Toen het hem duidelijk werd, dat daar geen bananen lagen; begon hij ieder dok af te rijden op zoek naar die bananen. Halverwege wist zelfs de politie daar, dat Frank M. op zoek was naar een ‘zekere partij bananen’. Het was voor de handhaving derhalve een peulenschil; om Frank bij de laatste slagboom op te pakken en mee te nemen naar het buro voor verhoor.
“Wie heeft je gezegd, dat hier bananen lagen?”
“Wie? De Koning natuurlijk! Wie anders?”
Na enig diplomatiek overleg, werd Frank weer vrijgelaten met de woorden; “nu jullie daar de Belgen zijn geworden, heb je hier niks meer te zoeken en word je de grens over gezet. Maar pakken we je weer, dan zetten we je bij Dutroux!”
Frank M. was nog geen dag vrij, of hij had weer het licht op de onderwereld doen laten schijnen. Daar waren die zware jongens dus helemaal niet blij mee. Zo zeer niet; dat Frank M. nog diezelfde nacht afgerost werd.  Daarmee werd de laatste strohalm van de premier geknakt. En dus verkeerde het land, reces of niet, acuut in de zwaarste crisis tot nu toe.

De volgend morgen werd Marcos rillend als een kouwe kalkoen wakker in zijn bedje. Hij voelde hoe het zusje van Sophietje een nat washandje op zijn voorhoofd legde en vroeg of ze PapaLoek moest bellen.
Ze mocht dan wel tassendraagster zijn, maar zelfs zij zag; dat de premier er meer dan beroerd aan toe was en dat, dat een ramp voor het land zou betekenen. Na meer dan een decennium doorgesnoven beleid waren alle oude pijlers weggeslagen en kon het land deze aankomend dreigend Hollandse nuchterheid onmogelijk meer aan. De gehele samenleving zou onherroepelijk ineen storten met meer donderend geraas dan al die oude beschavingen voorafgaande aan die van onze polder.
Toen nam het zusje van Sophietje de enige beslissing die ze nog kon nemen. De leden van de Commissie Stiekem werden teruggeroepen en net na de noen werd de koning weer gebeld.
Willy luisterde naar de bevindingen en zei dat ie natuurlijk daarvoor zou tekenen. Want wat is nou een beetje schennis om te kunnen blijven jagen en varen?
Sindsdien draait de geruchtenmachine op volle toeren en worden zelfs hele kranten afgekocht met gemeenschapsgeld. Het fijne zullen we wel nooit te weten komen. Maar opeens werd de privacy van gedetineerden opeens veel meer serieus opgenomen dan die der burgers. De onwijze versoepeling drong zelfs tot in de EBI te Vught door. En of het Takkie was of iemand anders? Maar het onderste laatje van de premier was in no time weer royaal gevuld, waarmee de premier de grootste en intens persoonlijke crisis ooit nog net op tijd wist af te wenden.

“Okay! Dus wat staat er op de agenda voor vandaag?”, vroeg hij optimistisch als vanouds.
“Herziening van ons detentiesysteem Mark. De tijd is er rijp voor.”
“Denk jij ook aan vakbonden voor gedetineerden?”
“Ja, iemand moet toch een goede CAO voor de gevangenen uitonderhandelen?”
“Inderdaad, we zijn nog altijd wel een rechtstaat. Dus wie maken we de woordvoerder?”
“Zelf denken ze in het gevangeniswezen aan iemand uit de EBI, iemand die erg uitgesproken staat voor permanent verlof.”
“De EBI? Is dat niet wat opzichtig? Ik bedoel, iemand uit de extra beveiligde inrichting zou wel eens wat wenkbrauwen kunnen doen fronsen.”
“Ja, maar daarom moeten we de naam ook veranderen.”
“Maar het heet al tijden de EBI? De EBI is nog altijd wel een begrip in Nederland hoor.”
“De EBI blijft de EBI, daar gaan we niet aan tornen. Maar dat gaat vanaf nu staan voor Eindelijk Belachelijk Integer.”
“Briljant! Ik zeg doen! Je bent de beste tassendraagster ooit hoor, hahahahaha!”

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.