Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk XV: De vogelverschrikker

Moord in Serooskerke III, Hoofdstuk XV: De vogelverschrikker

Hoofdstuk XV     De vogelverschrikker

Het was liefde voor de Raaf, dat de mannen de zeven kleuren stront epidemie hadden ontlopen. Maanden bleven ze in de fietsenwinkel van Kievit aan zijn zijde, terwijl de rest van het eiland zwaar begon te zuchten onder al die hopen stront. Het dagelijkse leven bestond voor de eilandbewoners nog maar uit puur overleven. Niet in een golf maar in een tsunami was het eiland compleet lam gelegd door het brouwsel dat Molly had verspreid, waarvan niemand wist of het ooit zou eindigen. Na zeven maanden liepen de besmettingen eindelijk sterk terug naar nul omdat simpelweg iedere bewoner onderhand besmet was geraakt. Iedereen zat wel ergens op zijn of haar hoop in een quarentaineweiland uit te zieken zonder te weten of ze ooit nog zouden herstellen. Toen code zwart begon, had niemand het meer over de brute moorden op de Nooyer en Margrietje. Men sprak louter nog over eigen shit.

“Hoe lang moeten we nog aan de Raaf zijn zijde blijven Chef?”
“Ja”, zei Jack instemmend, “het duurt nu al maanden.”
“Net zolang als nodig is”, reageerde Hollestelle bits. “We hebben het hier wel over de Raaf heren, onze de Raaf! We weten allemaal hoezeer hij gehecht was aan The Raven. Geef de arme man wat tijd alsjeblief.”
“Natuurlijk Chef. Verdorie Kievit al dat je had moeten doen, was gewoon open doen.”
Kievit reageerde niet maar zei wel uit het keukenraam kijkend; “het hele eiland is besmet. Volgens mij zijn we de enigen, die nog geen last van die kleurrijke darmkrampen hebben.”
“Ik zou graag een kopje koffie willen hebben”, hoorden ze plotseling uit de slaapkamer van Kievit.
“De Raaf!”, sprongen de mannen op en renden de slaapkamer in. Daar stond de Raaf al bijna helemaal aangekleed en keek hen verbaasd aan.
“Wat doen jullie allemaal hier?”
“Wat is het laatste dat je je herinnert de Raaf?”
“Verbrand rubber en dat ik vast zat in mijn camper. Daarna eigenlijk niks meer. Hoezo?”
“Je hebt zeven maanden op mijn bed gelegen buurman”, zei Kievit, die hem een kopje koffie aangaf.
“Zeven maanden? … The Raven?”
“Total loss de Raaf.”
“Vandaar die leegte die ik voel … hebben jullie?”
“Al die tijd de Raaf. We zijn al die tijd bij je gebleven.”
Hollestelle liep op de Raaf af en keek in zijn vochtige ogen; “welkom terug de Raaf.”
“Kamiel, ik weet niet …”
Een ferme handdruk volgde, waarmee de Raaf weer helemaal terug kwam; “zeg, hadden we geen moord op te lossen?”

Molly was vrolijk opgestaan en was al eieren aan het rapen, toen Lonnie zijn fiets tegen het hek zette.
“Lonnie? Waar ben jij de hele nacht geweest?”
Lonnie keek haar meewarig aan, zei niks en liep het huisje in.
Toen Molly met de eitjes binnenkwam, zat Lonnie voor zich uit te staren aan het kleine tafeltje in het open keukentje.
“Wat is er aan de hand Lon? Je doet de laatste tijd zo raar. Ik snap dat niet Lon. Net nu we ons weer vrij kunnen bewegen en een huisje hebben. Toe, zeg me toch wat er loos is.”
“Nou omdat je zo aandringt dan. Ik kom net van de receptie en ik zeg het maar hoe het is Mol. Ik ben hoteldebotel verliefd op de dochter van de eigenaar.”
“Hè? De dochter van wie?”
“Nou de eigenaar van dit Kamperland natuurlijk. We hebben de hele nacht gepraat en zijn er wel uit. Wij willen samen verder en nog verder weg van hier. Dus ik heb de huur opgezegd. Je mot er de volgende maand uit zijn. Zo is het dus. En nou ga ik maffen.”
Verbaasd liet Molly wel drie eitjes kapot vallen op het oude vinyl, toen Lonnie de deur van het slaapkamertje achter zich dicht liet vallen. Maar daarna kreeg ze een fittie in haar hoofd, die ze nog nooit eerder gehad had.
“Jij vuile teringlijer!”, gooide ze woedend de rest van de eitjes door het kleine huisje. “En ik dan? Godverdomme Lon! Ik zit dus wel voor jou van top tot teen onder de tattoes! Voor jou! Kijk me nou toch nou? Hoe kan je!”
Hysterisch rende ze het huisje uit de duinen in. Ze struikelde en viel. Zin om op te staan had ze niet meer. Ze kon alleen nog maar janken. De pijn ging zo verdomde diep. Natuurlijk was ze vreselijk pissed om die laffe streek van Lon. Alles had ze voor hem opgegeven en meer dan dat. Maar dat alles viel in het niet bij dat overheersende gevoel van liefde.
“Godverdomme Lon! Ik hou van jou! Ik hou nog steeds van jou!”, weerkaatste het meerdere keren in het duinpannetje, waar ze uiteindelijk overstuur in een soort van slaap viel; hopende dat het allemaal een nachtmerrie zou zijn.

In de werkplaats van Kievit stonden de mannen aandachtig te luisteren naar Kievit.
“Julie moeten vanaf nu voor niemand open doen.”
“Zeg Kievit, daar is deze hele ellende mee begonnen hoor.”
“Daar heb ik het niet over. Buiten!”, wees hij met zwarte smeervinger naar het raam. “Ik heb het over buiten. We hebben allemaal het nieuws gevolgd. Serooskerke is Serooskerke niet meer!”
Het was de mannen natuurlijk ook opgevallen, hoe muisstil het de laatste tijd op straat was. Ook de nieuwsberichten hadden ze gevolgd. Het was Billy, die maanden geleden al had gezegd; “ik denk dat dit het nieuwe normaal is.”
“Dat weten we Kievit, maar wat stel je dan voor? Iedereen mag die brute moorden nu wel vergeten zijn, maar wij niet.”
“Mondkapjes!”, en Kievit opende een metalen voorraadkast, waar allemaal dozen met mondkapjes in lagen.”
“Mondkapjes?”
“Ja, pak wat je nodig hebt, want jullie moeten eruit. En de enige manier op geen zeven kleuren stront op te lopen; is overal buiten een mondkapje te dragen. En afstand houden van de besmette bewoners. Hoeveel weet ik niet precies, maar kom in hemelsnaam nooit dichtbij zo’n hoop.”
“Zeg, gooi jij ons nu buiten?”
“Wat Rinus vraagt Kievit”, zei Hollestelle, “ik hoop dat je begrijpt, dat we zonder wichelroede hier niet weg kunnen.”
“Daarom juist commissaris. U moet naar het weiland van Adri. Ik kan jullie hiermee niet helpen.”
“Wat is er dan op dat weiland Kievit?”, vroeg Billy.
“Daar staat een hele oude vogelverschrikker. Zo oud dat hij wel raad weet met die vinger van Janus.”
“Je bedoelt; dat jij van die vinger niks maken kan, maar die vogelverschrikker wel?”
“Dat zeg ik.”
“Maar waarom dan helemaal naar Adri? Volgens mij had de Nooyer er wel meerdere staan hier vlakbij.”
“Het moet een hele oude vogelverschrikker zijn en de oudste is die van Adri. Dus wil de grootste kans van slagen hebben, ga je daar naar toe.”
“Duidelijk”, keek Hollestelle om zich heen, “alleen hoe?”
“Hoe?”, sprak Kievit verbaasd; “met de fiets natuurlijk!”

Enthousiast dat ze weer eindelijk een doel hadden, fietsten de mannen de dijk op naar de provinciale weg. De fietstocht was een surrealistische. Ze keken hun ogen uit naar de vele quarentaineweilanden die ze passeerden, waar de stank zelfs door hun mondkapjes drong. Kokhalzen konden ze niet. De verbazing over zoveel trieste mensen op zoveel hopen was daar simpelweg te groot voor.
“Wat een ellende.”
“Verschrikkelijk. Ik wist niet dat het zo erg was.”
“Alsof we door de bollen rijden”, zei de Raaf, die daarmee blijk gaf weer helemaal te zijn hersteld van zijn verlies.
Bij de rotonde van Oudelande keken ze pas voor het eerst uit over lege weilanden.
“Stoppen mannen”, commandeerde Hollestelle, die zijn fiets tegen het hek aan zette. “Daar mannen, daar achter die bomenrij ligt het weiland van Adri.”
Ze keken over de omgeploegde akker, waar ze onmogelijk over konden fietsen en gingen te voet verder. De bomenrij kwam maar heel langzaam dichterbij. De zware kluiten klei wogen als lood aan hun schoenen. Maar uiteindelijk konden ze het slootje springen naar het kleine bos. Het was koud, hoewel het al lente was en de wind voelde ijzig aan.
“Het lijkt wel herfst”, zei Rinus, die de takken voor zich uit hield.  Plotseling keken ze uit over een enorme akker van Adri aan de horizon begrensd door de Zeedijk. Daar in het midden, zagen ze de vogelverschrikker staan onder een lucht die danig aan het betrekken was.
“Ben ik de enige die dit er onheilspellend vind uitzien?”,  vroeg Jack zich af.
Niemand zei verder nog wat, toen Hollestelle als eerste zijn schoenen in de klei zette en zich begon voort te bewegen naar de eeuwenoude vogelverschrikker.

Aan de voet verwonderden de mannen zich over hoe groot deze vogelverschrikker wel niet was. Opgebouwd uit wilgentakken, stronken en gehuld in donker goed was het duidelijk, dat dit inderdaad een hele oude vogelverschrikker was. Het stro, dat ongetwijfeld eens de verschrikker volume had gegeven, was al lang geleden vergaan; waardoor het wel leek of ze tegen een geraamte aan stonden te kijken.
“Wie heeft de vinger van Janus?”
“Hier”, zei de Raaf, die een kleine tupperware uit zijn binnenzak haalde.
“Okay, we hebben de vogelverschrikker en we hebben de vinger van Janus”, zei Hollestelle. “Maar wat moeten we daar nou mee doen?”
“Commissaris? Mag ik?”, was het Billy, die als eerste wat zei.
“Natuurlijk Billy, ga je gang.”
Billy opende voorzichtig de tupperware en pakte de vinger van Janus eruit.
“Gadverdamme!”, kon Rinus zijn ongemak niet verhullen.
“Ssst Rinus! Billy is zich aan het concentreren.”
“Jack? Help me”, zei Billy.
“Wat moet ik doen?”
“Geef me een kontje, want ik moet erin klimmen.”
Het had wat voeten in de klei, eer Billy in de oude vogelverschrikker was geklommen. Maar het lukte hem om de vinger hoog op een scherpe tak te spietsen. Daarna liet hij zich naar beneden glijden en ging op zijn knieën zitten en begon met koeterwaals.
“Wat zegt ie?”
“Geen idee, ‘k versta er niks van.”
“Ik versta het ook niet, maar herken het wel”, zei Jack. “Het is oud Gaelic. De taal van de oude Kelten.”
Steeds luider begon Billy te koeterwalen en opeens schokte hij in een diepe trance en begon nu te gillen; “Aithnionn ciarog eile! Aithnionn ciarog eile! Aithnionn ciarog eile!”
“Dat ken ik wel, dat is een oud spreekwoord”, fluisterde Jack.
“Wat betekent het?”
“It takes one to know one.”
“Of te wel; je hebt het nodig om het te vinden!”, zei de Raaf nu opgewonden. “Kijk!”
De wind nam snel toe en de wolken evenzo. Onder het geraas begon de vogelverschrikker langzaam te bewegen en draaide volledig om zijn as. Nog zeven omwentelingen volgden, toen hij abrupt stopte en de vinger ondubbelzinnig strak naar het Noorden wees.
“Naar het Noorden!”, probeerde Billy boven het windgeraas uit te komen, “we moeten naar het Noorden!”
Moeizaam begonnen ze door te klei te ploeteren in de richting die de vinger aangaf. Hoe verder ze zich van de oude vogelverschrikker verwijderden, des te minder werd de wind. Tegen de tijd dat ze bij de sloot aankwamen, scheen zowaar de zon en voelden ze nog slechts een lichte zeebries.
Het was Rinus die als eerste de sloot over wilde springen maar abrupt zijn aanloop stopte.
“Chef! Chef!”, gilde hij, wijzend naar wat kennelijk al een tijdje in de sloot lag te ontbinden. “Het is Janus Chef! Het is Janus!”
De slipjes waarmee die camera’s vastzaten herkende Rinus dan wel niet. Maar die camera’s voor z’n ogen herkende ie wel uit duizenden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

RSS
Follow by Email