Moordmeid in Serooskerke of elders, hoofdstuk III, Dickpic van intens verdriet.

Moordmeid in Serooskerke of elders, hoofdstuk III, Dickpic van intens verdriet.

Hoofdstuk III          Dickpic van intens verdriet.

“Gaat het een beetje Kievit?”, hield Rinus de deur voor hem open.
De arts had gezegd, dat ze geen minuut later hadden moeten komen. Na de nodige epi-pennen wisten ze de wangen van Kievit tot rust te brengen. Dat was best nog een hele klus. De wangen waren dermate levensbedreigend opgezwollen, dat het direct in de wangen moest gespoten worden. Maar die stonden dermate op strak ploffen, dat de arts het niet aandurfde en zei; “het spijt mij, maar in de wangen zelf gaat ie zeker niet overleven en dit wil ik niet op mijn geweten hebben.”
“Kan het dan niet ergen anders in dokter?”,  had Rinus met trillende stem van wanhoop gevraagd.
“Je laat die arme man toch niet zo creperen Dok?’, maande de Raaf aan tot wat voor actie dan ook.
Het was Hollestelle, die kordaat de pen van de dokter afpakte en deze zonder aarzeling in de linker oorlel van Kievit drukte.
“Nog één!”, maande hij de arts tot actie.
“Hier commissaris. Maar niet in dezelfde oorlel, dan valt dat oor geheid af door necrose.”
De andere oorlel werd geïnjecteerd, het nauwelijks nog herkenbare puntje van z’n neus en toen werkte de commissaris met hulp van de Raaf en Rinus zijn weg naar beneden, bij gebrek aan anderszins beschikbaar gezond weefsel rondom het gelaat van Kievit. Pas toen Hollestelle de pen in de linker bil van Kievit duwde, zagen ze zijn hartslag op de monitor niet verder stijgen. Tot en met zijn kleine teen was benodigd, om het verschrikkelijke oedeem heel langzaam te zien afnemen.
En ja, z’n wangen en de rest van zijn lichaam zouden nog een hele poos beurs aanvoelen. Maar hij was buiten levensgevaar en kon dezelfde dag weer terug naar huis om bij te komen.
Kievit mompelde af en toe iets in de auto terug naar huis, dat maar voor onduidelijke kennisgeving aangenomen werd. Met de nodige ondersteuning wisten de mannen na thuiskomst Kievit op bed te leggen. En toen mompelde Kievit weer iets.
“Hij heeft het volgens mij over de werkplaats Chef.”
“Maak je geen zorgen Kievit. Die zullen wij opruimen. Ga jij maar rusten”, en ze trokken zachtjes de deur achter zich dicht.
“Pfoeh, dat was een close call”, sprak de Raaf in de gang.
“Jazeker de Raaf.”
“Was dit het wel allemaal waard?”, wees Rinus even later naar de puinhoop van de werkplaats.
“Nu je het daar toch over hebt Rinus. Wat ben jij eigenlijk nog te weten gekomen de Raaf?”
“Mmm, tja …”
“Je gaat me toch niet vertellen niks?”
“Nou. Ik weet vrijwel zeker, dat ik een stukje textiel beet had. En dat leek alles van wol weg te hebben.”
“Leek? Dus je weet het niet zeker?”
“In de explosie is het verloren gegaan Kamiel, dat weet je toch? Kerel, we waren bijna zelf het haasje?”
“Verdulleme. Nou, laten we dan eerst maar gaan opruimen.”
De mannen besloten het avondeten uit te stellen en ze waren pas tegen half acht klaar.
“Zo, het ziet er weer Christelijk uit.”
“Ja, dit is wel het minste wat we voor die arme Kievit konden doen”, keek de commissaris net zo tevreden als zijn adjudant om zich heen. “Ik zou bijna willen zeggen, dat de werkplaats er nog nooit zo proper uit heeft gezien en … hè? Wisten jullie dat?”
“Wisten we wat?”
“Daar. Het valt me nu pas op. Daar in de hoek boven het rolluik. Is dat geen beveiligingscamera?”
“U heeft gelijk Chef! Dat is wel degelijk een beveiligingscamera.”
“Zo te zien is het een draadloze”, stond de Raaf er al onder. “Maar het lichtje gaat niet meer aan”, zwaaide hij een paar keer in het beeld van de camera. “Die zal wel kaduuk zijn door de explosie.”
“Als die camera nog werkte net voor de explosie, dan kunnen wij misschien wat aan die beelden hebben.”
“Ja Chef. Maar waar zouden die beelden zijn opgeslagen? Ik heb Kievit nog zelfs nooit met een mobiele telefoon gezien, dus laat staan aan een PC.”
“ISC, staat er aan de zijkant. Het is wat geblakerd, maar de letters zijn nog goed leesbaar.”
“ISC? Rinus?”
“Nooit van gehoord Chef. En Kievit kunnen we ook al niet vragen in zijn huidige staat.”
“Okay heren, dan stel ik voor; dat we even een broodje gaan eten op het bureau. Tenminste als je verder niks te doen hebt de Raaf?”
“Nou, ik ben best wel aan een lekker koffietje toe.”
“Potverdikkie ja, anders ik ook wel!”
Nadat ze nog een blik hadden geworpen op Kievit, die in een diepe slaap lag, liepen ze naar het bureau.

Het was een eenvoudig broodje ei. Maar dat werd ruimschoots goed gemaakt door Rinus, die drie overheerlijke bekertjes koffie op het bureau had gezet.
“Lekker Rinus.”
“Dank u Chef.”
“Okay”, begon de commissaris als eerste. “Gelukkig komt het goed met Kievit. Maar eigenlijk zijn we geen stap verder gekomen.”
“Nee Kamiel en nu hebben we zelfs geen piemel meer.”
Rinus zat achter de computer en knipte in zijn vingers: “ICS Chef? Dat betekent Island Camera Systems. Hier heb ik een nummer. Ze zitten in Goes.”
“Wat een rare pretentieuze naam”, snoof de Raaf aan zijn bekertje; “wat is er mis met gewoon Walcheren? Of Beveland voor mijn part.”
“Zal ik ze even bellen? Oh nee, ze zijn gesloten.”
“Hebben die lui geen vierentwintig uurs service?”, mokte de Raaf nog wat na.
“Oh ja, goeie de Raaf. Inderdaad hier ja. Zal ik dit alarmnummer dan maar draaien Chef?”
“Doe maar Rinus.”
“Ja, goedenavond, met Rinus, adjudant politiepost van Serooskerke en omstreken. Spreek ik met ICS? … Wij zijn hier met een zaak bezig en vroegen ons af; of jullie de beveiligingscamera bij Kievit onze fietsenmaker hebben geïnstalleerd? .. Dat hebben jullie? Hebben jullie dan ook een PC geïnstalleerd misschien, waar de beelden op terug kunnen worden gekeken? … Oh, dat wilde Kievit niet? Ja, zo is Kievit wel ja … okay … en wat is dat? … Ja ik heb een pen, okay, ja, dertien zei je? … Ja, ja, ja dat heb ik. Dus kan ik dan? … Nee? Oh, een inlogcode? En die is? … Dat kunt u mij niet zeggen? Privacy? Zeg, u spreekt hier met de politie meneer … een wat? En rechtsbevel van de officier? Op dit tijdstip? Kunt u niet even? … Mmm ja, bedankt.”
Nadat Rinus de hoor erop had gelegd, keek hij de commissaris aan en zei: “de beelden worden bewaard in een klaut? Ik heb het adres dat ik hier kan intypen. Maar dan heb ik wel de persoonlijke inlogcode van Kievit nodig.”
“Zonder die kan je er niet in?”
Even later schudde Rinus zijn hoofd. “Nee Chef, ik moet een inlogcode invullen.”
“Ik begrijp dat ze je die niet wilden geven. Maar om nu de officier te gaan storen op dit tijdstip?”
“Hij ziet jullie al aankomen”, sprak de Raaf, “zonder piemel.”
“De Raaf heeft gelijk Rinus. Zo op het oog hebben we geeneens een zaak. Dus dan gaat die officier heus geen bevel uitschrijven om ICS te dwingen om ons inzage te geven.”
“Is het een code, die Kievit zelf heeft moeten verzinnen?”, informeerde de Raaf.
“Ja. Die man van ICS zei dat iedereen een eigen inlogcode heeft, die zij van ICS geeneens weten. Ze kunnen daar wel omheen werken als het moet, zei hij. Maar alleen met een officieel dwangbevel.”
“Okay, ik ken Kievit al heel lang”, zei de Raaf. “En als er één ding waar hij gek op is, dan zijn het wel …”
“SPEKLAPJES!”, gilden Rinus en Hollestelle vrijwel gelijktijdig. En Rinus typte ‘speklapjes’ in.
“Ja! Ik ben binnen!”
“Draai dat scherm Rinus. Dan kunnen wij ook meekijken.”
En meteen zagen ze de werkplaats van Kievit, waar Rinus onder de werkbank lag de spanband aan te trekken. Helaas had Kievit het meest goedkope systeem gekocht. Dat betekende; dat de frames niet als in de film doorliepen, maar met best wel behoorlijke tijdsintervallen elkaar opvolgden. In het volgende shot zagen ze dat de piemel al behoorlijk was opgezwollen en stond de Raaf met de anatomische pincet erin te prikken.
“Kan jij zien wat de Raaf daar probeert te pakken?”
“Nee, hij staat ervoor Chef.”
“Ja, alsof ik dat expres heb gedaan.”
“Natuurlijk niet de Raaf. Geen van ons wist dat daar een camera hing.”
Het derde frame werd compleet gevuld door slechts een deel van het snijvlak van de penis. En in het vierde zagen ze de enorme puinhoop, die de explosie tot gevolg had gehad.
“Nou, dat is ook niet veel”, liep Rinus teleurgesteld naar de koffiezetautomaat en vulde drie bekertjes.
“Laat dat frame hiervoor nog eens zien Rinus”, zei de Raaf, die dankbaar het bekertje aannam.
“Ik kan daar niks anders aan zien dan dat we al wisten”, nam Hollestelle een voorzichtig nipje van de hete koffie.
“En toch, ik zou bijna gaan denken dat … Nee onmogelijk!”
“Waar dacht je aan de Raaf?”
“Even aan … maar nee. Kan je dat beeld linksboven uitvergroten?”
“Ik ben niet zo van de IT de Raaf. Maar ik denk, dat ik deze als afbeelding opsla … zo ja. En dan weer open … ja. Dan zou ik dit? Ja. Zoiets de Raaf?”, keek Rinus de Raaf vragend aan. Maar de Raaf keek hem niet aan, maar bleef als gebiologeerd naar het beeldscherm staren.
“Nee, dat kan toch niet? Ik bedoel; we zijn toch zo voorzichtig en enorm professioneel geweest.”


De Raaf stond op en liep naar het scherm toe. Maar toen hij net één stap genomen had, viel het bekertje uit zijn handen.
“Verdorie! Dus toch!”
“Wat de Raaf? Wat zie je?”
“Nou, buiten het feit dat dit de meest grote dickpic ooit is, zie ik hier duidelijk iets in dat beitelpatroon langs de rand.”
“Beitelpatroon?”
“Ja sorrie hoor Kamiel. Ik dacht echt dat ik het zo zorgvuldig mogelijk had gedaan.”
“Kom op de Raaf. Hou ons niet langer in spanning. Wat zie jij dat wij niet zien?”
“Kijk dan! Daar!”, wees hij nu met zijn wijsvinger op niets meer dan een zwart pixeltje. “Daar, dat zwarte plekje.”
“Ja, en?”
Nou dat stukje zwart, dat ik met die pincet wist te pakken, was weliswaar groter; maar qua structuur vrijwel identiek. Kijk, zien jullie niet, dat het niet egaal zwart is? Okay het is lastig te zien zo. Maar ik weet nog wel dondersgoed, dat dit overeenkomt met wat ik met mijn pincet wist te pakken. Ik wist nog, dat ik dacht; dat het wel verdomde veel op stof leek.”
“Stof?”
“Ja, als in textiel? Zelf denk ik aan wol”, greep hij nu zijn vergrootglas en zei bijna triomfantelijk; “jawel, kijk zelf maar.”
“Nu de Raaf dit zo zegt Chef, zou dit best wel eens een klein stukje textiel kunnen zijn.”
“Zeker weten kan ik het niet en niemand niet. Maar het lijkt mij ook redelijk plausibel.”
“Beseffen jullie wel wat dit betekent?”
Rinus en Hollestelle keken de Raaf niet begrijpend aan.
“Zie het als een kogel, die door je jas gaat”, probeerde de Raaf.
“Ik heb geen flauw idee waar je het over hebt.”
“Als je een schotwond oploopt, dan komen er ook van die kleine stukjes textiel in de wond terecht. Vroeger overleden de mensen vaak niet door een schotwond op zich, maar aan infectie door van die stukjes textiel. Snappen jullie het nou nog niet?”
“En nou stop je met je raadsels de Raaf! Zeg het!”
“Wat ik probeer uit te leggen, is dat die piemel met een noodgang door de vlaai heen is gegaan! En dat volgens mij onder die vlaai de rest van het lichaam moet liggen.”
“Verdulleme!”, sloeg de commissaris zo hard op het bureau; dat de drie lege bekertje omvielen. “Het is nu te laat, maar morgen staan we met de koeien op en gaan we terug naar het weiland!”


De volgende ochtend lagen ze in de ochtendmist om de vlaai. Met een ferme tik sloeg de Raaf de vlaai in stukken geholpen door de lichte nachtvorst.
In de duidelijk niet zo heel lang geleden omwoelde grond zagen ze nu duidelijk stukjes zwarte stof.
“Zie je wel”, zei de Raaf. En hij stak voorzichtig zijn handen in de klei, dat alleen aan de top licht bevroren bleek.
“Gadverdamme!”, deinsde hij even later hevig geschrokken terug.
“Wat is het de Raaf?”
“Ik wil het er niet over hebben Kamiel”, en hij begon zwijgend op een kleine meter van waar de vlaai zojuist nog lag te graven.
“Help me nou!”, spoorde hij de mannen aan, die hem begonnen te helpen. Hoe verder ze kwamen, des te duidelijker werd het voor hen. Maar geen van de mannen wilde aan hun eigen gedachtegangen toegeven. Het was te schokkend gewoon.
Na een kwartier graven konden ze er niet meer omheen, toen ze tegen het opvallend wit vertrokken gelaat van meneer Pastoor aankeken.
“Verdomme”, huilde de Raaf nu bijna.
Rinus en Hollestelle hadden er zelf geen woorden voor.
Na een uur secuur en stil zwijgend verder te hebben gegraven, hadden ze het stoffelijk overschot zoveel mogelijk kleivrij gemaakt en gingen ze zwijgend zitten aan het veel en veel te vroeg gekomen graf van meneer Pastoor.
In de verte hoorden ze het schrille en tegelijk krakende geluid van een raaf, dat alles nog somberder maakte dan het al voor ze was.
Pas toen de mist begon op te lossen, zei Rinus; “hoe gaan we dit nieuws brengen aan de dorpelingen?”
“Dat is niet te doen Rinus. De hele gemeenschap zou getraumatiseerd raken.”
“En toch zullen we het nieuws moeten gaan brengen”, sprak Hollestelle en stond op; binnensmonds heel intens vloekend.
Rinus wilde bijna uit gewoonte zeggen; ‘niet waar meneer Pastoor bij is Chef.’
Maar in het nu kille en doodse besef zweeg hij en voelde louter tranen opwellen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.